-A +A

Hoger beroep tegen afwijzing opheffing opsporingshandeling kan geen afwijzing reeds toegestaan aanvullend onderzoek veroorzaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
don, 26/11/2015

Artikel 61 quater Sv. - Hoger beroep tegen afwijzing verzoek opheffing opsporingshandeling - Hoger beroep van verzoeker - Devolutieve werking van het hoger beroep
De kamer van inbeschuldigingstelling mag na beroep van een beklaagde diens situatie niet verzwaren. In een beroepsprocedure van de beklaagde mag de KI de situatie van de beklaagde niet verzwaren door een reeds ontvankelijk verklaard verzoekschrift tot opheffing van een onderzoekshandeling te gaan onderzoeken. L.J. ( ... )
 

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift voor Strafrecht
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/2
Pagina: 
143
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Kamer van inbeschuldigingstelling Brussel 26 november 2015

Gelet op het verzoekschrift van 26 augustus 2015, ingediend op de griffie van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel en ingeschreven in het daartoe bestemd register op 26 augustus 2015 met vraag tot opheffing van het beslag gelegd op de bankrekening( ... ) (BNP Paribas) van de vennootschap naar Deens recht SMBA I.P.A. in uitvoering van de vordering van 17 maart 2015, afgeleverd door de onderzoeksrechter in de Nederlandstalige rechtbank Brussel. Gelet op de afwezigheid van vordering van de procureur des Konings,

Gelet op de beschikking van de onderzoeksrechter in de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel van 23 september 2015 die het verzoek tot opheffing van de onderzoekshandeling heeft afgewezen. De griffier heeft die beschikking ter kennis gebracht op 24 september 2015 aan de procureur des Konings en bij een ter post aangetekende brief op 25 september 2015 aan verzoeker en aan zijn raadsman. Gelet op het hoger beroep, ingesteld door de raadsman van verzoeker door een verklaring gedaan op de griffie van voormelde rechtbank op 7 oktober 2015 tegen voormelde beschikking van de onderzoeksrechter.

Gelet op de schriftelijke vorderingen van 29 oktober 2015 van de heer Jan Van Gaever, advocaat-generaal, hierbij gevoegd.

( ... )

VERZOEK TOT OPHEFFING VAN EEN ONDERZOEKSHANDELING ARTIKEL 61 QUATER SV.

VOORZIENING TEGEN DE BESCHIKKING VAN DE ONDERZOEKSRECHTER

KAMER VAN INBESCHULDIGINGSTELLING VORDERING

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel,

Gelet op het verzoekschrift. ingediend bij de griffie van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel en ingeschreven in het daartoe bestemd register op datum van 26 augustus 2015 namens verzoeker, L.J., geboren op ( ... ), wonende te( ... ), waarbij om de handlichting wordt verzocht van het beslag gelegd op de bankrekening BE ( ... ) (BNP Paribas), toebehorende aan de vennootschap naar Deens recht SMBA I.P.A., in uitvoering van de vordering van 17 maart 2015, afgeleverd door de onderzoeksrechter in de Nederlandstalige rechtbank van Brussel;

Overwegende dat de procureur des Konings geen vordering heeft uitgebracht;

Gelet op de beschikking van de onderzoeksrechter van 23 september 2015, door de griffier medegedeeld op 24 september 2015 aan de procureur des Konings en ter kennis gebracht bij een ter post aangetekende brief op 25 september 2015 aan verzoeker en haar raadsman, waarbij de onderzoeksrechter het verzoek heeft afgewezen omwille van de noodwendigheden van het onderzoek en de mogelijkheid van verbeurdverklaring van de gelden die op de bewuste bankrekening staan;

Gelet op het hoger beroep, ingesteld door de raadsman van verzoeker door een verklaring gedaan op de griffie van voormelde rechtbank op 7 oktober 2015 tegen voormelde beschikking van de onderzoeksrechter;

Overwegende dat de voorziening naar vorm en termijn ontvankelijk is;

Het hoger beroep is evenwel ongegrond,

In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat het aanvankelijk verzoek niet ontvankelijk was.

Het beslag werd gelegd op de rekening van een vennootschap. In de mate dat de rechtspersoon hiertegen wenst op te komen, dient zij overeenkomstig art. 703 Ger.Wb. in rechte op te treden door tussenkomst van haar bevoegd orgaan. Het verzoekschrift tot opheffing van het beslag gaat in deze niet uit van de vennootschap die beweert benadeeld te zijn, doch wel van een natuurlijk persoon. Ook al zou de natuurlijke persoon in gebeurlijk geval het bevoegd orgaan van de vennootschap kunnen zijn (er werden geen stukken ter zake gevoegd aan het verzoekschrift), dan nog dient het verzoek uit te gaan van de vennootschap zelf.

In de tweede plaats voorziet art. 61 quater, § 2 SV. uitdrukkelijk dat het verzoekschrift keuze van woonplaats in België inhoudt indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft, hetgeen in deze het geval is. Dit is een vereiste van ontvankelijkheid. In het verzoekschrift werd geen keuze van woonplaats gedaan.

In het kader van het hoger beroep kan niet worden geremedieerd aan voormelde gebreken.

Er kan in deze ook worden verwezen naar art. 17 Ger.Wb. dat stelt dat de rechtsvordering niet kan worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.

Hieruit volgt dat het hoger beroep ongegrond is.

Uiterst subsidiair kan worden verwezen naar de motivering van de onderzoeksrechter, die bijgetreden kan worden en die op heden nog steeds toepasselijk is. De resultaten van de rogatoire commissie naar Finland zijn op heden nog niet gekend.

De noodwendigheden van het onderzoek en de mogelijkheid van verbeurdverklaring van de betrokken goederen rechtvaardigen de handhaving van het beslag.

Gelet op de artikelen: - 2, 11 tot 14, 24, 31 tot 37, 41 van de Wet van 15 juni 1935;

- 61quater van het Wetboek van strafvordering

VORDERT HET HOF, KAMER VAN INBESCHULDIGINGSTELLING,

De voorziening ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Verzoeker te veroordelen in de kosten van huidige procedure.

( ... )

Gezien de verzendingsbewijzen van de oproeping bij ter post aangetekende brief van 30 oktober 2015 aan verzoeker en per faxbericht van dezelfde datum aan zijn raadsman, om te verschijnen op de zitting van de kamer van inbeschuldigingstelling van 5 november 2015. Gelet op het uitstel naar de zitting van 17 november 2015.

( ... )

Het hoger beroep van verzoeker, regelmatig naar vorm en termijn, is ontvankelijk.

Bij gebreke aan hoger beroep van het openbaar ministerie, kan de situatie van verzoeker niet worden verzwaard, zodat de voorwaarden voor de neerlegging van het verzoekschrift niet worden onderzocht.

De opheffing van dat beslag zou rechten van derden in het gedrang kunnen brengen. De noodwendigheden van het onderzoek vereisen bovendien dat het beslag verder wordt gehandhaafd. Het hof verwijst naar de pertinente motivering van de onderzoeksrechter.

Verzoeker voert tevens aan dat het beslag zou moeten worden opgeheven omdat er niet binnen een redelijke termijn over de maatregel werd geoordeeld. De duur van het gelegde beslag op de bankrekening, meer bepaald sedert 17 maart 2015, is niet onredelijk lang. Het onderzoek kent zijn normale voortgang, zeker nu het een internationaal karakter heeft en er rogatoire opdrachten dienen te worden uitgevoerd.

Het hoger beroep is ongegrond. Gelet op de artikelen:

11, 12, 13, 16, 24, 31 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

61quater van het Wetboek van Strafvordering;

OM DEZE REDENEN, HET HOF,

KAMER VAN INBESCHULDIGINGSTELLING, Rechtsprekend na tegenspraak.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt de bestreden beschikking.

Veroordeelt de verzoeker tot de kosten van onderhavige procedure, tot op heden niet begroot.

( ... )
 

Noot: 

Zie ook Kamer van inbeschuldigingstelling Gent 7 juni 2016, Tijdschrift voor Strafrecht 2017/2, 145, met noot.

2B bvba, G.H.

( ... )

Een met redenen omkleed verzoekschrift werd neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, ingeschreven in het daartoe bestemd register op 31 maart 2016

( ... )

strekkende tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandeling( en)

De procureur des Konings vorderde op 01 april 2016

De onderzoeksrechter heeft op 06 april 2016 het verzoek strekkende tot het verrichten van een bijkomende onderzoekshandeling ontvankelijk verklaard, doch afgewezen als ongegrond. De griffier deelde de beschikking op 14 april 2016 mee aan de procureur des Konings en bracht die bij een ter post aangetekende brief op ter kennis van verzoekers en bij faxbericht op 14 april 2016 aan hun raadsman.

De verzoekers hebben hoger beroep ingesteld tegen voormelde beschikking, door een verklaring gedaan op de griffie van diezelfde rechtbank op 20 april 2016.

Het hoger beroep is naar vorm en termijn ontvankelijk, doch ongegrond.

In hoofdorde: ab initio onontvankelijkheid van het verzoek

Bij nazicht van het neergelegde verzoek kan niet worden uitgemaakt wie precies nominatim het verzoekschrift heeft ondertekend. Vermits de handtekening op het verzoekschrift voorafgegaan wordt door de notie "loco", en verder geen leesbare vermeldingen betreft, kan de hoedanigheid van de ondertekenaar niet worden nagegaan.

Het verzoekschrift vermeldt immers als raadsman Mtr. L. AUGUSTYNS, advocaat te ( ... ) en kantoorhoudende aan ( ... ), voorziet verder een onleesbare handtekening (krabbel) voorafgegaan door de notie "loco" zoals voormeld zonder dat hierbij een naam wordt vermeld en zonder mogelijkheid tot identificering - dat de handtekening toebehoort aan één

van de raadslieden van verzoekers of aan een derde - en/of nagaan van de hoedanigheid van de ondertekenaar.

Een verzoekschrift overeenkomstig art. 61 quinquies Sv is een geschrift waaraan rechtsgevolgen worden verbonden door het aanbrengen van de handtekening van de verzoeker. De handtekening heeft een beveiligingsfunctie: het manuele, eigenhandige, creatieve en continue karakter van de handtekening die rechtstreeks op het geschrift wordt aangebracht moet zekerheid bieden omtrent de identiteit van de ondertekenaar. (vgl. Cass, 27 november 2011, P.11.1115.N). Dit is in casu niet het geval.

Vgl. in die zin de rechtspraak van dit Hof (KI Gent, 01 maart 2016, 2016/21/25, niet gepubliceerd):

" . ./ ..

Op basis van de handtekening moet met de steller ervan kunnen identificeren. De handtekening behoort daarom in beginsel de naam van de steller te dragen. Een eenvoudig symbolisch teken voldoet niet als handtekening, evenmin voldoet een teken dat weliswaar gebruik maakt van een krabbelvormige teken, maar niet verwijst naar de naam van de ondertekenaar. De naam van de ondertekenaar moet overeenkomstige de gevestige rechtstpraak en rechtsleer, die het hof als juist bijvalt, op een zodanige wijze in de naam verwerkt zijn dat men op basis daarvan de identiteit van de ondertekenaar niet in vraag hoeft te stellen. (VAN EECKE, P., De handtekening in het recht, Larciet, 2004, nr. 171, blz. 156.)

Het leesbare karakter van de handtekening maakt een constitutief kenmerk uit van een rechtsgeldige handtekening. Het feit dat de aangebrachte handtekening niet leesbaar is, zoals in onderhavig inleidend verzoekschrift, maat dat zij niet als rechtsgeldige handtekening kan worden beschouwd. De grondslag voor deze eis is dat men behoort te weten wie de handtekening gesteld heeft. Wanneer uit de handtekening niet kan worden afgeleid wie de ondertekenaar is, en dit zoals in onderhavig geval ook niet duidelijk kan worden afgeleid uit andere feiten, in het bijzonder door een bijkomende vermelding op het geschrift, maakt deze onleesbare handtekening geen rechtsgeldige handtekening uit."

Het verzoekschrift komt dan ook als ab initia onontvankelijk voor.

Subsidiair: ten gronde

De in de bestreden beschikking vermelde motieven gelden nog steeds en zijn over te nemen.

De artikelen 61 quater §5 en 61quinquies van het Wetboek van strafvordering en 2, 11 tot 14, 24, 31 tot 37, 41 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zijn in acht genomen.

OM DEZE REDENEN VORDERT DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT

dat het aan het hof, kamer van inbeschuldigingstelling, zou behagen, het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en verzoeker in de kosten van huidige procedure te veroordelen.

( ... )

Gezien de beschikking van 6 april 2016 van de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, waarvan op regelmatige wijze kennis werd gegeven aan de procureur des Konings, de verzoekers en hun raadsman.

Gezien het hoger beroep van voormelde verzoekers van 20 april 2016;

De verzoekers en hun raadsman werden minstens 48 uur vooraf van plaats, dag en uur van behandeling door het hof, kamer van inbeschuldigingstelling, in kennis gesteld. Gezien de hier vorenstaande schriftelijke vordering van de procureur-generaal te Gent van 25 april 2016.
[…]
Verzoekers hebben op 20 april 2016 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking ex artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering van de onderzoeksrechter van 6 april 2016 waarbij het verzoek tot het vervullen van een aantal bijkomende onderzoekshandelingen werd afgewezen als ongegrond.

1. Bij verzoekschrift van 10 mei 2016 dat ter griffie van het hof, kamer van inbeschuldigingstelling, is neergelegd op 23 mei 2016 hebben verzoekers om de heropening van de debatten verzocht om hen toe te laten bijkomend standpunt in te nemen omtrent de ontvankelijkheid van het hoger beroep en daartoe een nieuw stuk neer te leggen, namelijk een verklaring op eer die advocaat S.N. deed omtrent het aantekenen van hoger beroep tegen voormelde beschikking ex artikel 61quinquies van het Wetboek van Strafvordering. Dit hof, kamer van inbeschuldigingstelling, geeft geen gevolg aan deze vraag tot heropening van de debatten en weert het stuk dat verzoekers bij dit verzoek tot heropening hebben gevoegd uit de beoordeling van de zaak, die op enkel hoger beroep van verzoekers bij dit hof aanhangig is gemaakt.

Het verzoek - en het daartoe bijgebracht nieuwe stuk - berust immers op een verkeerde lezing van hier vorenstaande schriftelijke vordering van de procureur-generaal. In die vordering is sprake van een beweerdelijke initiële onontvankelijkheid van het op 31 maart 2016 door verzoekers neergelegd verzoekschrift doordat het verzoek met schending van een aantal vormvereisten zou zijn neergelegd en niet van een beweerde onontvankelijkheid van het hoger beroep omwille van voormelde reden. Het nieuwe stuk heeft dan ook geen belang voor het debat.

De vraag van verzoekers tot heropening der debatten wordt dan ook afgewezen.

2. Het hoger beroep is regelmatig en tijdig ingesteld en is ontvankelijk. Op enkel hoger beroep van verzoekers, burgerlijke partij, kan het hof, kamer van inbeschuldigingstelling, de toestand van verzoekers niet verzwaren. Het hof gaat dan ook niet in op het middel omtrent de initiële (on)ontvankelijkheid van het verzoek tot uitvoeren van bijkomende onderzoekshandelingen zoals opgeworpen in hier vorenstaande schriftelijke vordering van de procureur-generaal.

3. Verzoekers vragen een integrale kopie van een strafdossier - waarin de inverdenkinggestelde in huidige zaak burgerlijke partij was en tweede verzoeker in huidige zaak inverdenkinggestelde was -, minstens een aantal stukken uit dat strafdossier waaronder een kopie van de verklaring van de toenmalige burgerlijke partij, te voegen aan huidig strafdossier en de inverdenkinggestelde in huidig dossier daarmee te confronteren. Zij vragen tevens een technisch onderzoek te bevelen van de gesekwestreerde computer HP Pavillion - bij beschikking van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 14 augustus 2014 - om vast te stellen of het misdrijf via deze computer werd gepleegd. Ten slotte vragen zij kopies van de vennootschapsdossiers van de bedrijven 4U en 2B en een overnamecontract van de mailbox van 2B bij Proximus te voegen bij het strafdossier.

4. Het hof, kamer van inbeschuldigingstelling, sluit zich aan bij de pertinente argumenten zoals ontwikkeld in de bestreden beschikking, beaamt deze motieven en maakt ze tot de zijne.

Met de onderzoeksrechter stelt het hof, kamer van inbeschuldigingstelling, vast dat uit de klacht zelf blijkt dat de inverdenkinggestelde in huidige zaak, ex-echtgenote van tweede verzoeker én aandeelhouder in de bvba 2B, toegang had tot de mailbox van voormelde bvba.

Er kan ook verwezen worden naar een door verzoekers in het verzoekschrift aangehaald citaat uit het verhoor van de inverdenkinggestelde waarin zij stelt dat er vroeger een abonnement bij Proximus was met een e-mailaccount die begon met 'sb' en wat cijfers erachter en dat aan die account ook de naam '2b.business@skynet.be' gekoppeld was.

Uit hetzelfde verzoekschrift blijkt dat de e-mailaccount die begon met 'sh' sbl93736@skynet.be was.

Tijdens het onderzoek verklaarde zij omtrent de e-mails die toekwamen op 2b.business@skynet.be:

G.H. was nooit de bestemmeling van die e-mails. De bestemmeling was 2b.business@skynet.be, aangezien ik voor 50 % aandeelhouder ben in 2B BVBA ben ik eveneens de bestemmeling. Ik lees trouwens de mailbox 'sb ... @skynet.be'. Ik kan al de berichten die hierin toekomen lezen, en een deel daarvan refereert naar 2b.business@skynet.be.

Tevens blijkt uit het onderzoek dat de mails verder bleven toekomen bij de inverdenkinggestelde omdat G.H., tweede verzoeker, na zijn verhuis een nieuwe mailbox aanvroeg zonder evenwel de bestaande email-account aan te passen. De inverdenkinggestelde verklaarde daarover dat zij op het ogenblik dat zij en haar man uit elkaar gingen, het abonnement overnam omdat G.H. daarvoor niet meer wilde betalen en na de overname vaststelde dat zij nog steedse-mails ontving op 2b.business@skynet.be gekoppeld aan voormelde account, die behoorde tot het abonnement dat zij had overgenomen (zie voormeld citaat). Zij verklaarde tevens tijdens het onderzoek:

Het wat zo dat destijds de Belgacom aansluiting betaald werd door de vennootschap 2B, zolang zij bij ons haar maatschappelijke zetel had. Na zijn vertrek heeft hij zelf de papieren in mijn brievenbus gestopt, om de overdracht te regelen. Met de nota erbij 'vanaf nu betaal ik niet meer voor u.

Ook merkt het hof, kamer van inbeschuldigingstelling, op dat het onderzoek op de harde schijven van de gesekwestreerde computer geen licht zal werpen op het gebruik van een e-mailaccount daar deze fysiek niet verbonden is met een computer, laat staan met de desktop die zich bevond in de woning van de inverdenkinggestelde.

Bovendien benadrukt het hof, kamer van inbeschuldigingstelling, dat de onderzoeksrechter noch de onderzoeksgerechten bevoegd zijn om een ander strafdossier of stukken uit een ander strafonderzoek bij het huidige te voegen, nu deze bevoegdheid uitsluitend toekomt aan het openbaar ministerie.

Met betrekking tot de vraag tot het voegen van een kopie van vennootschapsdossiers van de vennootschappen 4 U en 2B kunnen verzoekers hun eigen vennootschapsdossier of deze van vennootschappen waarin ze zelf gerechtigd zijn, zelf aan het dossier toevoegen indien ze dit opportuun vinden. Hetzelfde geldt met betrekking tot het overnamecontract bij Proximus. De voeging door de onderzoeksrechter biedt geen enkele meerwaarde.

5. Dit alles wordt niet weerlegd noch ontkracht door hetgeen in conclusies wordt uiteengezet en dat niet van aard is het hof, kamer van inbeschuldigingstelling, tot een andere beoordeling te brengen.

OP DEZE GRONDEN, HET HOF,

Gelet op de artikelen:

- 13 en 24 van de wet van 15 juni 1935;

- 61quinquies en 127 van het Wetboek van Strafvordering;

Weert het stuk, gevoegd bij het verzoekschrift tot heropening van de debatten, uit de debatten

Ontvangt het hoger beroep.

Verklaart het ongegrond.

Bevestigt de bestreden beschikking.

Veroordeelt verzoekers tot de kosten begroot op 3,30 euro (afschrift akte HB = 3,00 euro+ 10 %)

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 06/08/2017 - 09:36
Laatst aangepast op: zo, 06/08/2017 - 09:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.