-A +A

Hoger Beroep loutere uiteeneenzetting maakt geen grief uit

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Kortrijk
Datum van de uitspraak: 
don, 15/01/2015

De akte van beroep dient overeenkomstig artikel 1057, eerste lid, 7° Ger. W. op straffe van nietigheid de uiteenzetting van de grieven te bevatten. Dit ceronderstelt dat de appellante duidelijk maakt waarom en in welke mate zij zich door de beroepen beslissing gegriefd acht, derwijze dat de Ge¨ntimeerde zijn conclusies kan voorbereiden en de appelrechter in staat is de draagwijdte van het hoger beroep na te gaan. Een aaneenschakeling van algemene bewoordingen of een loutere verwijzing naar een feitenrelaas of de procedure  in eerste aanleg, voldoen niet aan het vereiste van artikel 1057 Ger.W.
(Zie ook Cass. 14/12/2000, A.C. 2000, 1994; Cass., 1 juni 2007, RABG 2008, 666; Cass. 8 april 2011, juridat)

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/5
Pagina: 
1044
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Noot: 

Motivering Beroepsakte en belang vonnis à quo, Tijl De Jaegher, NJW 2015, 330, 759Relatiiviteit van het hoger beroep en van beroepsgrieven, RABG, 2011, 722, Noot onder Antwerpen 20 maart 201, RABG, 2011, 719, ook gepubliveerd middels een link op www.clijmansadvocaten.be

Rechtspraak 

• Antwerpen 20 maart 201, RABG, 2011, 719, met noot N. Clijmans ook gepubliveerd middels een link op www.clijmansadvocaten.be

Samenvatting

Overeenkomstig het beschikkingsbeginsel behoort het aan de appellant om zelf de perken te bepalen binnen dewelke de appelrechter zijn bevoegdheid zal kunnen uitoefenen. Hij beschikt aldus eerst en vooral over de mogelijkheid om het voorwerp van zijn verhaal te beperken door enkel beroep in te stellen tegen bepaalde beschikkingen van de bestreden beslissing.

Artikel 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid, de uiteenzetting van de grieven vermeldt.

Deze nietigheid is niet van openbare orde en kan dan ook enkel door de geïntimeerde in limine litis worden opgeworpen.

De motivering van de akte van hoger beroep valt niet onder de voorschriften van artikel 862 van het Gerechtelijk Wetboek, met als gevolg dat de nietigheid enkel zal mogen worden uitgesproken in zoverre overeenkomstig artikel 861 Ger.W. een belangenschade wordt aangetoond in hoofde van de partij die de nietigheid inroept.

De vermelding in een beroepsakte dat hoger beroep wordt ingesteld tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis, die enkel inhoudelijk de beoordeling in eerste aanleg van de hoofdvordering bekritiseert, verhindert niet dat in navolgende beroepsconclusies de appellant voor het eerst uitdrukkelijk kritiek uit op de beoordeling door de eerste rechter van de tegenvordering voor zover de belangen van de wederpartij daardoor niet werden geschaad.

 

(N.C./K.)

( ... )

2. Beoordeling

2.1. Over de oorspronkelijke hoofdvordering

2.1.1. De door geïntimeerde ingestelde vordering strekt tot terugbetaling van aan appellante onverschuldigd betaalde wedde en onverschuldigd uitbetaald vakantiegeld.

( ... )

Uit de samenhang van het eerste en van het 2de lid van artikel 7 § 2 van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën volgt dat de terugvordering van het verschuldigde pas kan worden ingesteld nadat een vraag tot terugbetaling bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis van de schuldenaar werd gebracht overeenkomstig de bepalingen van artikel 7 § 2, 1 ste lid van voormelde wet.

De wet van 6 februari 1970 is van openbare orde, zodat dient te worden aangenomen dat bij gebrek aan een geldige vraag tot terugbetaling, ter kennis gebracht binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van 1 januari van het jaar van de betaling, de terugvordering niet alleen maar niet rechtsgeldig kan worden ingesteld maar bovendien ook dat zij verjaard is.

In casu ligt er geen geldige vraag tot terugbetaling, noch van de teruggevorderde onverschuldigd uitbetaalde wedde, noch van het teruggevorderde onverschuldigd uitbetaald vakantiegeld, ter kennis gebracht binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar van de betaling.

De oorspronkelijke hoofdvordering dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2. Over de oorspronkelijke tegenvordering

2.2.1. Overeenkomstig het beschikkingsbeginsel behoort het aan de appellant om zelf de perken te bepalen binnen dewelke de appelrechter zijn bevoegdheid zal kunnen uitoefenen. Hij beschikt aldus eerst en vooral over de mogelijkheid om het voorwerp van zijn verhaal te beperken door enkel beroep in te stellen tegen bepaalde beschikkingen van de bestreden beslissing (G. CLOSSET-MARCHAL, J.-Fr. VAN DROOGHENBROECK, S. UHLLG en A. DECROËS, "Examen de jurisprudence. Droit judiciaire privé. Les voies de recours (1993 à 2005)", RCJB 2006, nr. 253, p. 286).

Uit de vermeldingen in het verzoekschrift tot hoger beroep blijkt dat appellante hoger beroep heeft ingesteld tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis, doch weliswaar geen grieven heeft aangevoerd ten aanzien van de afwijzing door de eerste rechter van de door haar in eerste aanleg ingestelde tegenvordering.

Uit het gebrek aan grieven in dit verband kan evenwel niet worden afgeleid dat appellante haar hoger beroep heeft willen beperken tot de beschikkingen van het bestreden vonnis met betrekking tot de oorspronkelijke hoofdvordering, gezien de uitdrukkelijke vermelding van het instellen van het hoger beroep tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis.

Artikel 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt echter dat de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid, de uiteenzetting van de grieven vermeldt.

Deze nietigheid is niet van openbare orde en kan dan ook enkel door de geïntimeerde in limine litis worden opgeworpen. Door het Hof dient te worden vastgesteld dat geïntimeerde deze nietigheid van de akte van hoger beroep niet heeft opgeworpen in haar conclusie neergelegd op 7 april 2009, zodat de nietigheid reeds om deze reden gedekt is (G. CLOSSET-MARCHAL, J.-Fr. VAN DROOGHENBROECK, S. UHLLG en A. DECROËS, "Examen de jurisprudence. Droit judiciaire privé. Les voies de recours (1993 à 2005)", RCJB 2006, nr. 204, p. 218).

Ten overvloede dient te worden opgemerkt dat de motivering van de akte van hoger beroep niet valt onder de voorschriften van artikel 862 van het Gerechtelijk Wetboek, met als gevolg dat de nietigheid enkel zal mogen worden uitgesproken in zoverre overeenkomstig artikel 861 Ger.W. een belangenschade wordt aangetoond in hoofde van de partij die de nietigheid inroept (G. CLOSSET-MARCHAL, J.-Fr. VAN DROOGHENBROECK, S. UHLLG en A. DECROËS, "Examen de jurisprudence. Droit judiciaire privé. Les voies de recours (1993 à 2005)", RCJB 2006, nr. 204, p. 218).

Geïntimeerde voert geen belangenschade aan noch bewijst zulks.

Het hoger beroep is derhalve evenzeer ontvankelijk in zoverre het tegen de afwijzing van de oorspronkelijke tegenvordering gericht is.

2.2.2. Door appellante wordt niet ernstig betwist dat zij onverschuldigde wedden en vakantiegeld van geïntimeerde mocht ontvangen, ingevolge door haar organen in strijd met de wetten en reglementen ter zake genomen beslissingen.

Zelfs al zou uit de daaropvolgende beslissingen, die uiteindelijk tot de terugvordering van de onverschuldigde betalingen hebben geleid, enige schending van beginselen van behoorlijk bestuur kunnen worden afgeleid, dan nog dient door het Hof te worden vastgesteld dat appellante als gevolg hiervan geen enkele schade, materieel noch moreel, kan hebben geleden, nu zij steeds het genot van onverschuldigde betalingen is blijven genieten, die zij derhalve in strijd met wettelijke bepalingen heeft ontvangen. Ten overvloede ontbreekt dan ook eveneens enig rechtmatig belang om schadevergoeding te vorderen.

Appellante bewijst bovendien op generlei wijze de materialiteit noch de hoegrootheid van de door haar beweerde schade.

De tegenvordering faalt derhalve eveneens zo in feite als in rechte.

2.3. Over de kosten

Naar luid van artikel 1017, 4, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen de kosten worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders en zusters of aanverwanten in dezelfde graad.

Nu zo de oorspronkelijke hoofdvordering van geïntimeerde als de oorspronkelijke tegenvordering van appellante dienen te worden afgewezen, komt het het Hof gepast voor om de kosten zo in eerste aanleg als in hoger beroep tussen partijen om te slaan.

OM DEZE REDENEN, HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis ontvankelijk, en deels gegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond verklaart;

Doet het bestreden vonnis voor het overige teniet, en opnieuw rechtdoende; Verklaart de hoofdvordering van geïntimeerde niet-ontvankelijk;

Wijst partijen van hun wederzijdse vorderingen dienvolgens af en veroordeelt hen ieder tot hun eigen kosten van beide aanleggen;

Slaat de rechtsplegingsvergoedingen zo in eerste aanleg als in hoger beroep om. Waar aanwezig was: S. Berneman, alleenzetelend raadsheer.

Hof van Beroep Antwerpen, 21 januari 2015, NJW 2015, 330, 759

samenvatting

Zelfs bij een hoger beroep zonder vermelding van grieven dient in concreto geoordeeld of er hinder was bij de vlotte afhandeling van de zaak

tekst arrest
L.J., [ ... ] appellant, [ ... ]
tegen
Ethias gemeen recht, [ ... ] geïntimeerde,
[ ... ]
De nietigheid van het verzoekschrift tot hoger beroep.
4.1. Ethias vordert het verzoekschrift tot hoger beroep nietig te verklaren met toepassing van art. 1057, 7° en art. 861 van het Gerechtelijk Wetboek.
Ethias voert aan dat het verzoekschrift tot hoger beroep niet vermeldt op welke grieven het rechtsmiddel is gesteund en dat het verzoekschrift derhalve strijdig is met het, op straffe van nietigheid voorgeschreven vereiste van art. 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek.
Ethias laat gelden dat haar belangen hierdoor zijn geschaad en ze verzoektde nietigheidssanctie, overeenkomstig art. 861 van het Gerechtelijk Wetboek, toe te passen.
L.J. betwist de beweerde nietigheid van het verzoekschrift tot hoger beroep.
4.2. In het verzoekschrift tot hoger beroep van 24 februari 2014 is met betrekking tot de aangevoerde grieven enkel vermeld:
Ik stel hoger beroep in tegen alle beschikkingen omwille van de grieven die en het onrecht dat mij door de bestreden beslissing werd aangedaan. Hiervoor verwijs ik naar mijn aan u gericht aangetekend schrijven d.d. 02 februari 2014. Ik sluit niet uit dat ik u de volgende dagen nog meer informatie met betrekking tot deze zaak bezorg."
In het verzoekschrift tot hoger beroep wordt geen andere uiteenzetting van de grieven gevonden.
De verplichting om in het verzoekschrift tot hoger beroep de grieven te vermelden, beoogt zowel aan de appelrechter als aan de tegenpartij de zekerheid te verschaffen over de redenen waarom de beslissing wordt aangevochten.
De formulering van de grieven, zoals vermeld in het verzoekschrift tot hoger beroep van 24 februari 2014, is zo algemeen dat daaruit niet met zekerheid kan worden afgeleid welke specifieke bezwaren tegen het bestreden vonnis worden aangevoerd. De verwijzing naar een aangetekende brief die aan de griffie van het hof zou zijn gezonden vóór het instellen van het hoger beroep, noch de vermelding dat de grieven in de loop van het geding mogelijk nog zullen worden aangevuld, volstaan om te voldoen aan de verplichting in het verzoekschrift tot hoger beroep de grieven te vermelden die tegen het bestreden vonnis worden aangevoerd.
4.3.Het verzuim te voldoen aan het vereiste van art. 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek wordt gesanctioneerd met de nietigheid van het verzoekschrift tot hoger beroep.
Het betreft evenwel een relatieve nietigheid (art. 861 van het Gerechtelijk Wetboek).
Ethias vordert de nietigheid.
De nietigheidssanctie is slechts van toepassing wanneer Ethias bewijst dat haar belangen in concreto geschaad werden door het aangeklaagde verzuim.
Ethias meent aan deze bewijslast te voldoen. Zij verwijst naar de omstandigheid dat zij, ingevolge het ontbreken van de grieven in het verzoekschrift tot hoger beroep, niet onmiddellijk bij de inleiding van het hoger beroep wist waartegen zij zich specifiek moest verweren.

Zij haalt bovendien aan dat het geding in hoger beroep door het verzuim van L.J. niet beperkt blijft tot welomschreven bezwaren tegen het bestreden vonnis, maar ertoe leidt dat het geding volledig opnieuw, zoals in eerste aanleg, moet worden gevoerd. Ethias besluit dat de rechtspleging in hoger beroep door deze handelwijze aanzienlijke vertraging heeft opgelopen en daardoor haar belangen werden geschaad.

4.4. Het hof stelt vast dat het hoger beroep van L.J. werd ingeleid ter terechtzitting van 30 april 2014. Op 29 april 2014 legde de raadsman van Ethias ter griffie van het hof een verklaring van verschijning neer met zijn opmerkingen met betrekking tot de instaatstelling van de zaak. Bij ontstentenis van een akkoord van partijen over de instaatstelling, heeft het hof de zaak op de zitting van 30 april 2014 verdaagd naar de zitting van 3 juni 2014 teneinde het tijdsverloop van de rechtspleging te regelen met toepassing van art. 747, § 2, 3a, lid van het Gerechtelijk Wetboek.
In zijn beschikking van 3 juni 2014 heeft het hof de conclusietermijnen geregeld en de rechtsdag bepaald op 19 november 2014. Het tijdsverloop werd geregeld conform het eigen voorstel van de raadsman van Ethias van 29 april 2014. Overeenkomstig deze beschikking heeft Ethias als eerste geconcludeerd op 19 juni 2014 en benutte zij de tweede termijn door neerlegging van een conclusie op 24 september 2014. Ethias heeft reeds in haar eerste conclusie van 19 juni 2014 ook haar verweer over de grond van de zaak voorgedragen en een tegeneis ingesteld.

Zoals voormeld, werd de zaak behandeld ter terechtzitting van 19 november 2014.

Het hof kan uit dit tijdsverloop alleen besluiten dat de zaak in hoger beroep werd behandeld zonder enige vertraging.
Ethias toont niet aan dat zij door het ontbreken van de grieven in het verzoekschrift tot hoger beroep gehinderd is in haar verweer en dat daardoor een onherstelbare vertraging in de afhandeling van het geschil is ontstaan.
Ethias voert aan dat het verzuim van L.J. om de grieven tegen het bestreden vonnis te vermelden in het verzoekschrift tot hoger beroep, er toe leidt dat het debat, zoals het in eerste aanleg werd gevoerd, opnieuw geheel aan de orde is in hoger beroep. Zij meent dat haar belangen hierdoor zijn geschaad.
Het blijkt nochtans dat L.J., overeenkomstig zijn recht op hoger beroep (art. 1050 van Gerechtelijk Wetboek) het geheel van de beslissing van de eerste rechter en de daaraan ten grondslag gelegde redengeving bestrijdt. Die redengeving was erg summier en in zeer algemene bewoordingen opgesteld ("Uit nazicht van de dossierstukken van eiseres blijkt echter dat de vordering gegrond is in de hierna bepaalde mate.").

Het gegeven dat in die omstandigheden het geschil voor de appelrechter wordt gebracht, zoals dat reeds aan het oordeel van de eerste rechter werd onderworpen, doet te dezen niet besluiten tot het bestaan van belangenschade aan de zijde van Ethias.

Ethias bewijst dan ook niet dat haar belangen op enigerlei wijze in concreto geschaad zijn door de tekortkoming van L.J. aan het vereiste van art. 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek.
Het hof wijst de exceptie van nietigheid van het inleidend verzoekschrift tot hoger beroep af.
[ ... ]
 

Overige Rechtsleer:

• K.BROECKX, “De grieven in de beroepsakte. Het arrest van het Hof van Cassatie van 16 december 1994”, R.Cass. 1995, 182; M. CASTERMANS, Gerechtelijk privaatrecht, Gent, Story Publishers, 2009, 648-649;

• G.DE LEVAL, Eléments de procédure civile, Brussel, Larcier, 2005, 317.

Uittreksel uit Omzendbrief college procureurs-generaal na vernietigingsarrest van Potpourri II 148/2017 van het grondwettelijk hof

"2 Artikel 204 van het Wetboek van strafvordering (vervangen bij artikel 89 van de wet van 5 februari 2016)

2.1 Het begrip "grief' binnen het raam van het aantekenen van hoger beroep

Het Grondwettelijk Hof verwijst naar de veelvuldige cassatierechtspraak in verband met het begrip "grief' in de zin van artikel 204 Sv.In essentie wordt de nadruk erop gelegd dat een "grief' tegen een vonnis moet preciseren op welke tenlastelegging ze betrekking heeft en dat voldoende nauwkeurig moet doen zodat dit de appelrechters en de partijen toelaat om de beslissing of de beslissingen die de appellant wil laten hervormen met zekerheid te bepalen.

Het Hof van Cassatie verwees in zijn rechtspraak betreffende artikel 204 Sv. naar art. 6.1 EVRM. Uit die bepaling volgt dat de lidstaten het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk mogen maken van voorwaarden, maar dat bij de toepassing van die voorwaarden de rechter niet overdreven formalistisch mag zijn zodat de billijkheid van de procedure wordt aangetast of overdreven soepel zodat de opgelegde voorwaarden inhoudsloos worden24• Verder heeft het Hof van Cassatie herhaalde malen onderstreept dat artikel 204 Sv. niet voorschrijft dat de appellant in zijn verzoekschrift of grievenformulier de redenen van zijn hoger beroep of de middelen die hij wil aanvoeren om de hervorming van de beslissing te verkrijgen zou opgeven25• Het begrip "grief' valt bijgevolg niet samen met het begrip "middel".

Het Grondwettelijk Hof besluit dat de bestreden bepaling voorschrijft dat de appellant in zijn verzoekschrift de onderdelen van het vonnis in eerste aanleg aanwijst die hij wil laten hervormen en niet de argumenten die hij daartoe wenst aan te voeren, en stelt (B.45.2):

"Bijgevolg belet de bestreden bepaling niet dat de appellant voor het eerst in hoger beroep en in de loop van de procedure, de middelen aanvoert die hij geschikt acht om de hervorming te verkrijgen van de in eerste aanleg gewezen beslissing met inbegrip, in voorkomend geval, van de overschrijding van de redelijke termijn, of nog, een omkering van de rechtspraak tussen eerste en tweede aanleg".

3 Waarde van een interpretatie van het Grondwettelijk Hof

Er wordt aan herinnerd dat wanneer het Grondwettelijk Hof een beroep tot nietigverklaring verwerpt, gelet op een bepaalde interpretatie van de bestreden wetsbepaling, die interpretatie een door het Hof beslecht rechtspunt is, waaraan de rechtscolleges op grond van artikel 9, § 2 van de bijzondere wet gebonden zijn. De rechtscolleges zijn derhalve ertoe gebonden die bepaling toe te passen in de interpretatie die met de Grondwet bestaanbaar is bevonden."

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 27/12/2015 - 16:47
Laatst aangepast op: vr, 06/04/2018 - 15:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.