-A +A

Houtblok op de weg

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Oudenaarde
Datum van de uitspraak: 
woe, 13/02/2013

Een zaak is behept met een gebrek wanneer zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken.

Dit abnormaal kenmerk is voorhanden wanneer een houtblok op de weg het veilig verkeer van een motorfietser hindert en aldus een ongeval veroorzaakt.

Medeaansprakelijkheid van de motorfietsbestuurder werd niet weerhouden.

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift van de Politierechters
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2013
Pagina: 
84
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

De uiteenlopende voorbeelden waar zowel appellanten als geïntimeerdenbewijzen tonen aan dat rechtspraak en rechtsleer verdeeld zijn over de vraag of voorwerpen op de rijbaan erkunnen toe leiden dat een baan hierdoor gebrekkig wordt in de zin van artikel 1384 eerste lid Burgerlijk Wetboek.

In ieder geval is de vraag of een zaak gebrekkig is een feitenkwestie, die zal beoordeeld worden door de rechtbank rekening houden met de specifieke omstandigheden van de zaak.

Voor de rechtbank is van doorslaggevend belang om te weten of de zaak gebrekkig is, of deze een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken. Een abnormaal kenmerk van de zaak kan omschreven worden als een kenmerk dat de zaak doorgaans niet vertoont en waardoor de zaak niet meer of toch minder geschikt wordt voor haar bestemming. Volgens een vaststaande cassatierechtspraak hoeft het geen intrinsieke kenmerk te zijn; er kan ook sprake zijn van een voorwerp dat aan de zaak wordt toegevoegd waardoor de structuur van de zaak wordt aangetast. In dat geval is vereist dat de zaak in haar geheel een abnormaal kenmerk vertoont (cassatie 17 januari 2003 TBBR 2004, 86-88).

De feiten tonen aan dat de aanwezigheid van een houtblok ernstige gevolgen kan hebben voor een motorfiets bestuurder en zijn passagier. De wegligging van een motorfiets is minder stabiel dan die van een auto. Wanneer de motorfietsbestuurder plots en zonder enige waarschuwing, zoals hier het geval was, wordt geconfronteerd met een voor hem niet zichtbare houtblok op het midden van de rijbaan, dan maakt dit houtblok voor hem een abnormaal kenmerk van de rijbaan uit. Dat het houtblok voor de eerste appellant niet zichtbaar was staat vast. Op geen enkele wijze werd hij gewaarschuwd voor het opkomend obstakel. De voertuigen die voor de motorfiets reden hadden klaarblijkelijk geen hinder ondervonden van het houtblok, mogelijk omdat zij, in tegenstelling tot een motorfiets, moeiteloos over een dergelijk blok heen kunnen rijden, zoals appellanten aanhalen.

Doorgaans is de rijbaan vrij van dergelijke voorwerpen. De normale bestemming van de rijbaan, namelijk zich verder verplaatsen via de weg die men verkiest, komt voor de motorfietsbestuurder door zo’n houtblok op de helling te staan. Onmiskenbaar wordt door het houtblok de structuur van de baan aangetast, zij het eventueel kortstondig is van een rijbaan zonder merkbare obstakels op het ogenblik dat de motorfietsbestuurder op de plaats van het ongeval rijdt geen sprake meer.

Bijgevolg moet worden besloten dat in casu de rijbaan behept was met een gebrek door de aanwezigheid van het houtblok.

Geïntimeerde is de bewaarder van de rijbaan, daarover bestaat geen discussie. Zonder dat enige fout in hoofde van de bewaarder moet worden aangetoond is hij aansprakelijk voor eventuele schade die door de aanwezigheid van het houtblok veroorzaakt wordt.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de appellanten geen fout kan worden verweten.

Tweede appellanten had als passagier op de motorfiets geen duidelijk zicht op de rijbaan. Zij maakte geen enkele fout.

Voor wat betreft de eerste appellant stelt geïntimeerde dat ieder normaal zorgvuldig weggebruiker het houtblok had moeten zien. Deze stelling wordt niet gevolgd
 

Noot: 

Zie ook: Burgerlijke Rechtbank te Turnhout, 4e Kamer – 4 december 2009, RW 2011-2012; 577

samenvatting:

Het feit dat op een agrarische weg modder ligt is niet abnormaal en behelst geen gebrek in de zin van artikel 1384 Burgerlijk wetboek

tekst voonis:

De V. t/ Stad Hoogstraten

...

4. Ten gronde

4.1. De feiten

Op 27 december 2003 omstreeks 18 uur ‘s avonds gebeurde te Wortel “Kolonie” op een landweg een verkeersongeval waarbij appellant met zijn motorfiets BMW ten val is gekomen.

Appellant werd gewond, liep verschillende breuken op en werd overgebracht naar het ziekenhuis.

Aan de openbare weg waar het ongeval gebeurde ligt een stuk landbouwgrond met daarop een voedersilo. Deze grond werd gebruikt door de heer K.P.

Daags na het ongeval ging de echtgenote van de heer De V. aangifte doen van de feiten bij de politie. Er werd een strafdossier opgesteld, dat later werd geseponeerd.

Onder de rubriek “kort relaas” schreven de verbalisanten:

“De V. was samen met enkele kennissen bezig met een motortocht om de kerststallen in de buurt te bezichtigen. (...) Daar hebben zij de Langenberg overgestoken en het weggetje aldaar ingereden. De straat heeft geen officiële naam, maar wordt gerekend tot Wortel Kolonie. Voor de bocht aldaar lag slijk op de rijbaan, afkomstig van een landbouwvoertuig. De V. is geslipt op het slijk en is ten val gekomen (...)”.

Voorts is de rubriek “vaststellingen” relevant: “Wij kunnen twee dagen na de feiten nog vaststellen dat er slijk op de rijbaan ligt. Het slijk is duidelijk afkomstig van een landbouwvoertuig dat uit de weide aldaar komt. In de weide is een voedersilo gelegen (...)”.

Bij “technische vaststellingen” werd genoteerd: “Weersomstandigheden: onbekend. Staat van de weg: vuil (zand, grind, bladeren, ...). (...) Weg-/verkeersomstandigheden: bevuilde rijbaan”.

De heer E. was mee op kerststallentocht en verklaarde als getuige dat ter plaatse voor een bocht enorm veel slijk op de rijbaan lag en dat hij vermoedde dat dit afkomstig was van een landbouwvoertuig. Hij verklaarde tevens dat daar een silo van een boer gelegen was, dat hij ook over het slijk was geslipt, maar dat hij zijn voertuig nog onder controle had kunnen houden en dat men aan een snelheid van 35 km per uur reed.

De heer V., die ook tot het gezelschap behoorde, verklaarde dat er slijk op de rijbaan lag en dat de baan vochtig was. Hij zei ook dat er aan 35 km per uur werd gereden en dat appellant slipte op het slijk. Ten slotte verklaarde hij dat het slijk duidelijk afkomstig was van een tractor die van het erf aldaar kwam en dat de rijbaan verderop proper was.

K.P., de landbouwer, werd ook gehoord door de politie en legde volgende verklaring af: “(...) Ik neem er kennis van dat er een verkeersongeval gebeurd is op de weg achter mijn boerderij. (...). Ik heb aldaar een silo liggen. Ik neem er kennis van dat het verkeersongeval is gebeurd doordat de rijbaan vervuild was. Ik zorg er echter voor dat de rijbaan proper blijft. Ik wens wel te vermelden dat er zeer dikwijls zwaar verkeer doorkomt dat de rijbaan ook vervuilt (...)”.

Op 4 februari 2004 verhoorde de politie de heer De V. Hij verklaarde: “(...). We hadden juist de Langenberg overgestoken en reden aan een trage snelheid van 40 km per uur. Op een gegeven ogenblik voor een bocht naar links, lag er slijk op de rijbaan. Ik ben dan gevallen door dit slijk op de rijbaan. (...). Ik ben met mijn motorfiets gevallen ingevolge slijk, gedeelte van silo(gras) dat op de rijbaan lag (...)”.

Appellant voert aan dat geïntimeerde de bewaarder is van de weg op de plaats van het ongeval en dat zij aan een veiligheidsverplichting te voldoen heeft in het raam van de Nieuwe Gemeentewet.

4.2. Het bestreden vonnis

In eerste aanleg vorderde de heer De V. in primaire orde van NV K.V. (verzekeraar van de genoemde heer K.P. en thans niet meer in zake) een vergoeding van 2.000 euro provisioneel, vermeerderd met de interesten en de aanstelling van een geneesheer-deskundige.

Subsidiair, voor het geval de in primaire orde ingestelde eis zou worden afgewezen, vorderde hij van de stad Hoogstraten een schadevergoeding van 10.000 euro provisioneel, vermeerderd met de interesten en de aanstelling van een geneesheer-deskundige.

De eerste rechter verklaarde de vorderingen van appellant ontvankelijk. Hij verklaarde de vordering tegen NV K.V. deels gegrond en veroordeelde NV K.V. om aan appellant 1 euro provisioneel te betalen. Tevens stelde hij een geneesheer-deskundige aan om de heer De V. te onderzoeken.

De vordering van appellant tegen de stad Hoogstraten werd zonder voorwerp verklaard.

...

4.4. Beoordeling

1. Appellant voert aan dat geïntimeerde als bewaarder van de weg aansprakelijk is op basis van art. 1384, eerste lid, BW voor een gebrek in de rijbaan.

Hij betoogt dat uit de gegevens die hij bijbrengt blijkt dat de plaats van het ongeval behoort tot het openbaar domein van de stad Hoogstraten. Hij vraagt dat, indien de rechtbank zou twijfelen wie de bewaarder van de weg is op de ongevalsplaats, een landmeter-deskundige zou worden aangesteld om hierover uitsluitsel te bieden.

Appellant geeft aan dat de rijbaan behept was met een gebrek, namelijk modder en slijk op de rijbaan, en dat dit gebrek tevens als abnormaal kan worden bestempeld, zodat daardoor aan derden schade berokkend kon worden.

Vervolgens meent de heer De V. dat de stad Hoogstraten alleszins gefaald heeft haar veiligheidsverplichting na te leven. Volgens appellant bestond er een abnormaal gevaar op het grondgebied van de stad en heeft deze laatste nagelaten om dit te verhelpen.

Voorts betoogt appellant dat uit niets blijkt dat hij overdreven snel reed. Hij geeft aan dat de aanwezige modder niet kan worden beschouwd als een voorzienbare hindernis; hij argumenteert dat een weggebruiker zich niet hoefde te verwachten aan een rijbaan die op dermate erge wijze vervuild was. Hij zegt dat uit niets blijkt dat hij niet de vereiste stuurbekwaamheid had of onoplettend zou zijn geweest en wijst op het feit dat ook zijn medebestuurders problemen hadden om overeind te blijven.

2. Geïntimeerde argumenteert dat uit de voorhanden zijnde gegevens niet kan worden afgeleid waar het ongeval zich precies heeft voorgedaan en meent dat zij niet zomaar als bewaarder van de weg op de plaats van het ongeval kan worden beschouwd. Ze meent dat deze plaats niet tot de openbare weg behoort, maar tot het privaat domein van de instelling van Wortel-Kolonie.

Subsidiair is zij van oordeel dat de aanwezigheid van slijk op een landweg bezwaarlijk als abnormaal kan worden beschouwd, zodat zij alleszins niet aansprakelijk kan worden gesteld voor het gebeurde ongeval op basis van art. 1384, eerste lid, BW.

Ze wijst erop dat de veiligheidverplichting voor de gemeente een inspannings- en geen resultaatsverbintenis is en dat zij op 19 november 2003 ter plaatse nog grachten heeft geruimd en zich ter plaatse van de toestand heeft vergewist.

De stad Hoogstraten is van oordeel dat het ongeval enkel en alleen heeft kunnen plaatsvinden door de fouten en de onvoorzichtigheid van de heer De V. zelf.

Ze meent dat de aanwezigheid van slijk op een landweg niet onvoorzienbaar was en dat de heer De V. art. 10.1.3o, van het Wegverkeersreglement heeft geschonden.

3. De eerste rechter heeft geoordeeld dat de vordering van appellant tegen geïntimeerde alsdan zonder voorwerp was geworden wegens het feit dat de verzekerde van NV K.V. door hem aansprakelijk werd geacht voor het gebeurde ongeval, zodat hij zich niet verder diende uit te spreken over de eventuele aansprakelijkheid van de stad Hoogstraten.

Momenteel dient te worden vastgesteld dat de vordering die appellant in eerste aanleg in subsidiaire orde stelde, op dit ogenblik niet langer zonder voorwerp is. Deze rechtbank dient juist de eventuele aansprakelijkheid van geïntimeerde voor het gebeurde ongeval te onderzoeken.

De vaststelling van de eerste rechter dat er geen aanwijzing voorhanden is dat de heer De V. te snel zou hebben gereden, kan worden bijgevallen. Hetzelfde geldt voor de vaststelling dat er zich heel wat modder op de rijbaan bevond.

Op een agrarische weg als de kwestieuze baan dient een voorbijganger zich echter wel te verwachten aan de aanwezigheid van modder. Het is niet abnormaal dat er zich slijk bevindt op een landweg. Als hij in het donker een dergelijke weg betreedt, moet een normale en voorzichtige motorrijder zich eraan verwachten dat een landweg in een agrarisch gebied glad kan zijn door aanzienlijk wat modder en vuil.

Het feit dat er zich modder en zelfs veel modder op een dergelijke weg bevindt, is in het geheel niet abnormaal.

Er is bijgevolg geen sprake van een gebrek in de zaak, zodat geïntimeerde – als ze al bewaarder van de kwestieuze weg zou zijn, maar wat dus niet verder dient te worden onderzocht – niet aansprakelijk kan worden gesteld op basis van art. 1384, eerste lid, BW.

Voorts staat vast dat de veiligheidsverplichting van de gemeente wel degelijk een inspanningsverbintenis is. Van geïntimeerde kan niet worden verwacht dat zij bij wijze van spreken elke dag of week op alle landwegen gaat kijken of ze nog wel berijdbaar zijn ingevolge de aanwezigheid van slijk. Van een normale en zorgvuldige gemeente moet worden verwacht dat zij haar wegen onderhoudt en probeert problemen te verhelpen van zodra deze worden gemeld. Uit niets blijkt dat de stad Hoogstraten zich niet in voldoende mate heeft ingespannen om de kwestieuze weg veilig en berijdbaar te houden. Appellant toont niet aan dat geïntimeerde zich niet aan haar verplichting om de wegen veilig te houden, heeft gehouden.

Uit niets blijkt dat geïntimeerde de Nieuwe Gemeentewet niet heeft nageleefd.

Samenvattend kan worden gezegd dat niets kan worden verweten aan geïntimeerde.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 11/09/2017 - 07:22
Laatst aangepast op: ma, 11/09/2017 - 07:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.