-A +A

Hoofdelijke aansprakelijkheid sociale schulden - uitzondering - werken uitsluitend voor privédoeleinden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Brugge
Datum van de uitspraak: 
vri, 24/06/2016

Art. 30 RSZ wet voorziet in een (hoofdelijk) aansprakelijkheidsmechanisme. Dit principe echter is niet van toepassing indien de opdrachtgever-natuurlijke persoon werken laat uitvoeren die enkel kaderen in het beheer van zijn eigen vermogen en niet in de één of andere door hemzelf uitgeoefende beroepsactiviteit, onverminderd de bestemming die naderhand door een derde (koper dan wel huurder) aan het onroerend goed gegeven wordt.

Publicatie
tijdschrift: 
NjW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2016
Pagina: 
690
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arbh. Gent (afd. Brugge) 24 juni 2016, NjW 2016, 690.

[ ... ]

Rijksdienst voor Sociale Zekerheid,

[ ... ]

appellant, [ ... ]

tegen

D.K.B.,[ ... ] geïntimeerde, [ ... ]

mede inzake zijnde partijen:

L Architectenbureau Bart Francois bvba,[ ... ]

2. V.H.K., [ ... ]

3. De Belgische Staat, Fod Sociale Zaken,[ ... ]

en[ ... ] D.K.B.,[ ... ] appellant, [ ... ]

tegen

1. Architectenbureau Bart Francois bvba,[ ... ]

eerste geïntimeerde, [ ... ] 2.V.H.K.,[ ... ]

tweede geïntimeerde, [ ... ]

3. De Belgische Staat, Fod Sociale Zaken,[ ... ]

derde geïntimeerde, [ ... ]

mede inzake zijnde partij:

Rijksdienst voor Sociale Zekerheid,

[ ... ]

4.3.4. Het arbeidshof is het met de eerste rechter eens dat de uitzondering in § 10 "Dit artikel is niet van toepassing zodra de opdrachtgever-natuurlijke persoon die de in § 1 vermelde werken uitsluitend voor privé-doeleinden laat uitvoeren", van toepassing is wanneer de opdrachtgever-natuurlijke persoon werken laat uitvoeren die enkel kaderen in het beheer van zijn eigen vermogen (dus "uitsluitend voor privé-doeleinden") en niet in de één of andere door hemzelf uitgeoefende beroepsactiviteit. Dat het onroerend goed waarop de werken betrekking hebben, vervolgens een bestemming krijgt die kadert in een door een derde (inzonderheid de huurder van het goed of zelfs de persoon aan wie het goed zou worden verkocht) uitgeoefende beroepsactiviteit, is niet relevant.

4.3.5. De discussie tussen de partijen over de (verdeling van de) bewijslast laat het arbeidshof onbesproken bij gebrek aan relevantie. Inderdaad komt dit hof tot de vaststelling dat

D.K.B. op voldoende wijze heeft bewezen dat hij zich op de op bovenvermelde wijze uitgelegde wettelijke bepaling kan beroepen én dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid niet heeft bewezen dat de betrokkene zich niet op de wettelijke uitzondering kan beroepen.

Dat D.K.B. de werken "uitsluitend voor privé-doeleinden" in de voormelde zin heeft laten uitvoeren, blijkt met zekerheid uit de door hem overgelegde fiscale bescheiden (zie de verklaring aan de BTW-administratie - zijn stuk 4a; de aanslagbiljetten in de personenbelasting - zijn stukken 13b, 14b en 15b), de huurovereenkomsten (zijn stukken 4c en 4d) en het woningkrediet (zijn stuk 16). Dat de werken deels op een winkelpand betrekking hadden, is zoals gezegd zonder enig belang.

4.3.6. Rechtspraak en rechtsleer die betrekking hebben op een andere en vroegere versie van de wettelijke bepalingen, acht het arbeidshof niet relevant. In geen geval kunnen zij aangevoerd worden om een andere uitlegging van artikel 30bis, § 10 van de RSZ-wet te geven dan deze die zich op grond van de duidelijke wettekst zelf opdringt, en dit is deze die in nr. 4.3.4 wordt gegeven.

Dit geldt inzonderheid voor de verantwoording gegeven in het verslag aan de Koning bij het KB van 20 december 1998 (BS 31 december 1998, 42133), dat een op de huidige versie van de voornoemde bepaling gelijkende bepaling heeft ingevoerd, in de mate waarin hieruit zou moeten afgeleid worden dat zij enkel zou gelden wanneer werken aan een woongelegenheid worden uitgevoerd, wat de draagwijdte van de wettelijke uitzondering nog beperkter zou maken. Dit is in elk geval niet wat uit de tekst van de wet zelf blijkt.

[ ... ]
 

Noot: 

Evelien Timbermont, Uitzondering op hoofdelijke aansprakelijkheid voor sociale schulden, NjW 2016, 691.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 26/05/2018 - 18:00
Laatst aangepast op: za, 26/05/2018 - 18:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.