-A +A

Hoofdoek gemeenschapsonderwijs mag aanstelling niet weigeren van godsdienstlerares met hoofdoek

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
woe, 05/02/2014
A.R.: 
226.345

Het ambt van godsdienstleerkracht uit de aard van dat ambt zelf houdt een persoonlijk engagement in van de betrokken leerkracht en  dit persoonlijk engagement gaat voor bepaalde godsdienstleerkrachten gepaard gaat met het vertoon van de uiterlijke kentekens van hun levensbeschouwing.

Bij de de uitoefening van haar ambtelijke schoolopdrachten – bijvoorbeeld bij toezichtbeurten of bij gesprekken met de ouders, of meer algemeen bij  gevorderde aanwezigheid op de school mag de godsdienstleerkracht geen houing aannemen die getuigt van indoctrinatie of bekeringsijver of zelfs maar wijst op een niet-bedachtzame wijze van omgaan met de leerlingen bij de uiting van persoonlijk engagement. Maar dit staat los van het dragen van een hoofddoek.

Het gemeenschapsonderwijs op wie een grondwettelijke verplichting rust om levensbeschouwelijk onderricht aan te bieden in de islam als een van de bedoelde erkende godsdiensten, geeft op het eerste gezicht een met de aangehaalde grondwetsbepaling strijdige uitleg aan de door haar na te leven en in diezelfde grondwetsbepaling opgenomen neutraliteitsverplichting indien zij de aanstelling weigert van een islamleerkracht om de enkele reden dat die leerkracht een hoofddoek als levensbeschouwelijk kenteken draagt en zou weigeren deze af te leggen buiten het leslokaal waar zij haar godsdienstonderwijs geeft.

De raad van state klaagt dan ook die houding aan maar gaat echter niet zo ver om de vordering tot aanstelling in te willigen en de vordering van de moslima in te willigen wegens het niet voldoen aan het vereiste van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel om de schorsing van de tenuitvoerlegging te verkrijgen. Het auditoraat was daarentegen de mening toegedaan dat aan dit vereiste was voldaan.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
344
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Raad van State

9e Kamer – 5 februari 2014

X. t/ Gemeenschapsonderwijs

Arrest nr. 226.345

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 30 oktober 2013, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “[de] beslissing van de [...] directeur van het Koninklijk Atheneum M. van 2 september 2013, houdende de weigering om mevrouw X toegang te verlenen tot de school KA M., de beslissing, vastgesteld [door de gerechtsdeurwaarder] bij proces-verbaal van 3 september 2013 [...], van de [...] directeur van het Koninklijk Atheneum M., om mevrouw X niet aan te stellen en de toegang tot de school te weigeren wegens het dragen van de hoofddoek en de bevestiging van 17 september 2013 van de de algemeen directeur van de scholengroep (...) van het Gemeenschapsonderwijs van de niet-aanstelling van mevrouw X”.

...

IX. Ernstig middel

...

Beoordeling

19. De verwerende partij trekt in twijfel dat het dragen van de hoofddoek een religieus voorschrift is, waaruit zij afleidt dat de inzet van het geschil louter een “kledijkeuze” zou zijn. Dit verweer overtuigt de Raad vooralsnog niet. Aan verzoekster is immers niet de aanstelling geweigerd louter wegens haar kledij, maar wel precies omdat haar hoofddoek beschouwd werd als een verboden uiterlijk kenteken van haar levensbeschouwing. Tussen de directeur en verzoekster bestond ten minste op dit punt geen onenigheid. Zou de verwerende partij thans aantonen dat dit uitgangspunt niet correct is, dan ontneemt zij ipso facto de materiële grondslag aan haar beslissing, wat met het bewijs van de onwettigheid ervan zou samenvallen.

20. De verwerende partij verantwoordt haar beslissing voorts op grond van de opvattingen die zij huldigt met betrekking tot de neutraliteit van het Gemeenschapsonderwijs.

De Raad van State stelt vast dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen evenwel aan de specifieke situatie van godsdienstleerkrachten grotendeels voorbijgaat.

Haar verwijzing naar arrest nr. 223.042 van 27 maart 2013 is voor de thans voorliggende zaak op het eerste gezicht niet dienstig: zoals onder meer te lezen is in de overwegingen VI.2.7 en VII.2.1 van dat arrest, lijkt er in die zaak uitdrukkelijk rekening mee te zijn gehouden dat het aldaar aan de beoordeling van de Raad voorgelegde verbod de leerkrachten algemene vakken gold en in een uitzondering voorzag voor leerkrachten die een levensbeschouwelijk vak onderwijzen “in de uitoefening van hun ambt”.

21. Art. 24 Gw., voor zover hier relevant, bepaalt wat volgt:

Ҥ 1. Het onderwijs is vrij; elke preventieve maatregel is verboden; de bestraffing van de misdrijven wordt alleen door de wet of het decreet geregeld.

“De gemeenschap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders.

“De gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen.

“De scholen ingericht door openbare besturen bieden, tot het einde van de leerplicht, de keuze aan tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.

[...]

Ҥ 3. Ieder heeft recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden. De toegang tot het onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht.

“Alle leerlingen die leerplichtig zijn, hebben ten laste van de gemeenschap recht op een morele of religieuze opvoeding.

Ҥ 4. Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet. De wet en het decreet houden rekening met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden.

[...]”

22. Zoals blijkt uit het aangehaalde artikel, verplicht de grondwetgever het Gemeenschapsonderwijs ertoe aan zijn leerlingen lessen aan te bieden in een van de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.

Met de bestreden beslissing weigert de verwerende partij de aanstelling van een godsdienstleerkracht, die door de bevoegde instantie van de betrokken levensbeschouwing niettemin was voorgedragen, wegens het dragen van een uiterlijk levensbeschouwelijk kenteken.

Zoals de Raad van State reeds overwoog in zijn arrest nr. 223.201 van 17 april 2013, is voor dergelijke leerkrachten zo een manifestatie van hun geloof inherent aan het door hen gegeven onderwijs waarin zij hun ambt uitoefenen en is de uitoefening van dit ambt geenszins beperkt tot de loutere uren van de lessen en de lokalen waarin zij dit verstrekken. Reeds eerder, in het ook door verzoekster aangevoerde arrest nr. 195.044 van 2 juli 2009, heeft de Raad opgemerkt dat op plaatsen buiten de strikte context van hun lesopdracht voor godsdienstleerkachten evenzeer een opvoedings- of onderwijssituatie kan bestaan die aanleiding kan geven tot het – op bedachtzame wijze – doen kennen van hun persoonlijk engagement. Het zij herhaald dat de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in arrest nr. 223.042 van 27 maart 2013 uitdrukkelijk signaleerde dat de aldaar besproken verbodsbepaling niet van toepassing was op godsdienstleerkrachten “in de uitoefening van hun ambt”.

Met andere woorden lijkt aangenomen te moeten worden en neemt de Raad in de huidige stand van de procedure aan dat het ambt van godsdienstleerkracht uit de aard van dat ambt zelf het persoonlijk engagement inhoudt van de betrokken leerkracht en dat dit persoonlijk engagement voor bepaalde godsdienstleerkrachten gepaard gaat met het vertoon van de uiterlijke kentekens van hun levensbeschouwing.

Er wordt niet beweerd dat verzoekster daarenboven bij de uitoefening van haar ambtelijke schoolopdrachten – bijvoorbeeld bij toezichtbeurten of bij gesprekken met de ouders, of meer algemeen bij haar door de verwerende partij gevorderde aanwezigheid op de school – een houding heeft aangenomen die getuigt van indoctrinatie of bekeringsijver of zelfs maar wijst op een niet-bedachtzame wijze van omgaan met de leerlingen bij de uiting van haar persoonlijk engagement.

23. De verwerende partij, op wie een grondwettelijke verplichting rust om levensbeschouwelijk onderricht aan te bieden in de islam als een van de bedoelde erkende godsdiensten, geeft op het eerste gezicht een met de aangehaalde grondwetsbepaling strijdige uitleg aan de door haar na te leven en in diezelfde grondwetsbepaling opgenomen neutraliteitsverplichting indien zij de aanstelling weigert van een islamleerkracht om de enkele reden dat die leerkracht een hoofddoek als levensbeschouwelijk kenteken draagt en zou weigeren deze af te leggen buiten het leslokaal waar zij haar godsdienstonderwijs geeft.

24. De besproken middelen zijn in die mate ernstig.

...
 

Noot: 

De raad voor het gemeenschapsonderwijs besliste in september 2009 tot een algemeen hoofdoekenverbod in het gemeenschapsonderwijs. Zie:

http://www.elfri.be/hoofddoek-verboden-raad-gemeenschapsonderwijs

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 29/10/2014 - 00:04
Laatst aangepast op: wo, 29/10/2014 - 00:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.