-A +A

Hoger Beroep vervallen bij laattijdig grievenformulier

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 31/01/2017
A.R.: 
P.16.1004.N

Uit de tekst van de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering, de wetsgeschiedenis, de doelstellingen ervan en het onderling verband tussen deze artikelen volgt dat de rechter de beklaagde vervallen moet verklaren van zijn hoger beroep tegen een op tegenspraak gewezen vonnis indien hij zijn verzoekschrift of grievenformulier niet heeft ingediend ter griffie van het gerecht dat de beroepen beslissing heeft gewezen of van het appelgerecht uiterlijk dertig dagen na de dag van de uitspraak.

Ingeval overmacht, dit is een van de wil van de beklaagde onafhankelijke gebeurtenis die hij niet kon voorzien of voorkomen, de beklaagde heeft belet tijdig een verzoekschrift of grievenformulier in te dienen, kan de rechter, die onaantastbaar in feite oordeelt of er overmacht is, de sanctie van het verval van het hoger beroep niet toepassen

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/13
Pagina: 
1046
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(B.S. / S.S.H. - Rolnr.: P.16.1004.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 19 september 2016.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 10 januari 2017 een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof.

Op de rechtszitting van 31 januari 2017 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Middelen van de eiser I
Eerste middel
(…)

2. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waartoe het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

3. Krachtens artikel 203, § 1, eerste lid Wetboek van Strafvordering vervalt het recht van hoger beroep van een beklaagde indien de verklaring van hoger beroep niet is gedaan ter griffie van de rechtbank die het vonnis op tegenspraak heeft gewezen uiterlijk 30 dagen na de dag van de uitspraak.

Volgens artikel 204 Wetboek van Strafvordering:

moet het verzoekschrift of het grievenformulier op straffe van verval van het hoger beroep nauwkeurig de grieven bepalen die tegen het vonnis worden ingebracht en wordt het verzoekschrift of het grievenformulier binnen dezelfde termijn als de in artikel 203 bedoelde verklaring van hoger beroep ingediend;
kan dit verzoekschrift of grievenformulier ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van het appelgerecht.
4. Uit de tekst van de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering, de wetsgeschiedenis, de doelstellingen ervan en het onderling verband tussen deze artikelen volgt dat de rechter de beklaagde vervallen moet verklaren van zijn hoger beroep tegen een op tegenspraak gewezen vonnis indien hij zijn verzoekschrift of grievenformulier niet heeft ingediend ter griffie van het gerecht dat de beroepen beslissing heeft gewezen of van het appelgerecht uiterlijk 30 dagen na de dag van de uitspraak.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. Ingeval overmacht de beklaagde heeft belet tijdig een verzoekschrift of grievenformulier in te dienen, kan de rechter de sanctie van het verval van het hoger beroep niet toepassen.

Overmacht is een van de wil van de beklaagde onafhankelijke gebeurtenis die hij niet kon voorzien of voorkomen.

De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of er overmacht is.

In zoverre het middel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling, is het niet ontvankelijk.

6. Het arrest oordeelt dat:

de eisers zowel voor de eerste rechter als voor het hof van beroep werden bijgestaan door dezelfde advocaten;
de eisers voor zover zij hun raadslieden niet voorafgaandelijk aan het aantekenen van het hoger beroep zouden hebben geraadpleegd, ruim de tijd hebben gehad hun advocaten hierover in te lichten en deze voor zoveel als nodig opdracht te geven tijdig een grievenformulier of een verzoekschrift neer te leggen;
het feit dat namens een andere beklaagde, die zich eveneens in hechtenis bevond, wel tijdig een verzoekschrift werd neergelegd, bewijst dat een eventuele dwaling niet onoverkomelijk kan geweest zijn.
Aldus is de beslissing dat de eiser zich onterecht op overmacht beroept en hij gelet op het laattijdig indienen van zijn grievenformulier vervallen is van zijn hoger beroep, regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel
(…)

8. Uit de tekst van de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering, de wetsgeschiedenis, de doelstellingen ervan en het onderling verband tussen deze artikelen volgt dat de termijn van 30 dagen waarbinnen de beklaagde op straffe van verval zijn verzoekschrift of grievenformulier moet indienen, niet alleen geldt voor het ter griffie van het gerecht dat het beroepen vonnis heeft gewezen ingediende verzoekschrift of grievenformulier, maar ook voor het ter griffie van het appelgerecht ingediende verzoekschrift of grievenformulier.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

(…)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 142,51 EUR waarvan de eiser I 71,25 EUR verschuldigd is en de eiser II 71,26 EUR.

P.16.1004.N
Conclusie van advocaat-generaal Mortier:

1. Procedure

Eisers tekenden tijdig en regelmatig cassatieberoep aan tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 19 september 2016.

Elk van beide eisers heeft tijdig en regelmatig een memorie neergelegd waarin twee middelen worden ontwikkeld, die hoewel niet altijd identiek geformuleerd toch dezelfde strekking hebben.

De middelen betreffen de toepassing van het nieuw artikel 204 Sv. ingevolge de wijzigingen aangebracht bij wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie ("Potpourri II").

2. Eerste middel

Artikel 204 Sv. bepaalt dat "op straffe van verval van het hoger beroep het verzoekschrift dat nauwkeurig de grieven bepaalt die tegen het vonnis worden ingebracht binnen de beroepstermijn bepaald in artikel 203, zijnde dertig dagen na de dag van de uitspraak, moet worden ingediend".

2.1. Eisers steunen zich in het eerste middel op het niet dwingend, facultatief karakter voor de rechter om ingeval van overschrijding van deze termijn van dertig dagen het hoger beroep niet vervallen te verklaren.

Hoewel de tekst van artikel 204 Sv. op zich duidelijk is, en zonder enige nuance spreekt van een sanctie van verval ingeval van niet-naleving van dit artikel, blijkt bovendien het volgende uit de parlementaire voorbereidende werken(1),(2).

- Wat de beroepstermijn betreft voorzag het oorspronkelijk wetsontwerp in een termijn van 20 dagen. Immers net omwille van het invoeren van de verplichting om grieven te bepalen werd de vroegere beroepstermijn in strafzaken van 15 dagen verlengd met vijf dagen.

- Er werd ook voorzien in het ter beschikking stellen van een bij koninklijk besluit bepaald formulier aan de eisers in beroep in de griffie, gevangenissen enz... ten einde zij die noch een advocaat, noch een ruime scholing hebben de mogelijkheid te bieden zich bewust te worden van de draagwijdte van de akte van hoger beroep en van de mogelijkheid om die te beperken.

- Er werden diverse amendementen op het wetsontwerp ingediend omdat men de termijn van 20 dagen te kort achtte om zowel van het vonnis kennis te nemen als het grievenschrift zorgvuldig voor te bereiden en nauwkeurig de grieven te bepalen. Er werd specifiek geopteerd voor een termijn van dertig dagen en niet van een maand omdat het de berekening van de beroepstermijn voor het openbaar ministerie en de burgerlijke partij, die aansluit op de beroepstermijn van de veroordeelde, eenvoudiger maakt.

- Er werd op gewezen dat het beginsel van het verplicht opstellen van een grievenformulier met tijdige neerlegging ter griffie al voordien in de wet was opgenomen maar zonder dat de niet-naleving er van werd gekoppeld aan een sanctie van onontvankelijkheid, waardoor het geen effect sorteert.

Uit wat voorafgaat blijkt dat de wetgever zowel het principe van het verplicht indienen van het grievenformulier als de termijn van dertig dagen welbewust dwingend heeft willen maken en de sanctie van verval van het hoger beroep ingeval van niet-naleving hieraan heeft willen koppelen om deze het gewenste effect te laten sorteren.

Het eerste middel dat er van uitgaat dat de rechter in elk concreet geval deze termijn van hoger beroep vrij mag interpreteren en facultatief mag toepassen vindt noch in de wettekst zelf, noch in de voorbereidende werken steun en faalt in die zin naar recht.

2.2. Het eerste middel voert ook een schending van het overmachtsbeginsel aan.

Overmacht die de ontvankelijkheid verantwoordt van een laattijdig ingesteld hoger beroep, kan alleen voortvloeien uit een omstandigheid buiten de wil van de appellant en die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden(3). Gezien de wetgever de aanvankelijke beroepstermijn tot twee maal toe heeft verlengd, en een modelformulier voor het formuleren van grieven heeft ter beschikking gesteld juist om ook de niet geschoolde, of niet door een advocaat bijgestane beklaagde de kans te geven over voldoende tijd te beschikken om aan deze wettelijke verplichting te voldoen, kan het louter niet vertrouwd zijn met de procedure voor een beklaagde die bovendien bijgestaan wordt door een raadsman, bezwaarlijk overmacht uitmaken.

Het is de feitenrechter die in elk concreet geval onaantastbaar in feite oordeelt of de aangevoerde omstandigheden een geval van overmacht uitmaken die de ontvankelijkheid verantwoordt van een laattijdig ingesteld hoger beroep(4). In zoverre het middel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling of Uw Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waartoe het niet bevoegd is, is het middel niet ontvankelijk. Met de redenen die het arrest weergeeft hebben de appelrechters hun beslissing dat geen overmacht kon aangenomen worden naar recht verantwoord. Het middel kan niet aangenomen worden.

3. Tweede middel

In het tweede middel wordt aangevoerd dat de termijn van dertig dagen om hoger beroep in te stellen enkel geldt ingeval het grievenformulier neergelegd wordt ter griffie van de rechtbank die het bestreden vonnis heeft gewezen, maar niet ingeval toepassing wordt gemaakt van het tweede lid van artikel 204 Sv., en het formulier neergelegd wordt ter griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht.

Uit de hiervoor geschetste visie en doelstellingen van de wetgever voor het op straffe van verval invoeren van het grievenformulier en het bepalen van de termijn van dertig dagen, blijkt duidelijk dat deze niet enkel gelden indien ervoor geopteerd wordt het formulier neer te leggen ter griffie van de rechtbank die de bestreden beslissing heeft gewezen maar ook voor de toepassing van het tweede lid van artikel 204 Sv. De verwarring waarvan sprake in het tweede middel bestaat niet. Het middel faalt in zoverre naar recht.

Voor het overige hebben de appelrechters met de redenen die het arrest weergeeft, hun beslissing dat de termijn van dertig dagen ook geldt voor de neerlegging op de griffie van het hof van beroep naar recht verantwoord. Het tweede middel kan in zoverre niet aangenomen worden.

Er zijn geen ambtshalve middelen aan te voeren.
Conclusie: Verwerping.
______________________
(1) Kamer van Volksvertegenwoordigers, Doc 54, 1418/001, p. 83. Doc. 54-1418/003, p. 41 en 1418/004, p. 9.
(2) Kamer van Volksvertegenwoordigers, Doc.54-1418/001, p. 85.
(3) Cass. 12 februari 2013, P.12.0685N, AC 2012, nr. 98.
(4) Cass. 12 februari 2013, P.12.0685N, AC 2012, nr. 98.
 

Noot: 

• De Pauw, W., « Laattijdige neerlegging grievenschrift en overmacht », R.A.B.G., 2017/13, p. 1049-1051

• S. Van Overbeke, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie - deel 2”, RW 2015-16, 1446.

• Voor een overzicht: A. Vandeplas, “Over verzet in strafzaken”, RW 1972-73, 1807.

Rechtspraak

• Cass. 12 januari 2012, C.10.0683.N; Cass. 13 januari 2004, P.03.0860.N.
• Cass. 11 april 1990, Arr.Cass. 1989-90, nr. 481.
• Cass. 12 februari 2013, P.12.0685.N.
• Cass. 9 november 2011, P.11.1027.F.
• EHRM, Czekalla / Portugal, 2002.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 19/12/2017 - 11:21
Laatst aangepast op: di, 19/12/2017 - 11:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.