-A +A

Huisarbeid vergoeding terugbetaling kosten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 27/02/2017

De vergoeding van de kosten die verbonden zijn aan de huisarbeid, geregeld door de artikelen 119.3, 1°, 119.4, §2, 4°, en 119.6, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, is verschuldigd aan de werknemers die, zoals artikel 119.1, §1 bepaalt, tegen loon arbeid verrichten onder het gezag van een werkgever, in hun woonplaats of op elke andere door hen gekozen plaats; die bepalingen ontslaan de werknemer die de terugbetaling van zijn kosten vraagt niet van de verplichting de uitvoering van de door hem aangehaalde huisarbeid te bewijzen; de werkgever moet daarentegen bewijzen dat de werknemer zijn huisarbeid niet had uitgevoerd wanneer hij dat feit aanvoert tot staving van zijn vordering om hem te veroordelen tot de terugbetaling van de voor dat tijdvak betaalde vergoeding

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. S.15.0134.F
T. L.,
tegen
ENERGY MANAGEMENT BROKERS LIMITED, vennootschap naar buitenlands recht,
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 12 mei 2015.

II. CASSATIEMIDDEL
(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling
(...)

Vierde middel

Tweede onderdeel

Artikel 1315 Burgerlijk Wetboek bepaalt in het eerste lid dat hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan moet bewijzen en in het tweede lid dat, omgekeerd, hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs moet leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweegge-bracht. Krachtens artikel 870 Gerechtelijk Wetboek moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert.

Artikel 119.1, § 1, Arbeidsovereenkomstenwet, bepaalt dat titel VI van die wet de tewerkstelling regelt van huisarbeiders die tegen loon arbeid verrichten onder het gezag van een werkgever, in hun woonplaats of op elke andere door hen gekozen plaats, zonder dat zij onder het toezicht of de rechtstreekse controle van deze werkgever staan.

Krachtens artikel 119.3, 1°, van voornoemde titel VI van die wet, is de werkgever ten aanzien van de huisarbeider in principe verplicht om de voor de uitvoering van het werk nodige hulp, hulpmiddelen en materialen ter beschikking te stellen. Arti-kel 119.4, § 2, 4°, van dezelfde titel bepaalt dat, de overeenkomst de vergoeding van de kosten die verbonden zijn aan de huisarbeid moet vermelden en artikel 119.6 van die titel bepaalt dat, bij ontstentenis van die vermelding en van de bij die bepaling bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst, een forfaitair bedrag ver-schuldigd is als vergoeding van die kosten.

De terugbetaling van de kosten die verbonden zijn aan de huisarbeid, bepaald in de voormelde artikelen 119.3, 1°, 119.4, § 2, 4°, en 119.6 is verschuldigd aan de werknemer die, zoals artikel 119.1, § 1, bepaalt, tegen loon arbeid verricht onder het gezag van een werkgever, in zijn woonplaats of op elke andere door hem ge-kozen plaats.

Die bepalingen ontslaan de werknemer die de terugbetaling van die kosten vraagt niet van de verplichting de uitvoering van de door hem aangevoerde huisarbeid te bewijzen.

De eiser diende de uitvoering van de huisarbeid van juli tot oktober 2010 te bewij-zen vermits hij dat feit aanvoert tot staving van zijn vordering om de verweerster te veroordelen tot betaling van de voor dat tijdvak in de arbeidsovereenkomst bepaal-de vergoeding "voor de kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders".

De overweging dat de eiser voor dat tijdvak niet bewijst "huisarbeid te zijn blijven verrichten", verantwoordt naar recht de verwerping van de vordering van de eiser.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

De verweerster moest daarentegen bewijzen dat de eiser van april tot juni 2010 geen huisarbeid had verricht, vermits zij dat feit aanvoerde tot staving van haar vordering om hem te veroordelen tot terugbetaling van de voor dat tijdvak betaalde vergoeding.

Het arrest dat de gevorderde veroordeling uitspreekt op grond dat de eiser voor dat tijdvak niet had bewezen "huisarbeid te zijn blijven verrichten", schendt de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.
(...)

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het de vordering van de eiser tot betaling van de vergoedingen voor huisarbeid van juli tot oktober 2010 verwerpt.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beoordeling daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Bergen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel,  en in openbare terechtzitting van 27 februari 2017 uitgesproken

S.15.0134.F
Conclusions de M. l'avocat général J.M. Genicot.

(...)

Sur le quatrième moyen en sa seconde branche.

En vertu des article 1315 du Code civil et 870 du Code judiciaire, il appartient donc à chaque partie de prouver les faits sur lesquels sa prétention repose.

L'article 119, §§1 et 2 qui définit et règle le travail à domicile ne comprend ni disposition ni présomption dérogatoire à ce principe.

En l'espèce le demandeur prétend au paiement par la défenderesse des indemnités de frais d'exécution du travail à domicile de juillet à octobre 2010.

Les parties cependant sont contraires en fait sur ce lieu d'exécution de travail durant cette période puisque la défenderesse invoque pour les motifs précités la restitution desdites indemnités dès avril 2010.

Indépendamment des termes initiaux du contrat, l'arrêt constate cependant que le demandeur ne prouve pas « avoir continué à travailler à son domicile » pour cette période et rejette pour ce motif sa prétention.

Ce faisant il justifie légalement sa décision en sorte que le moyen, en ce qu'il le critique sur ce point, ne peut être accueilli.

En revanche, il appartient - toujours en vertu du principe précité - à la défenderesse qui invoque de son côté la restitution des indemnités d'avril à juin 2010 de démontrer l'effectivité de l'arrêt du travail à domicile pour cette période d'autant plus que les termes du contrat initial laissaient supposer l'inverse.

Les juges d'appel ne pouvaient donc faire droit à cette demande au motif que le demandeur ne prouvait pas « avoir continué à travailler à partir de son domicile » durant cette période, sans inverser irrégulièrement la charge de la preuve.

Le moyen en cette branche est, dans cette mesure, fondé.
(...)

Conclusion.
Je conclus à la cassation partielle, c'est-à-dire hormis la décision de rejet de la prétention du demandeur en paiement des indemnités de travail à domicile pour la période de juillet à octobre 2010.
 

Noot: 

zie ook Arbeidshof te Gent, 8e Kamer – 14 juni 2013, 1389

samenvatting:

De wet stelt slechts twee voorwaarden opdat arbeid als huisarbeid zou kunnen worden beschouwd.

Allereerst moet de plaats van tewerkstelling door de werknemer zelf gekozen worden. Welnu, de appellant heeft ervoor gekozen zijn administratief werk niet op het kantoor van de geïntimeerde, maar bij hem thuis te verrichten. De eerste voorwaarde is aldus vervuld.

Als tweede voorwaarde voor het bestaan van “huisarbeid” geldt dat enkel onrechtstreekse controle op de werknemer mogelijk moet zijn. Doordat de werknemer zelf bepaalt waar hij zijn arbeid verricht en de werkgever niet aanwezig is op deze plaats en er zelfs geen toegang toe heeft, kan hij geen toezicht of rechtstreekse controle uitoefenen.

Als directe controle kan inzonderheid worden beschouwd, de rechtstreekse controle (op het moment zelf) van de aanwezigheid en de bezigheden van de werknemer, hetzij fysiek, hetzij via camera of webcam, hetzij via afluisterapparatuur voor telefonie, hetzij via computerapparatuur voor beeldschermweergaven”.

Indirecte controle is dan de controle achteraf van de werkzaamheden van de werknemer, zoals de registratie van de gewerkte uren of de kwaliteitscontrole op het geleverde werk. Loutere telefonische bereikbaarheid maakt geen toezicht of rechtstreekse controle mogelijk. Deze mogelijkheid volgt evenmin uit het bestaan van een onlineverbinding met de werkgever.

Het is evident dat de wettelijke regeling inzake huisarbeid niet van toepassing kan zijn op werknemers voor wie mobiliteit tot de essentie van de arbeid behoort, zoals handelsvertegenwoordigers. Uit niets blijkt echter dat de sedentaire taken die zij naast hun “mobiele” arbeid verrichten, eveneens van het toepassingsgebied van titel VI van de Arbeidsovereenkomstenwet uitgesloten zijn.

tekst arrest

M.M. t/ NV A.G.

1. De feiten

De appellant werd van 1 maart 1989 tot en met 28 december 2009 door de geïntimeerde tewerkgesteld met een voltijdse arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hij had de functie van “technisch inspecteur” brandschade.

...

5. Bespreking

...

5.2. De gegrondheid van het hoger beroep

5.2.1. De overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders

5.2.1.1. De vraag rijst of de partijen in de relevante periode van november 2005 tot december 2009 verbonden waren door een overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders, namelijk de werknemers “die tegen loon arbeid verrichten onder het gezag van een werkgever, in hun woonplaats of op elke andere door hen gekozen plaats, zonder dat zij onder het toezicht of de rechtstreekse controle van deze werkgever staan”.

Voor de eerste rechter voerde de appellant aan dat hij voltijds thuis werkte en bijgevolg uitsluitend huisarbeider kon zijn geweest. Ter openbare terechtzitting gaf hij echter toe dat de thuis uitgevoerde administratieve taken twee halve dagen (volgens de eerste rechter 20% van de arbeidstijd) in beslag namen (de geïntimeerde hield het op 10%). Aan de vaststelling dat hij als schaderegelaar hoofdzakelijk een buitenfunctie had, viel immers niet te ontkomen. Thans nuanceert hij zijn stelling in die zin dat zijn functie voor 100% een buitenfunctie was, terwijl zijn administratieve taken buiten de gewone kantooruren werden verricht en samen twee halve arbeidsdagen in beslag namen. De partijen zijn het erover eens dat de appellant in de kantoren van de geïntimeerde geen administratief werk verrichtte.

Hoeveel arbeidsuren de appellant in de betrokken periode presteerde en welke de verhouding was tussen buitendienst en administratief werk, is niet na te gaan. Het blijkt niet dat de appellant niet aan de bepalingen inzake arbeidsduur in de Arbeidswet onderworpen was (op de laatste loonfiche is een wekelijkse arbeidsduur van 36,10 uur vermeld). Wanneer hij – mogelijk op onwettige wijze – werkelijk 50 uur per week zou hebben gewerkt, zou er een spoor moeten zijn geweest van betaling van overloon, quod non. Het arbeidshof neemt aldus met de eerste rechter aan dat het administratief werk 20% van de totale arbeid uitmaakte. In geen geval kan een percentage van 75% worden aanvaard.

De geïntimeerde maakt het echter wel heel bont wanneer zij in haar syntheseconclusie beweert dat de appellant niet aantoont dat hij regelmatig thuis werkte. Het arbeidshof vraagt zich af of zij er dan van uitging dat hij zijn administratief werk in de auto verrichtte. Die stelling is natuurlijk wel flagrant in strijd met de vaststelling dat de geïntimeerde een isdn-lijn ter beschikking van de appellant stelde (zie infra) en met de eigen brieven en e-mails van de geïntimeerde.

De stelling van de appellant dat hij, nu hij zijn administratief werk enkel thuis deed, dan ook enkel en alleen huisarbeider was, is natuurlijk aberrant. Het niet-sedentaire werk als inspecteur gebeurde overal, behalve thuis.

In het voor de appellant meest gunstige geval was hij én een gewone bediende, onderworpen aan titel III van de Arbeidsovereenkomstenwet, én een huisarbeider, bovendien onderworpen aan de bijzondere bepalingen van titel VI van de Arbeidsovereenkomstenwet, en is meteen art. 119.2, § 2 van deze wet van toepassing, volgens welk, wanneer in het kader van eenzelfde overeenkomst slechts een gedeelte van de prestaties van een werknemer onder de bepalingen van titel VI vallen, deze bepalingen enkel van toepassing zijn op de prestaties die in zijn woonplaats of op de door hem gekozen plaats moeten worden verricht, terwijl de andere prestaties onder de toepassing vallen van de bepalingen betreffende de arbeidsovereenkomsten voor bedienden, in welk geval op de overeenkomst de bepalingen van inzonderheid art. 119.4 wel van toepassing zijn.

5.2.1.2. Vraag is dus of het administratief werk dat de appellant thuis verrichtte, huisarbeid is.

De wet stelt slechts twee voorwaarden opdat arbeid als huisarbeid zou kunnen worden beschouwd.

Allereerst moet de plaats van tewerkstelling door de werknemer zelf gekozen worden. Welnu, de appellant heeft ervoor gekozen zijn administratief werk niet op het kantoor van de geïntimeerde, maar bij hem thuis te verrichten. De eerste voorwaarde is aldus vervuld.

Het arbeidshof is het in het geheel niet eens met de eerste rechter dat er slechts van huisarbeid sprake kan zijn wanneer de werknemer tot het thuis werken wordt verplicht en wanneer hij bijgevolg niet de keuze heeft tussen werken thuis dan wel op het bedrijf. De wet stelt een en ander geenszins als voorwaarde. Het volstaat dat het thuis werken deel uitmaakt van de afspraken tussen werkgever en werknemer en bijgevolg een overeengekomen arbeidsvoorwaarde uitmaakt. Wie het initiatief ertoe neemt en om welke redenen, is irrelevant. En dat het thuis verrichten van administratief werk in casu de instemming van de geïntimeerde had (zij het dat zij het mogelijk liever anders had gezien), blijkt – benevens uit de inhoud van de bovenvermelde brieven en e-mails – uit het feit dat de appellant nooit is aangemaand om zijn administratief werk op het bedrijfskantoor te komen verrichten.

Bovendien bood de geïntimeerde faciliteiten om dit thuiswerk te kunnen verrichten, omdat de appellant een door haar betaalde isdn-lijn kreeg. Ten slotte is het ook volkomen irrelevant of de geïntimeerde de mogelijkheid had om de appellant al dan niet een bureau op het bedrijf ter beschikking te stellen. De geïntimeerde kan zich niet verstoppen achter de vaststelling dat de afspraken van de partijen niet werden vastgelegd in een geschrift (zie 5.2.2).

De weigering van de geïntimeerde om de juridische gevolgen van het bestaan van huisarbeid te erkennen, ontneemt de appellant niet het recht zich op de dwingende bepalingen van de wet te beroepen.

In zoverre occasioneel thuiswerk al buiten het wettelijk begrip huisarbeid zou vallen (zie inderdaad: M. De Vos, Loon naar Belgisch arbeidsovereenkomstenrecht, Antwerpen, Maklu, 2001, p. 430, nr. 246; K. Salomez, “Telewerk een bijzondere vorm van huisarbeid: naar geldend en komend recht?”, Soc.Kron. 2006, (121) 121-122), moet in casu vastgesteld worden dat het thuis werken een vast en regelmatig karakter had en allesbehalve “occasioneel” was. De wet laat niet toe dit “thuiswerk” als accessorium “weg te moffelen”.

5.2.1.3. Als tweede voorwaarde voor het bestaan van “huisarbeid” geldt dat enkel onrechtstreekse controle op de werknemer mogelijk moet zijn. Doordat de werknemer zelf bepaalt waar hij zijn arbeid verricht (cf. Cass. 26 september 1973, Arr.Cass. 1974, 93, TSR 1974,100) en de werkgever niet aanwezig is op deze plaats en er zelfs geen toegang toe heeft, kan hij geen toezicht of rechtstreekse controle uitoefenen (Verslag namens de commissie voor de sociale zaken bij het wetsvoorstel betreffende de huisarbeid, Parl.St. Kamer 1995-96, nr. 232/6, p. 21). De geïntimeerde zal zelf toch niet beweren dat zij rechtstreekse controle op de thuis verrichte prestaties kon uitoefenen. Als directe controle kan inzonderheid worden beschouwd, “de rechtstreekse controle (op het moment zelf) van de aanwezigheid en de bezigheden van de werknemer, hetzij fysiek, hetzij via camera of webcam, hetzij via afluisterapparatuur voor telefonie, hetzij via computerapparatuur voor beeldschermweergaven” (F. Robert (ed.), Telewerk. Juridische aspecten en recente ontwikkelingen, Brussel, De Boeck, 2008, 114). Indirecte controle is dan de controle achteraf van de werkzaamheden van de werknemer, zoals de registratie van de gewerkte uren of de kwaliteitscontrole op het geleverde werk (ibid., 118). De telefonische bereikbaarheid van de appellant maakt geen toezicht of rechtstreekse controle mogelijk. Deze mogelijkheid volgt evenmin uit het bestaan van een onlineverbinding met de werkgever.

5.2.1.4. Het is evident dat de wettelijke regeling inzake huisarbeid niet van toepassing kan zijn op werknemers voor wie mobiliteit tot de essentie van de arbeid behoort, zoals handelsvertegenwoordigers. Uit niets blijkt echter dat de sedentaire taken die zij naast hun “mobiele” arbeid verrichten, eveneens van het toepassingsgebied van titel VI van de Arbeidsovereenkomstenwet uitgesloten zijn.

Het arbeidshof concludeert dat alle voorwaarden vervuld zijn opdat de appellant voor zijn gedurende één vijfde van zijn arbeidstijd thuis verrichte prestaties aanspraak zou kunnen maken op de toepassing van titel VI van de Arbeidsovereenkomstenwet.

5.2.2. De kostenvergoeding

5.2.2.1. Ingevolge art. 119.2, § 2, in fine van de Arbeidsovereenkomstenwet is art. 119.4 van de wet van toepassing op de prestaties als huisarbeider, wat betekent dat de partijen een geschrift met de vermeldingen in § 2 van dit artikel hadden moeten opstellen alvorens de huisarbeid werd aangevat. Dit is niet gebeurd. Zodoende is er ook geen bepaling inzake de “vergoeding van de kosten die verbonden zijn aan de huisarbeid” (art. 119.4, § 2, 4o van de wet).

Art. 119.6 Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt welke sanctie de werkgever oploopt bij gebrek aan geschrift dat deze laatste vermelding bevat: hij is “een forfaitair bedrag van 10% van het loon verschuldigd als vergoeding van de kosten die aan de huisarbeid verbonden zijn, tenzij (de appellant) met verantwoordingsstukken aantoont dat de werkelijke kosten hoger zijn dan 10% van het “loon””.

In tegenstelling tot wat de geïntimeerde aanvoert, geldt deze sanctie zowel wanneer er wel een geschrift is maar zonder de voornoemde vermelding, als wanneer er helemaal geen geschrift is (en zelfs wanneer er wel een geschrift is met de voornoemde vermelding maar het te laat werd opgesteld). Welke bescherming zou de wet bieden mocht de onwil van de werkgever om een geschrift te ondertekenen tot gevolg hebben dat hij generlei kostenvergoeding zou verschuldigd zijn? Het zij herhaald dat een geschrift verplicht is wanneer de voorwaarden voor huisarbeid vervuld zijn en, zoals in casu, het voorwerp uitmaken van de wilsovereenstemming van de partijen (zie: 5.2.1.2).

Het arbeidshof leest in het arrest van 11 september 2009 in het geheel niet wat de geïntimeerde erin ontwaart.

5.2.2.2. De appellant legt geen stukken met betrekking tot zijn kosten over, zodat hij aanspraak kan maken op de forfaitaire vergoeding gelijk aan 10% van het “loon”. Zijn stelling dat de vergoeding een percentage moet zijn van zijn volledig loon, is weinig ernstig. Art. 119.4 en 119.6 van de Arbeidsovereenkomstenwet maken deel uit van titel VI van de wet en zijn enkel van toepassing op de prestaties (en het hiermee overeenstemmende loon) als huisarbeider. Opdat men de stelling van de appellant zou kunnen bijvallen, zouden ook zijn niet-sedentaire prestaties onder de toepassing van titel VI moeten vallen, quod non.

De appellant legt (vreemd genoeg) geen gedetailleerde berekening over van het loon waarop hij het door hem gevorderde bedrag berekent. Het arbeidshof beschikt dus enkel over die van de geïntimeerde. Ofschoon enkel al uit de laatste loonfiche blijkt dat de geïntimeerde niet alle loonelementen van het loon gebruikt (dat de forfaitaire vergoeding enkel op het vast maandloon moet worden berekend, is onjuist, omdat de term “loon” ruim moet worden uitgelegd en enkel de krachtens de overeenkomst verworven voordelen niet in aanmerking komen), heeft de appellant nagelaten om meer uitleg te geven over de berekening van zijn vordering. Het arbeidshof is nochtans bereid in voorkomend geval slechts een provisionele veroordeling uit te spreken.

De geïntimeerde komt, zich baserend op een percentage van 10%, tot een forfaitaire vergoeding van 1.918,73 euro. Nu het in aanmerking te nemen percentage in werkelijkheid 20% is, is de vergoeding evenwel gelijk aan 3.837,46 euro.

Bij gebrek aan andersluidende overeenkomst is de forfaitaire vergoeding ook verschuldigd voor maanden waarvoor loon werd betaald ofschoon de appellant van het verrichten van arbeidsprestaties werd vrijgesteld.

Uit de laatste loonfiche blijkt dat de appellant een maandelijkse bureauvergoeding ontving van 13,63 euro. De geïntimeerde merkt op dat deze vergoeding de aankoop van klein bureaumateriaal diende te vergoeden. Het gaat dan wel om een vergoeding voor de kosten voor hulpmiddelen en materialen die de werkgever hoe dan ook ter beschikking van de werknemer moet stellen (zie immers art. 119.3, 1o Arbeidsovereenkomstenwet), niet om een vergoeding van de kosten van de huisarbeid, en deze bureauvergoeding kan bijgevolg niet in mindering worden gebracht op de verschuldigde forfaitaire vergoeding (zie: Verslag namens de commissie voor de sociale zaken bij hei wetsvoorstel betreffende de huisarbeid, Parl.St. Kamer 1995-96, nr. 232/6, p. 26-27).

In tegenstelling tot wat de geïntimeerde meent, dienen kosten die met de huisarbeid niets te maken hebben, zoals reiskosten, maaltijdkosten en representatiekosten natuurlijk evenmin in mindering te worden gebracht. Ook met het ter beschikking stellen van een isdn-lijn kan geen rekening worden gehouden, al was het maar omdat uit geen enkel stuk van de partijen blijkt welke de hoogte is van de kosten die hiermee gepaard zijn gegaan.

Kostenvergoedingen zijn loon in de zin van art. 10 Loonbeschermingswet, omdat het gaat om in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever (zie: J. Petit, Interest in APR, Gent, Story, 1995, p. 96, nr. 97).

De vordering is slechts gedeeltelijk gegrond.

Het hoger beroep is gegrond.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 19/06/2018 - 13:49
Laatst aangepast op: di, 19/06/2018 - 13:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.