-A +A

Hoger beroep indien geen bewaar in grievenformulier over schuld kan Hof schuld niet meer weerleggen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
vri, 17/06/2016

Het hof beslist in het voorliggende arrest binnen de perken van de grieven zoals bedoeld in art. 210 Sv., zoals aangevuld bij art. 94 van de wet van 5 februari 2016.

Ingevolge de wet van 5 februari 2016 (Potpourri) heeft de rechter geen rechtsmacht om de bewezenverklaring van de feiten en de schuld van de beklaagde nog in vraag te stellen, wanneer tegen een bewezenverklaring van de schuld door de beklaagde werden grieven ingebracht in de zin van art. 204 Sv. terwijl er naar het oordeel van het hof evenmin aanleiding toe is om hiertegen ambtshalve een grief van openbare orde op te werpen zoals bedoeld door art. 210 Sv. (zoals aangevuld door art. 94 van de wet van 5 februari 2016), kan . De wettelijke verplichting om ambtshalve grieven in de zin van het voormelde art. 210 op te werpen laat het hof als appelrechter overigens niet toe om de door de eerste rechter bewezen verklaarde feiten en de schuld van de beklaagde aan deze feiten als zodanig in vraag te stellen, in zoverre daartegen geen grief wordt geformuleerd in het verzoekschrift met grieven.

Let wel het oorspronkelijke grievenformulier werd heropgesteld bij KB van 23 november 2017, zoals gepubliceerd in het Belgisch staatsblad van 1 december 2017.
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
470
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

O.M. t/ R.F.

...

Tegen het vonnis van 15 maart 2016 van de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne, werd uitsluitend door het openbaar ministerie hoger beroep aangetekend, namelijk door een op 17 maart 2016 ter griffie afgelegde verklaring, waarbij tegen dit vonnis een onbeperkt hoger beroep werd ingesteld. Tevens werd door het openbaar ministerie op 17 maart 2016 ter griffie een verzoekschrift met grieven («grievenformulier hoger beroep») neergelegd waarin nauwkeurig werd bepaald welke grieven tegen het voormelde vonnis worden ingebracht.

Het hoger beroep werd aldus tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld en is ontvankelijk (artt. 203-204 Sv., zoals gewijzigd door de artt. 88 en 89 van de wet van 5 februari 2016 «tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie»).

Ingevolge dit hoger beroep is het vonnis van 15 maart 2016 niet bestreden in zoverre erin uitspraak werd gedaan over de vordering van de burgerlijke partijen (...) tegen de beklaagde (...).

Blijkens het op 17 maart 2016 ter griffie neergelegde grievenformulier, opgesteld volgens het bij KB van 18 februari 2016 vastgestelde model, acht het openbaar ministerie zich louter gegriefd door het bestreden vonnis m.b.t. de straftoemeting. In dit grievenformulier werd immers louter punt 1.4 aangekruist en als volgt nader gespecificeerd: «1.4 strafmaat: zes jaar effectief gevorderd, slechts één jaar effectief uitgesproken (veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf waarvan drie vierden met probatieuitstel). Betrokkene kan al op 26 april 2016 in vrijheid worden gesteld.»

Het hof beslist in het voorliggende arrest binnen de perken van de grieven zoals bedoeld in art. 210 Sv., zoals aangevuld bij art. 94 van de wet van 5 februari 2016.

...

4. De feiten, voorwerp van de telastleggingen A, B en C, werden in het bestreden vonnis bewezen verklaard. Tegen deze bewezenverklaring en de schuld van de beklaagde werden geen grieven ingebracht in de zin van art. 204 Sv. (zoals vervangen door art. 89 van de wet van 5 februari 2016), terwijl er naar het oordeel van het hof evenmin aanleiding toe is om hiertegen ambtshalve een grief van openbare orde op te werpen zoals bedoeld door art. 210 Sv. (zoals aangevuld door art. 94 van de wet van 5 februari 2016). De wettelijke verplichting om ambtshalve grieven in de zin van het voormelde art. 210 op te werpen laat het hof als appelrechter overigens niet toe om de door de eerste rechter bewezen verklaarde feiten en de schuld van de beklaagde aan deze feiten als zodanig in vraag te stellen, in zoverre daartegen geen grief wordt geformuleerd in het verzoekschrift met grieven.

Het hof heeft te dezen dan ook geen rechtsmacht om het bewijs van de feiten, voorwerp van de voormelde telastleggingen, ten gronde aan een nieuwe beoordeling te onderwerpen. (...).

Noot: 

• Bart Meganck, Grieven in hoger beroep en de revival van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: nauwkeurig is niet overdreven formalistisch en niet
overdreven soepel in te vullen, Tijdschrift voor Strafrecht 2017/2, 139 aanvulling op de noot die in het nummer 2017/1 van het Tijdschrift voor Strafrecht verscheen bij het arrest van 18 oktober 2016 van het Hof van Cassatie.

• E. van Dooren en M. Rozie, «Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje», Nullum Crimen 2016, (115), p. 127-128, nrs. 31-33;

• S. Van Overbeke, «Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie («Potpourri II») (tweede deel)», RW 2015-16, (1442), p. 1448-1454, nrs. 43-63.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 26/11/2017 - 09:20
Laatst aangepast op: vr, 01/12/2017 - 09:54

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.