-A +A

Hoger Beroep openbaar ministerie grieven termijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 31/01/2017
A.R.: 
P.16.1052.N

Uit de tekst van de artikelen 203, 204 en 205 Wetboek van Strafvordering, hun wetsgeschiedenis, de doelstellingen ervan en hun onderling verband volgt dat indien het openbaar ministerie bij het appelgerecht zijn grieven opneemt in het exploot waarbij het zijn hoger beroep betekent aan de beklaagde, aan de verplichting de grieven tijdig kenbaar te maken is voldaan indien het exploot met de grieven wordt betekend binnen de veertig dagen en het exploot vervolgens wordt neergelegd ter griffie van het appelgerecht

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/13
Pagina: 
1051
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(S.D. - Rolnr.: P.16.1052.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 27 september 2016.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling
(…)

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het hoger beroep van het Openbaar Ministerie bij het appelgerecht ontvankelijk is; volgens artikel 204 Wetboek van Strafvordering moet het verzoekschrift met de grieven worden ingediend ter griffie binnen de 30 dagen na het vonnis; die verplichting geldt ook voor het Openbaar Ministerie indien het als openbaar ministerie bij het appelgerecht hoger beroep instelt; noch uit de akte van hoger beroep noch uit enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de grieven tijdig werden neergelegd.

3. Volgens artikel 203, § 1, eerste lid Wetboek van Strafvordering vervalt, behoudens het in artikel 205 Wetboek van Strafvordering bedoelde geval, het recht op hoger beroep indien de verklaring van hoger beroep niet is gedaan ter griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, uiterlijk 30 dagen na de dag van uitspraak bij een vonnis op tegenspraak.

Volgens artikel 204 Wetboek van Strafvordering:

bepaalt het verzoekschrift op straffe van verval nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de in artikel 203 Wetboek van Strafvordering bedoelde verklaring;

kan dit verzoekschrift ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van het appelgerecht;
gelden deze bepalingen ook voor het Openbaar Ministerie.

Volgens artikel 205 Wetboek van Strafvordering moet het Openbaar Ministerie bij het appelgerecht op straffe van verval binnen de 40 dagen te rekenen vanaf de uitspraak van het vonnis zijn beroep betekenen aan de beklaagde.

4. Uit de tekst van deze bepalingen, hun wetsgeschiedenis, de doelstellingen ervan en hun onderling verband volgt dat indien het Openbaar Ministerie bij het appelgerecht zijn grieven opneemt in het exploot waarbij het zijn hoger beroep betekent aan de beklaagde, aan de verplichting de grieven tijdig kenbaar te maken is voldaan indien het exploot met de grieven wordt betekend binnen de 40 dagen en het exploot vervolgens wordt neergelegd ter griffie van het appelgerecht.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

(…)

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op (…).

Conclusie van advocaat-generaal R. Mortier:

1. Feiten en procedure
Beklaagde werd, omwille van het negeren van een rood licht, vervolgd wegens inbreuk op de artikelen 5 en 61.1, 1° van het wegverkeersreglement, en werd bij vonnis op tegenspraak van 6 april 2016 door de politierechtbank veroordeeld tot een effectieve geldboete van 30 EUR met opdeciemen.

Enkel het Openbaar Ministerie tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis, en dit op volgende wijze:

op 18 april 2016 ter griffie van de politierechtbank, door het ondertekenen van een akte hoger beroep tegen alle beschikkingen van het vonnis;
op 12 mei 2016 door het betekenen aan beklaagde van de akte van hoger beroep met bevel tot dagvaarding, overeenkomstig artikel 205 Sv. De grieven tegen het vonnis werden in deze akte hoger beroep vermeld. De akte vermeldt dat de door de eerste rechter opgelegde straf te laag is in acht genomen het strafrechtelijk verleden van de veroordeelde en gelet op de repressieve functie die de opgelegde straf dient te hebben Er wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 7 juni 2016.
Bij vonnis op tegenspraak van 27 september 2016 van de correctionele rechtbank werd:

het hoger beroep van het Openbaar Ministerie zoals ingesteld ter griffie, tijdig, doch bij gebrek aan rechtsgeldig grievenformulier, vervallen verklaard,
het hoger beroep van het Openbaar Ministerie zoals ingesteld bij deurwaardersexploot ontvankelijk verklaard en, erover beslissend in de mate dat de rechtbank werd gevat door de aan de orde zijnde grieven,
de feiten bewezen verklaard en beklaagde veroordeeld tot een geldboete van 50 EUR met opdeciemen, een verval van het recht tot sturen gedurende 15 dagen en het herstel in het recht tot sturen van alle motorrijtuigen afhankelijk gemaakt van het slagen in een theoretisch examen.
Eiser tekende op 11 oktober 2016 cassatieberoep aan tegen al de beschikkingen van dit vonnis. Hij voert in een memorie twee middelen aan.

2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Het cassatieberoep is ontvankelijk behalve in zoverre gericht tegen de beslissing waarbij het hoger beroep van het Openbaar Ministerie ingesteld ter griffie van de politierechtbank niet ontvankelijk werd verklaard.

3. Eerste middel
Eiser voert in het eerste middel aan dat ook het hoger beroep dat met toepassing van artikel 205 Sv. werd ingesteld, niet ontvankelijk had moeten verklaard worden omdat artikel 204 Sv. werd miskend. Het verzoekschrift met vermelding van de grieven moet immers binnen de termijn van 30 dagen na het vonnis neergelegd worden ter griffie. Zelfs de toepassing van artikel 205 Sv. sluit het voldoen aan de vereisten van artikel 204 Sv. niet uit.

3.1. De wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (“Pot-pourri II”) beoogde onder andere een doelmatigere behandeling van strafzaken in hoger beroep, in hoofdzaak door het invoeren van de verplichting om de grieven die tegen het eerste vonnis worden geformuleerd, nauwkeurig te bepalen. Te dien einde werd de termijn om hoger beroep in te stellen verlengd. De wetgever ging er immers van uit dat een langere termijn noodzakelijk was om weloverwogen en precies de grieven tegen het vonnis te kunnen formuleren. Deze verplichting geldt voor alle partijen, inclusief het Openbaar Ministerie [1].

De termijn om hoger beroep aan te tekenen werd verlengd tot 30 dagen na de dag van de uitspraak of, in geval van een verstekvonnis, van de betekening (art. 203, § 1, eerste lid Sv.). Krachtens het tweede lid van artikel 203, § 1 Sv. beschikt het Openbaar Ministerie bij het gerecht dat de beslissing heeft gewezen, bovendien over een bijkomende termijn van 10 dagen om hoger beroep aan te tekenen. Dit is echter enkel het geval indien sprake is van een “volgappel”, dit wil zeggen een hoger beroep dat door het Openbaar Ministerie wordt aangetekend nadat de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij eerst hoger beroep heeft aangetekend. In voorkomend geval zal de beroepstermijn waarover het Openbaar Ministerie beschikt dus langer zijn dan 30 dagen. Dit is niet het geval indien enkel het Openbaar Ministerie hoger beroep aantekent.

Naast de beroepsmogelijkheden vermeld in artikel 203 Sv. beschikt het Openbaar Ministerie bij het appelgerecht, krachtens artikel 205 Sv. nog over de mogelijkheid om via een gerechtsdeurwaardersexploot een akte hoger beroep met dagvaarding voor de beroepsinstantie te betekenen, en dit binnen een termijn van 40 dagen te rekenen van de uitspraak van het vonnis.

Hoewel de wet zelf dit niet uitdrukkelijk vermeldt, lijkt het mij evident dat de verplichting om uitdrukkelijk de grieven te formuleren tegen het eerste vonnis, niet enkel geldt indien toepassing wordt gemaakt van de procedure bepaald in artikelen 203-204 Sv., maar ook indien het Openbaar Ministerie gebruik maakt van de mogelijkheid voorzien in artikel 205 Sv. Dit volgt enerzijds uit de algemeen beoogde doelmatigere behandeling van strafzaken in hoger beroep, maar blijkt ook uit de parlementaire voorbereidende werken, waar werd gesteld dat, gelet op de invoering van de verplichting om de grieven te bepalen, ook de termijn voorzien in artikel 205 Sv. wordt verlengd [2]. De loutere keuze voor de procedure krachtens artikel 205 Sv. kan het Openbaar Ministerie dus niet vrijstellen van de verplichting om nauwkeurig de grieven tegen het vonnis te formuleren.

3.2. Eiser voert aan dat zelfs in geval van toepassing van artikel 205 Sv. de neerlegging van het grievenformulier ter griffie overeenkomstig artikel 204 Sv. en binnen de 30 dagen dient te gebeuren.

Over de wijze waarop de grieven moeten geformuleerd worden, indien hoger beroep wordt aangetekend overeenkomstig artikel 203 Sv., voorziet artikel 204 Sv. dat het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven bepaalt en binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie wordt ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring. Het kan ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht. Er is dus een loskoppeling mogelijk tussen het doen van de verklaring van hoger beroep en het neerleggen van het grievenformulier. Beide dienen niet op hetzelfde moment, en ook niet op dezelfde griffie te gebeuren maar ze moeten wel plaatsvinden binnen de termijn bepaald in artikel 203 Sv.

Over de wijze waarop de grieven moeten geformuleerd worden ingeval toepassing wordt gemaakt van artikel 205 Sv., zeggen de wet, noch de voorbereidende werken iets.

Het standpunt van eiser, dat zelfs in geval van toepassing van artikel 205 Sv. de neerlegging van het grievenformulier ter griffie overeenkomstig artikel 204 Sv. en binnen de 30 dagen dient te gebeuren, faalt echter mijns inziens naar recht om volgende redenen:

de beoogde doelmatige behandeling in hoger beroep vereist dat tijdig, bij het aanhangig maken van de zaak in hoger beroep, de grieven tegen het eerste vonnis geformuleerd worden, en dit zowel in het belang van alle partijen als om de saisine van de appelrechter te bepalen [3].
Indien toepassing gemaakt wordt van artikel 203 Sv. is de akte waarbij de zaak aanhangig wordt gemaakt in hoger beroep, de regelmatig ter griffie ingekomen verklaring van hoger beroep en niet de dagvaarding om voor de rechter te verschijnen [4]. Gezien het bepaalde in artikel 204 SV is een afzonderlijke, maar tijdige, neerlegging van het grievenformulier mogelijk. In geval van toepassing van artikel 205 Sv. is de akte waarbij de zaak aanhangig wordt gemaakt in hoger beroep de betekening van het hoger beroep bij deurwaardersexploot, inhoudende dagvaarding voor de beroepsinstantie;
artikel 204 Sv. verwijst naar het bepaalde in artikel 203 Sv., dat op zijn beurt uitdrukkelijk de toepassing van artikel 205 Sv. uitsluit. Artikelen 203-204 Sv. hebben trouwens in eerste instantie betrekking op het Openbaar Ministerie en de griffie van de rechtbank die de bestreden beslissing heeft gewezen. Het tweede lid van artikel 204 Sv. voorziet in die zin een bijkomende mogelijkheid voor de partijen in eerste aanleg om dit verzoekschrift ook in te dienen ter griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht, eerder dan een verplichting om dit te doen voor het Openbaar Ministerie bij het gerecht dat van het hoger beroep kennis moet nemen;
het lijkt ten slotte logisch noch pragmatisch om de grieven niet mee op te nemen in de akte die de zaak aanhangig maakt bij de beroepsinstantie, maar deze apart neer te leggen met een verzoekschrift ter griffie.
3.3. Uit wat voorafgaat volgt dat in geval van toepassing van artikel 203-204 Sv. op straffe van verval van het hoger beroep de verklaring van hoger beroep ter griffie met (gelijktijdige of afzonderlijke) neerlegging van het verzoekschrift met vermelding van grieven tijdig - binnen de termijn bepaald in artikel 203 Sv. - dient te gebeuren.

Voor de toepassing van artikel 205 Sv., is het op straffe van verval van het hoger beroep, de betekening via deurwaardersexploot van de akte hoger beroep houdende dagvaarding en opgave van de grieven die tijdig - dit is binnen de termijn van 40 dagen te rekenen van de uitspraak - moet gebeuren. Hierdoor weet de verweerder onmiddellijk tegen welke beslissingen het Openbaar Ministerie opkomt, maar beschikt ook het Openbaar Ministerie over de wettelijk voorziene periode van 40 dagen om grieven te ontwikkelen en te betekenen. De afgifte van het betekeningsexploot ter griffie met het oog op voeging bij het dossier kan dan nadien gebeuren. Die afgifte is op zich niet bepalend voor het aanhangig maken, en dus de ontvankelijkheid, van het hoger beroep.

3.4. De appelrechters oordelen dat:

het hoger beroep tegen het vonnis van 6 april 2016, tijdig en regelmatig naar vorm werd aangetekend door de betekening van de akte hoger beroep met bevel tot dagvaarding conform artikel 205 Sv. op 12 mei 2016;
de grieven tegen dit vonnis werden vermeld in de akte van hoger beroep met bevel tot dagvaarding. Deze akte werd tezamen met de dagvaarding betekend.
Met dit oordeel maken zij een correcte toepassing van artikel 205 Sv. en verantwoorden zij hun beslissing naar recht. Het standpunt van eiser dat ook bij toepassing van artikel 205 Sv. het grievenformulier overeenkomstig artikel 204 Sv. en binnen de 30 dagen moet neergelegd worden ter griffie faalt naar recht.

(…)

5. Er zijn geen ambtshalve middelen aan te voeren
Conclusie: Verwerping.

 

[1] Kamer van Volksvertegenwoordigers, Doc. 54-1418/001-84.
[2] Kamer van Volksvertegenwoordigers, Doc. 54-1418/001-83.
[3] Zie ter zake Kamer van Volksvertegenwoordigers, Doc. 54-1418/001, 83-85; Doc. 54-1418/005, 118-119.
[4] Cass. 1 oktober 1997, P.97.0666.F, Arr.Cass. 1997, nr. 380; Cass. 14 februari 2007, P.06.1580.F, Arr.Cass. 2007, nr. 90.
 

Noot: 

• De Pauw, W., « Laattijdige neerlegging grievenschrift en overmacht », R.A.B.G., 2017/13, p. 1049-1051

• S. Van Overbeke, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie - deel 2”, RW 2015-16, 1446.

• Voor een overzicht: A. Vandeplas, “Over verzet in strafzaken”, RW 1972-73, 1807.

Rechtspraak

• Cass. 12 januari 2012, C.10.0683.N; Cass. 13 januari 2004, P.03.0860.N.
• Cass. 11 april 1990, Arr.Cass. 1989-90, nr. 481.
• Cass. 12 februari 2013, P.12.0685.N.
• Cass. 9 november 2011, P.11.1027.F.
• EHRM, Czekalla / Portugal, 2002.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 19/12/2017 - 10:25
Laatst aangepast op: di, 19/12/2017 - 10:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.