-A +A

Hoger Beroep vermelding grievenformulier alle kruisjes aanduiden mag ook

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 02/03/2010

UIt het formalisme van artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering (grievenformulier hoger beroep) juncto (samengelezen met) het koninklijk besluit van 18 februari 2016 volgt dat:

- de wetgever door het invoeren van de verplichting om de tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis geformuleerde grieven nauwkeurig te bepalen een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep beoogt en in het bijzonder nutteloze werklast en kosten wil vermijden door niet langer niet-betwiste beslissingen aan de appelrechter voor te leggen;

- door de verplichting de grieven nauwkeurig te bepalen de appellant wordt ge-dwongen na te denken over de wenselijkheid en de gevolgen van het instellen van het hoger beroep en de geïntimeerde dadelijk kan uitmaken welke beslis-singen van het eerste vonnis worden betwist en waarover hij in hoger beroep verweer zal moeten voeren;

- aan alle partijen die een hoofdberoep of volgberoep aantekenen op straffe van vervallenverklaring van dat hoger beroep de verplichting wordt opgelegd te preciseren welke punten van het in eerste aanleg gewezen vonnis zouden moe-ten worden gewijzigd, zonder dat zij evenwel daartoe de argumenten voor de beoogde wijzigingen dienen op te geven;

- het modelgrievenformulier vooral bedoeld is voor hen die geen advocaat heb-ben noch een ruime scholing om zich bewust te zijn van de draagwijdte van de akte van hoger beroep en van de mogelijkheid om die te beperken en om hen in staat te stellen te preciseren op welke punten de in eerste aanleg gewezen be-slissing moet worden gewijzigd;

- bij een gebruik van het grievenformulier het niet de bedoeling kan zijn dat sys-tematisch alle grieven worden aangevinkt, aangezien daardoor de beoogde doelstelling niet kan worden bereikt.

Dit formalisme is in overeenstemming is met artikel 6 EVRM.

Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specfieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. Niet is vereist dat de appelant in zijn verzoekschrift of zijn grievenformulier reeds opgave doet van de redenen waarom hij die hervorming vraagt.

De appelrechter oordeelt onaantastbaar of de appellant in het verzoekschrift of in het grievenformulier zijn grieven tegen het beroepen vonnis voldoende nauwkeurig heeft opgegeven, zoals vereist door artikel 204 Wetboek van Strafvordering. Bij die beoordeling kan de appelrechter onder meer in aanmerking nemen dat een appellant die gebruik maakt van het grieven-formulier ook grieven heeft aangevinkt die geen enkele relevantie hebben voor de beroepen beslissing, maar uit de enkele omstandigheid dat een appellant aanduidt dat zijn grieven betrekking hebben op alle telastleggingen waarvoor hij werd veroordeeld of dat de motieven die hij opgeeft voor zijn grieven weinig of nietszeggend zijn, kan even-wel niet worden afgeleid dat de grieven niet nauwkeurig zijn.

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift voor Strafrecht
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/2
Pagina: 
137
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.16.1177.N
M G,
beklaagde,
eiser,
tegen
WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMSE GEWEST, met kantoor te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 19 bus 22,
eiser tot herstel,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 2 november 2016.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.5 IVBPR en artikel 204 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest verklaart ten onrechte het hoger beroep van de eiser vervallen wegens de afwezigheid van nauwkeurig bepaalde grieven; uit de wetsgeschiedenis van artikel 204 Wetboek van Strafvordering blijkt dat het in beginsel en in de meeste gevallen volstaat dat op het grievenformulier de grieven worden aangekruist, wat de eiser heeft gedaan; voor de rubrieken schuldigverklaring, kwalificatie en vrijspraak heeft de eiser aangeduid dat die op alle telastleggingen slaan; uit het gegeven dat zo goed als alle rubrieken van het grievenformulier waren aangekruist, zeer algemene of niets zeggende bemerkingen werden gemaakt bij een aantal van de aangevinkte rubrieken en dat bepaalde rubrieken niet van toepassing waren, kan het arrest niet afleiden dat de eiser zijn grieven niet nauwkeurig heeft aangeduid en kan het hem niet van zijn hoger beroep vervallen verklaren; een dergelijk strikt formalisme is bovendien strijdig met het recht op een eerlijk proces.

2. Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lid-staten niet om het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voor-waarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verhouding bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Die voorwaarden mogen niet ertoe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast. Bij de toepassing van die voorwaarden mag de rechter niet overdreven formalistisch zijn zodat de billijkheid van de procedure wordt aangetast of overdreven soepel zodat de opgelegde voorwaarden in-houdsloos worden.

3. Artikel 204 Wetboek van Strafvordering, zoals vervangen door artikel 89 van de wet van 5 februari 2016 houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, bepaalt:

"Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven, en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de eiser in hoger beroep of zijn advocaat, of door een ander bijzonder gevolmachtigde. In dit laatste geval wordt de volmacht bij het verzoekschrift gevoegd.

Dit verzoekschrift kan ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht.

Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt.

Deze bepaling geldt ook voor het openbaar ministerie."

4. Het door artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde grie-venformulier werd vastgesteld met het koninklijk besluit van 18 februari 2016 tot uitvoering van artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering.

5. Uit deze bepalingen en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat:

- de wetgever door het invoeren van de verplichting om de tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis geformuleerde grieven nauwkeurig te bepalen een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep beoogt en in het bijzonder nutteloze werklast en kosten wil vermijden door niet langer niet-betwiste beslissingen aan de appelrechter voor te leggen;

- door de verplichting de grieven nauwkeurig te bepalen de appellant wordt ge-dwongen na te denken over de wenselijkheid en de gevolgen van het instellen van het hoger beroep en de geïntimeerde dadelijk kan uitmaken welke beslis-singen van het eerste vonnis worden betwist en waarover hij in hoger beroep verweer zal moeten voeren;

- aan alle partijen die een hoofdberoep of volgberoep aantekenen op straffe van vervallenverklaring van dat hoger beroep de verplichting wordt opgelegd te preciseren welke punten van het in eerste aanleg gewezen vonnis zouden moe-ten worden gewijzigd, zonder dat zij evenwel daartoe de argumenten voor de beoogde wijzigingen dienen op te geven;

- het modelgrievenformulier vooral bedoeld is voor hen die geen advocaat heb-ben noch een ruime scholing om zich bewust te zijn van de draagwijdte van de akte van hoger beroep en van de mogelijkheid om die te beperken en om hen in staat te stellen te preciseren op welke punten de in eerste aanleg gewezen be-slissing moet worden gewijzigd;

- bij een gebruik van het grievenformulier het niet de bedoeling kan zijn dat sys-tematisch alle grieven worden aangevinkt, aangezien daardoor de beoogde doelstelling niet kan worden bereikt.

6. Uit het voorgaande volgt dat de door artikel 204 Wetboek van Strafvorde-ring aan een appellant opgelegde verplichting om op straffe van vervallenverkla-ring van het hoger beroep nauwkeurig de grieven op te geven tegen de beroepen beslissing, in overeenstemming is met artikel 6 EVRM.

7. Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de speci-fieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroe-pen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. Niet is vereist dat de appelant in zijn verzoekschrift of zijn grievenformulier reeds opgave doet van de redenen waarom hij die hervorming vraagt.

8. Het staat aan de appelrechter om onaantastbaar in feite te oordelen of de ap-pellant in het verzoekschrift of in het grievenformulier zijn grieven tegen het be-roepen vonnis voldoende nauwkeurig heeft opgegeven, zoals vereist door artikel 204 Wetboek van Strafvordering. Bij die beoordeling kan de appelrechter onder meer in aanmerking nemen dat een appellant die gebruik maakt van het grieven-formulier ook grieven heeft aangevinkt die geen enkele relevantie hebben voor de beroepen beslissing.

9. Uit de enkele omstandigheid dat een appellant aanduidt dat zijn grieven be-trekking hebben op alle telastleggingen waarvoor hij werd veroordeeld of dat de motieven die hij opgeeft voor zijn grieven weinig of nietszeggend zijn, kan even-wel niet worden afgeleid dat de grieven niet nauwkeurig zijn.

10. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden ver-antwoord.

11. Het arrest stelt vast dat:

- de eiser zo goed als alle rubrieken aanvinkte (behalve de rubrieken 1.5 "inter-nering" en 1.6 "niet toepassen van gevraagde gewoon uitstel - probatie-uitstel - gewone opschorting - probatie-opschorting");

- de eiser voor het overige slechts zeer algemene ("alle tenlasteleggingen") of weinig tot nietszeggende ("niet akkoord met uitgesproken maatregel", "voor-behouden") bemerkingen heeft gemaakt bij een beperkt aantal van de aange-vinkte rubrieken;

- de eiser zowel de rubrieken 1.1 ("schuldigverklaring"), 1.2 ("kwalificatie van het misdrijf") als 1.11 ("vrijspraak") aanvinkte met de vermelding "alle ten-lasteleggingen", terwijl er in het beroepen vonnis helemaal geen sprake is ge-weest van een herkwalificatie van bepaalde feiten en er evenmin sprake is van een vrijspraak voor bepaalde feiten;

- de eiser de volledige hoofdrubriek 2 heeft aangevinkt, terwijl hij in het beroepen vonnis op burgerrechtelijk gebied zelfs niet werd veroordeeld.

12. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de eiser de rubrieken 1.1 ("schuldigverklaring") en 1.2 ("kwalificatie van het misdrijven") heeft aangevinkt met de vermelding "alle tenlasteleggingen", waarbij het grievenformulier voor de beide rubrieken voorschrijft dat de telastleggingen moeten worden gepreciseerd;

- de eiser aan alle telastleggingen werd schuldig verklaard;

- de eiser de rubrieken 1.2 ("kwalificatie van het misdrijf") en 1.11 ("vrijspraak") heeft aangevinkt met telkens de vermelding "alle tenlasteleggingen", waarmee hij kennelijk aangaf dat hij voor alle telastleggingen zijn schuldigverklaring betwistte en de vrijspraak wenste;

- de eiser weliswaar alle rubrieken onder de hoofdrubriek "2. burgerlijk gebied" heeft aangevinkt, maar dit met vermelding van "vrijwillig tussenkomende par-tij", waarbij hij kennelijk aangaf zich gegriefd te voelen door de beslissing op de vordering tot herstel van de verweerder, waartoe hij was veroordeeld.

Op grond van die vaststellingen kan het arrest niet wettig oordelen dat de eiser niet heeft voldaan aan de door artikel 204 Wetboek van Strafvordering opgelegde verplichting zijn grieven voldoende nauwkeurig op te geven en kan het op die grond de eiser niet vervallen verklaren van zijn hoger beroep.

Het middel is gegrond.

Overige middelen

13. De middelen die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.

Omvang van de cassatie

14. De vernietiging van de vervallenverklaring van het hoger beroep van de eiser leidt tot de vernietiging van de overige beslissingen van het arrest gelet op het nauw verband tussen die beslissingen, met uitzondering van de beslissing waarbij het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk wordt verklaard.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest behoudens waar het het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk verklaart.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de verwijzingsrechter.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 28 februari 2017 uitgesproken

P.16.1177.N
Conclusie van advocaat-generaal Luc Decreus:

PROCEDURELE ANTECEDENTEN

Eiser werd bij vonnis van de rechtbank van eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 21 maart 2016 veroordeeld wegens huisjesmelkerij (telastlegging A: inbreuk op artikel 433decies Strafwetboek en telastlegging B: schending van artikel 5, strafbaar gesteld door artikel 20, §1, al 1 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode) tot een hoofdgevangenisstraf van zes maanden en een geldboete van vier maal euro 500 (viermaal euro 3.000 na opdeciemen), beiden uitgesteld voor een periode van drie jaar.

Daarnaast werd eiser veroordeeld tot betaling van een bijdrage voor de financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders ten bedrage van euro 25 EUR ( euro 150 na opdeciemen), de kosten van het geding ten belope van euro 144,31 en een vergoeding van euro 51,20.

Ook werden de vermogensvoordelen ten belope van euro 5.000 verbeurdverklaard, zijnde de vermogensvoordelen die eiser rechtsreeks uit het misdrijf zou hebben verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit belegde voordelen.

Tot slot beval het vonnis dat aan het kwestieus pand, aangezien het niet in aanmerking komt voor renovatie-, verbeterings- of aanpassingswerken, een andere bestemming dient gegeven te worden volgens de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke ordening, hetzij dat het pand moet worden gesloopt, tenzij de sloop verboden is, en dit binnen een termijn van 10 maanden te rekenen vanaf het in kracht van gewijsde treden van het vonnis en onder verbeurte van een dwangsom van euro 150,00 per dag vertraging in het niet nakomen deze verplichting. De wooninspecteur van het Vlaams Gewest werd gemachtigd om, indien het vonnis niet werd ten uitvoer gelegd, van ambtswege in de uitvoering ervan te kunnen voorzien, waarbij eiser gehouden is alle uitvoeringskosten te dragen.

Op 19 april 2016 stelde eiser hoger beroep in tegen alle beschikkingen van dit vonnis en op dezelfde datum werd namens eiser tevens een standaardgrievenformulier ingevuld en neergelegd ter griffie van de correctionele rechtbank te Antwerpen, overeenkomstig artikel 204, derde lid Wetboek van Strafvordering.

Op het model van het grievenformulier, opgesteld conform het koninklijk besluit van 18 februari 2016 tot uitvoering van artikel 204, derde lid Wetboek van Strafvordering, werden als volgt de voorziene "grieven tegen de beschikkingen" aangekruist (zie infra) en preciseringen (infra cursief vermeld) aangebracht:

- op strafgebied:

x 1.1 schuldigverklaring (in voorkomend geval tenlasteleggingen preciseren) alle tenlasteleggingen

x 1.2 kwalificatie van het misdrijf (in voorkomend geval tenlasteleggingen preciseren) alle tenlasteleggingen

x 1.3 voorschriften betreffende de rechtspleging

x 1.4 strafmaat

1.5 internering

1.6 niet toepassen van het gevraagde gewoon uitstel - probatieuitstel - gewone opschorting - probatie-opschorting

x 1.7 verbeurdverklaring niet akkoord met uitgesproken maatregel

x 1.8 andere maatregelen: herstelmaatregel - dwangsom

x 1.9 verjaring

x 1.10 schending EVRM

x 1.11 vrijspraak (in voorkomend geval tenlasteleggingen preciseren) alle tenlasteleggingen

x 1.12 andere: voorbehouden

- op burgerlijk gebied /vrijwillig tussenkomende partij

x 2.1 ontvankelijkheid

x 2.2 causaal verband

x 2.3 schadebegroting (cijfers)

x 2.4 interesten

x 2.5 andere voorbehouden

Op 20 april 2016 stelde het openbaar ministerie eveneens hoger beroep in tegen alle beschikkingen op strafgebied.

Bij arrest van 2 november 2016 verklaarde het hof van beroep te Antwerpen het hoger beroep van eiser tot cassatie vervallen, het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk en bevestigde het hof het bestreden vonnis, binnen de perken van het hoger beroep.

Tegen dit arrest tekende eiser cassatieberoep aan op 16 november 2016.

ONDERZOEK VAN HET CASSATIEBEROEP

1. In het eerste middel van zijn memorie tot staving van 16 januari 2017 voert eiser aan dat het bestreden arrest artikel 204 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 6, §1 EVRM en 14.5 BUPO, alsook de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht op verdediging schendt.

Het arrest verklaart volgens eiser ten onrechte zijn hoger beroep vervallen op grond van het besluit "dat de beklaagde met zijn grievenformulier, in zijn geheel beschouwd, allerminst nauwkeurig de grieven heeft bepaald die tegen het vonnis worden ingebracht" terwijl het aankruisen van de in het standaardgrievenformulier vermelde grieven volstaat en een strikt formalisme voor de invulling van het formulier vanwege de appelrechters een inbreuk uitmaakt op het recht op een eerlijk proces van eiser.

De appelrechters motiveren hun besluit stellende dat:

- het verzoekschrift "nauwkeurig" de grieven moet bepalen, wat niet getuigt van formalisme maar net tegemoetkomt aan de ratio legis van het nieuwe grievenstelsel en dat, omgekeerd, een meer soepele houding elke zin aan het grievenstelsel zou ontnemen aangezien het voor een beklaagde op die manier zou volstaan om de meeste, zo niet alle rubrieken van het bij koninklijk besluit vastgelegde grievenformulier aan te vinken, al dan niet aangevuld met wat algemene bemerkingen;

- dat voor bepaalde rubrieken zoals de schuldigverklaring, de kwalificatie van het misdrijf en de vrijspraak minstens de telastleggingen zouden moeten worden gepreciseerd waarop het hoger beroep betrekking heeft;

- in ieder geval, wanneer een beklaagde er voor kiest om gebruik te maken van het bij koninklijk besluit vastgestelde formulier, dit grievenformulier in zijn geheel moet worden bekeken om na te gaan of er in concreto wel degelijk sprake is van nauwkeurige grieven zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering;

- het hof vaststelt dat de beklaagde zo goed als alle rubrieken aanvinkte, hij voor het overige slechts zeer algemene of weinig tot nietszeggende bemerkingen heeft gemaakt bij een beperkt aantal van de aangevinkte rubrieken, hij zowel de rubrieken schuldigverklaring, kwalificatie van het misdrijf en vrijspraak aanvinkte terwijl in het bestreden vonnis geen sprake is van herkwalificatie van bepaalde feiten noch van vrijspraak voor bepaalde feiten;

- samengelezen, deze vaststellingen het hof tot het besluit brengen dat de beklaagde met dit verzoekschrift, in zijn geheel beschouwd, allerminst nauwkeurig de grieven heeft bepaald die tegen het beroepen vonnis worden ingebracht.

2. Artikel 204 Wetboek van Strafvordering, zoals vervangen door artikel 89 van de wet van 5 februari 2016 houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, bepaalt: "Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht (...) Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt".

Het door artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde grievenformulier werd vastgesteld met het koninklijk besluit van 18 februari 2016 tot uitvoering daarvan.

Een verklaring van hoger beroep ter griffie (artikel 203 Wetboek van Strafvordering) alleen opent het proces in tweede aanleg niet; de appellant moet ook een verzoekschrift opstellen wat impliceert dat voor het aantekenen van hoger beroep twee akten vereist zijn, namelijk zowel een verklaring ter griffie als een verzoekschrift waarin de grieven worden vermeld. Dit verzoekschrift kan eventueel de vorm aannemen van een "grievenformulier" zoals bij voormeld koninklijk besluit bepaald, dat de griffier aan de partijen ter beschikking stelt wat inhoudt dat partijen niet verplicht zijn om gebruik te maken van het voorgestelde model maar appellant blijft hoe dan ook verantwoordelijk voor de wijze waarop het formulier wordt ingevuld(1).

Het gebruik van dit formulier is dus facultatief: het model kan maar moet niet worden gebruikt en (de advocaat van) de appellant kan er altijd voor kiezen om zelf een verzoekschrift te redigeren en in te dienen ter griffie. Het standaardformulier laat de verplichting om de grieven te formuleren intact, "al is de vrees zeker niet denkbeeldig dat door het standaardiseren van het grievenschrift dit laatste tot een routineuze formaliteit zal verwateren, wat zeker niet de bedoeling van de wetgever was"(2).

3. De minister van Justitie legde uit "dat een bij koninklijk besluit bepaald formulier ter beschikking zal worden gesteld van de eisers in beroep in de griffies, gevangenissen, enz. teneinde zij die noch een advocaat noch een ruime scholing hebben de mogelijkheid te bieden zich bewust te worden van de draagwijdte van de akte van hoger beroep en van de mogelijkheid om die te beperken. Het is duidelijk dat het hier over een belangrijk document gaat. Er dient gepreciseerd te worden op welke punten en om welke redenen de in eerste aanleg gewezen beslissing moet gewijzigd worden, en niet de middelen. Wanneer men het op strafgebied niet eens is met de schuldverklaring kan gespecificeerd worden waarom men het niet eens is maar men kan ook gewoon het vakje aanvinken.
Hetzelfde voor de strafmaat, de internering, de verbeurdverklaring, ... ofwel verduidelijkt men het waarom in het grievenformulier ofwel kruist men gewoon aan. De bedoeling is dat op die manier ook het openbaar ministerie geïnformeerd wordt over de vraag op welke punten het zelf beroep zou moeten aantekenen"(3).

De minister van Justitie verduidelijkte ook "dat het niet de bedoeling kan zijn dat systematisch alle grieven op het modelformulier worden aangevinkt. Dat zou geen zoden aan de dijk zetten(4)".

In de rechtsleer werd erop gewezen dat de inhoud van het bij KB bepaalde grievenformulier ontgoochelt omdat het naar opmaak een haast letterlijke nabootsing betreft van het niet-bindende grievenformulier dat sedert 1 maart 2002 bij het hof van beroep te Antwerpen werd gebruikt maar waarvan erkend werd dat dit een matig succes kende. De omstandigheid dat het gebruik van het bij KB vastgelegde modelformulier louter facultatief is en in hoofdzaak eigenlijk enkel bedoeld is voor appellanten zonder raadsman, zal wellicht niet leiden tot het beoogde doel(5).

4. De in het verzoekschrift of standaardformulier door de appellant(en) vermelde grieven zijn bindend(6) voor de appelrechter, zoals volgt uit de lezing van artikel 210, eerste lid Wetboek van Strafvordering dat o.m. stelt dat, behoudens de grieven zoals bepaald in artikel 204 Wetboek van Strafvordering, de beroepsrechter nog slechts de grieven van openbare orde ambtshalve kan opwerpen die betrekking hebben op de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen dan wel op zijn bevoegdheid, de verjaring van de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt en het gegeven dat de feiten die bij hem wat betreft de schuldvraag aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn of de noodzaak om deze feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar deze feiten aantasten waarbij de partijen worden verzocht om zich uit te spreken over de ambtshalve opgeworpen middelen.

Het verplichte grievenstelsel betekent dus dat het hoger beroep in strafzaken zich in beginsel uitsluitend concentreert op de specifieke grieven tegen de bestreden beslissing die de appellant in een verzoekschrift heeft vermeld. Met het grievenstelsel beoogt de wetgever het rechtsmiddel van het hoger beroep te valoriseren en de rechtspleging in hoger beroep te rationaliseren(7).

Uw Hof omschreef recent het begrip "grief" als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering als de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt, zonder dat vereist is dat de appellant in zijn verzoekschrift of zijn grievenformulier reeds opgave doet van de redenen waarom hij die hervorming vraagt(8); uit de voorbereidende werken van de wet van 15 februari 2016 voormeld volgt dat het principe van hoger beroep door middel van grieven niet tot doel heeft om de appellant te verplichten om zijn middelen die hij wenst te ontwikkelen voor de appelrechters te preciseren maar om hun saisine te bepalen(9).

Dit impliceert dat wordt gepreciseerd op welke punten en om welke redenen de in eerste aanleg gewezen beslissing moet worden gewijzigd, en niet de middelen(10). Het begrip "grieven" mag niet worden verward met de "middelen", zijnde de inhoudelijke verweermiddelen en argumenten die appellant wil aanvoeren tot staving van zijn grieven tegen de bestreden beslissing en die hij in voorkomend geval in een conclusie kan formuleren. De appellant kan zich aldus beperken met nauwkeurig aan te duiden wat hij precies wenst aan te vechten, zonder daarbij in het grievenschrift reeds te moeten specificeren waarom hij het niet eens is met de bestreden beslissing over het desbetreffende punt(11). Voortaan gaat het dus niet meer zomaar om een herbeoordeling van de zaak maar wel om een beoordeling van de grieven tegen de bestreden beslissing. Het voorwerp van het hoger beroep zal zich dus beperken tot een beoordeling van de opgesomde grieven(12).

5. De bedoelde wettelijk bepaalde ambtshalve middelen die de appelrechter kan opwerpen zijn evenwel niet de enige uitzondering op de principiële beperking van het hoger beroep tot grieven; een tweede uitzondering op het gehele stelsel is niet wettelijk voorzien maar volgt volgens de rechtsleer inherent uit de devolutieve werking van het hoger beroep(13).

De formaliteit van het verzoekschrift met grieven op straffe van verval van het hoger beroep heeft verstrekkende gevolgen voor de devolutieve werking van het hoger beroep: door een beperkte omschrijving van de grieven wordt het mogelijk dat de devolutieve werking wordt beperkt tot voorheen onsplitsbaar geachte bestanddelen van de bestreden beslissing, zoals de bestraffing, of nog de bewezen verklaring van één telastlegging, en de daarop geënte burgerlijke vordering, van een door de eerste rechter bewezen verklaarde reeks telastleggingen waarvoor één enkele straf werd opgelegd waarin de beklaagde-appellant als zodanig berust(14).

De limitatieve opgave van de grieven in het verzoekschrift met betrekking tot een in algemene bewoordingen aangetekend hoger beroep betekent dus niet meer en niet minder dan een partiële berusting en de bestreden beslissing voor wat betreft de punten die niet als grief in het verzoekschrift werden vermeld ook al werd er in het verleden van uitgegaan dat met betrekking tot bepaalde van die punten (bv. de straftoemeting) geen partieel hoger beroep kon worden ingesteld. Het grievenschrift maakt thans met andere woorden een beperking van de devolutieve werking van het hoger beroep mogelijk op een wijze die voorheen niet mogelijk was(15).

Wanneer de appelrechter één of meerdere grieven van een appellant gegrond verklaart of zelf een ambtshalve grief aanvoert, dient hij daarvan de gevolgen na te gaan voor de gehele uitspraak in eerste aanleg inclusief de punten van de uitspraak in eerste aanleg waarover de appellant geen afzonderlijke grief heeft geformuleerd.

Een andersluidende conclusie is om twee redenen problematisch: primo is er de vereiste dat de rechtsmiddelen waarin het nationale recht voorziet voldoende effectief moeten zijn want de appelrechter zou immers niet langer alle gevolgen van een naar zijn oordeel terechte grief voor een bepaald onderdeel van de strafprocedure kunnen nagaan, louter omwille van de formalistische reden dat appellant dat item niet heeft aangeduid in zijn grieven(16).
Secundo is dit zeker het geval voor zover de opgeworpen grief slaat op een schending van het EVRM. De effectiviteit van het grievenstelsel dreigt volledig te worden ondergraven waaraan slechts kan worden verholpen wanneer de appellant preventief alle grieven in het standaardformulier aanvinkt om zich ervan te verzekeren dat de appelrechter tegemoet zou komen aan zijn werkelijke grief wat inderdaad voor gevolg heeft dat de strafzaak volledig wordt hernomen(17).

In dat verband wordt door rechtsleer(18) terecht in herinnering gebracht dat de Raad van State in zijn advies benadrukte dat artikel 6 EVRM zich verzet tegen een al te strenge interpretatie van de verplichting om grieven te formuleren(19) en dat het EHRM in het algemeen eerder negatief staat tegenover de afwijzing van procedurele verzoeken om louter formalistische redenen(20).

6. Ondanks de ratio legis van het grievenstelsel om ondoordacht hoger beroep te vermijden en meer partiële afgebakende beroepen te stimuleren mag niet worden vergeten dat het instellen van een onbeperkt hoger beroep steeds mogelijk moet blijven.

Elke appellant beschikt immers over een bij artikel 206 Wetboek van Strafvordering wettelijk voorzien correctief om zijn deels of geheel hoger beroep bij te sturen in die zin dat hij tot aan de sluiting der debatten afstand kan doen van het ingestelde hoger beroep of het ingestelde hoger beroep kan beperken. Het feit dat hij aldus afstand kan doen van bepaalde overtollige, onnauwkeurige of foutieve grieven heeft als pendant dat wanneer de grieven in zijn verzoekschrift of grievenformulier om één of andere redenen onnauwkeurig zouden zijn, dit volgens de wetgever zelf niet onoverkomelijk is én dat die geschriften dus niet rigoureus nauwkeurig hoeven te zijn.

De partijen kunnen dus afstand doen van hun hoger beroep of dit beperken wat betekent dat ook de afstand gedeeltelijk kan zijn in die zin dat niets belet dat er afstand zou kunnen worden gedaan van slechts één of meer bepaalde grieven die in het verzoekschrift of grievenformulier werden vermeld of aangevinkt(21).

Op die manier lijkt een discussie en beoordeling van de precieze saisine van de appelrechter door het verzoekschrift of grievenformulier zijn nut te verliezen temeer grieven geen middelen zijn, een grief bv. kan zijn dat de telastlegging wordt betwist, wat zeer ruim is en niet uitsluit dat in deze betwisting alle mogelijke middelen nog worden aangevoerd, zelfs als deze niet werden vermeld door de appellant in het bedoelde geschrift. Ook de strafmaat kan worden aangevochten zodat alle beschikkingen van het vonnis kunnen worden geviseerd.

Voorts zal de "voorzichtige partij of advocaat die hoger beroep instelt nog steeds voor de zekerheid dit hoger beroep zo ruim mogelijk instellen, ook gezien de ruime mogelijkheid afstand van beroep te doen"(22). Er mag in dat verband niet uit het oog worden verloren dat een advocaat elk risico op beroepsaansprakelijkheid zou wensen te beperken, eventueel anticiperend op een mogelijke opvolging van advocaten, door de grieven in zijn verzoekschrift of formulier zo ruim mogelijk aan te duiden of te formuleren.

7. Uit het voorgaande zou in deze het volgende kunnen worden besloten:

- Het feit dat het standaardformulier strikt bindend zou zijn voor de saisine van de appelrechter lijkt niet direct te sporen met het feit dat uit de voorbereidende werken evenzeer blijkt dat het in de in griffies en gevangenissen aan juridisch ongeschoolde appellanten, of aan appellanten zonder raadsman, voorgelegde formulier niet uitsluitend die (saisine-) draagwijdte heeft maar voor hen ook de functie heeft om hen bewust te maken van de uitwerking van het document en de mogelijke inperkingen.

Dat het formulier voor een niet juridisch beslagen appellant zonder advocaat zijn beoogde sensibiliserende doel eventueel mist, resulteert dan bijna automatisch in een ondoordachte invulling van het formulier terwijl precies het aspect dat de eigenlijke doelgroep van het voorziene standaardformulier niet-juristen zijn, uitnodigt om de nodige soepelheid daaromtrent aan de dag te leggen.

Daarbij dient gezegd dat het amper één bladzijde tellende formulier waarbij grieven kunnen worden aangekruist niet direct aanzet, al was het maar door gebrek aan ruimte, om desgevallend verdere nuances aan te brengen, zeker wanneer het zou gaan om een complex dossier met vele beklaagden en telastleggingen. Het is niet overdreven om te stellen dat in dat laatste geval, waarin de noodzaak zich veel meer laat voelen om de grieven af te bakenen, het standaardformulier juist minder dergelijke verwachtingen kan inlossen.

- Hierbij is het ook de vraag waarom het standaardformulier als rechtsingang voor het hoger beroep strikt dient te worden beoordeeld nu de appellant steeds de voor de appelrechter onvoorspelbare mogelijkheid heeft om afstand te doen van één of meerdere grieven die hij heeft aangeduid om de inhoud van het document te verfijnen.

- Ook stelt zich het probleem dat de appellant wetens en willens grieven zou hebben aangeduid, die in zijn ogen absoluut dienen te worden behandeld door de appelrechter, maar die eigenlijk onnodig zijn. Worden daardoor de andere terecht aangevinkte grieven automatisch onnauwkeurig en moet dit leiden tot het verval van het hoger beroep in zijn geheel?

- Dienen de incorrecte juridische inschattingen van appellant die zijn middelen niet moet vermelden, maar die zijn recht op verdediging ten volle wil vrijwaren en desgewenst rekent op een ongelimiteerde devolutieve werking van zijn appel, te worden gesanctioneerd met het verval van zijn hoger beroep na het besluit van de appelrechter dat zijn grieven(formulier) onvoldoende nauwkeurig zijn (is)?

Het zou niet de bedoeling mogen zijn om de juistheid van de juridische intenties van appellant te beoordelen en dat bijgevolg zelfs een aankruising van alle of overbodige grieven, o.m. gelet op het correctief van de afstand, als gevolg zou hebben dat zijn beroep vervalt. Ook valt nergens te lezen dat dergelijke aanstipping verboden zou zijn, er wordt enkel gealludeerd op de onwenselijkheid ervan.

- Omgekeerd is het onduidelijk hoeveel onnauwkeurige grieven het standaardformulier in zijn geheel strijdig met artikel 204 Wetboek van Strafvordering zouden kunnen maken en óf er niet mag worden van uitgegaan dat het bij KB voorziene standaardformulier mag worden beschouwd als maatstaf en norm voor de vereiste om grieven nauwkeurig te formuleren.

De toepassing van artikel 204 Wetboek van Strafvordering vergt enkel een nauwkeurige bepaling van de grieven waaraan niet de expliciete voorwaarde mag worden gekoppeld dat het uitsluitend moet gaan om de "juiste" grieven zoals beoordeeld door de appelrechter.

- Uit de lezing van de motivatie van het bestreden arrest (supra punt 1) volgt dat de appelrechters in hoofdzaak niet exclusief de (on)nauwkeurigheid van elke aangekruiste grief evalueren maar uit de "samenlezing" van hun gecumuleerde vaststellingen tot het besluit komen dat het verzoekschrift, "door het in zijn geheel te beschouwen" (en dus niet de grieven individueel), met al zijn grieven onnauwkeurig is waardoor het te beoordelen geheel groter dreigt te worden dan de gewone som der delen (elke grief op zich).

Op grond hiervan kan het bestreden arrest mijns inziens niet oordelen zoals weergegeven onder punt 1 supra en kon het eiser niet vervallen verklaren van zijn hoger beroep. Het middel lijkt gegrond. De overige middelen die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.

Conclusie: vernietiging van het bestreden arrest met uitzondering van de ontvankelijk-verklaring van het hoger beroep van het openbaar ministerie.
____________________
(1) Omz. COL 05/2016 van 17 februari 2016 betreffende het hoger beroep in strafzaken.
(2) VAN OVERBEKE, S., "Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie ("Potpourri II") (tweede deel)", RW 2015-16, (1442) 1447.
(3) Wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl. St. 2015-16, 1418/005, 119.
(4) Wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl. St. 2015-16, 1418/005, 59.
(5) VANDOOREN, E. en ROZIE, M., "Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje", NC 2016, (115) 124.
(6) VAN OVERBEKE, S., "Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie ("Potpourri II") (tweede deel)", RW 2015-16, (1442) 1451.
(7) Ibid., 1445.
(8) Cass. 18 oktober 2016, AR P.16.0818.N, AC 2016, nr. ... met concl. van advocaat-generaal WINANTS.
(9) Cass. 1 februari 2017, AR P.16.1100.F, AC 2017, nr ... .
(10) Wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl. St. 2015-16, 1418/001, 84.
(11) VAN OVERBEKE, S., "Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie ("Potpourri II") (tweede deel)", RW 2015-16, (1442) 1449-1450.
(12) R. VERSTRAETEN, A. BAILLEUX, J. HUYSMANS en S. DE HERT, "Stevige verbouwingen in het strafprocesrecht: de procedure met voorafgaande erkenning van schuld, de invoering van conclusietermijnen in strafzaken en een vernieuwd stelsel van rechtsmiddelen" in F. VERBRUGGEN (ed.), Straf- en strafprocesrecht, Themis Vormingsonderdeel 97, Brugge, die Keure, 2016, (123) 169.
(13) Ibid., 167.
(14) VAN OVERBEKE, S., "Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie ("Potpourri II") (tweede deel)", RW 2015-16, (1442) 1449.
(15) Ibid., 1451.
(16) R. VERSTRAETEN, A. BAILLEUX, J. HUYSMANS en S. DE HERT, "Stevige verbouwingen in het strafprocesrecht: de procedure met voorafgaande erkenning van schuld, de invoering van conclusietermijnen in strafzaken en een vernieuwd stelsel van rechtsmiddelen" in F. VERBRUGGEN (ed.), Straf- en strafprocesrecht, Themis Vormingsonderdeel 97, Brugge, die Keure, 2016, (123), 169.
(17) Ibid., 169.
(18) Ibid., 169.
(19) Wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl. St. 2015-16, 1418/001, 297.
(20) EHRM 20 april 2004, nr. 57567/00, Bulena/Tsjechië, § 30: ‘Pour la Cour, il résulte de ces principes que, si le droit d'exercer un recours est bien entendu soumis à des conditions légales, les tribunaux doivent, en appliquant des règles de procédure, éviter à la fois un excès de formalisme qui porterait atteinte à l'équité de la procédure et une souplesse excessive qui aboutirait à supprimer les conditions de procédure établies par les lois'; EHRM 26 juli 2007, nr. 35787/03, Walchili/Frankrijk, § 29 : ‘Il résulte de ces principes que si le droit d'excercer un recours est bien entendu soumis à des conditions légales, les tribunaux doivent, en appliquant des règles de procédure, éviter à la fois un excès de formalisme qui porterait atteinte à l'équité de la procédure, et une souplesse excessive qui aboutirait à supprimer les conditions de procédure établies par les lois'.
(21) VAN OVERBEKE, S., "Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie ("Potpourri II") (tweede deel)", RW 2015-16, (1442) 1455.
(22) MEGANCK, B., in "De wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Potpourri II), gewikt en gewogen. V.12. Hoger beroep", T.Strafr. 2016/1, (2) 45.
 

Noot: 

Bart Meganck, Grieven in hoger beroep en de revival van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: nauwkeurig is niet overdreven formalistisch en niet
overdreven soepel in te vullen, Tijdschrift voor Strafrecht 2017/2, 139 aanvulling op de noot die in het nummer 2017/1 van het Tijdschrift voor Strafrecht verscheen bij het arrest van 18 oktober 2016 van het Hof van Cassatie.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 06/08/2017 - 08:50
Laatst aangepast op: zo, 06/08/2017 - 10:11

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.