-A +A

Hoger Beroep - Grievenformulier - Geen vereiste van een originele handtekening

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 04/04/2017
A.R.: 
P.17.0023.N

Uit de tekst van artikel 204 Wetboek van Strafvordering en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de wetgever door het invoeren van de verplichting om de tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis geformuleerde grieven nauwkeurig te bepalen, een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep beoogt en in het bijzonder nutteloze werklast en kosten wil vermijden door niet langer niet-betwiste beslissingen aan de appelrechter voor te leggen. Door de verplichting de grieven nauwkeurig te bepalen wordt de appellant gedwongen na te denken over de wenselijkheid en de gevolgen van het instellen van het hoger beroep en kan de geïntimeerde dadelijk uitmaken welke beslissingen van het eerste vonnis worden betwist en waarover hij in hoger beroep verweer zal moeten voeren.

Het zijn de door de appellant in het verzoekschrift of in het grievenformulier opgegeven of aangeduide grieven die de rechtsmacht bepalen van de appelrechter.

De zekerheid die moet bestaan over het gegeven dat de in het door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde geschrift vermelde nauwkeurige grieven uitgaan van de appellant of zijn raadsman, gelet op de rechtsgevolgen welke die grieven hebben, vereist niet dat dit geschrift een originele handtekening bevat van de appellant of zijn raadsman. Die zekerheid kan ook worden bereikt indien het geschrift met een aan de appellant of zijn raadsman toegeschreven handtekening tijdig wordt gefaxt en niet wordt betwist dat de handtekening wel degelijk die is van de appellant of zijn raadsman.

Het arrest dat de eiser vervallen verklaart van zijn hoger beroep omdat hij het door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde grievenformulier naar de griffie heeft gefaxt en er geen grievenformulier met zijn originele handtekening tijdig werd ontvangen, verantwoordt die beslissing niet naar recht.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/13
Pagina: 
1078
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(R.B.J. / F.J.L.A., A.B. NV - Rolnr.: P.17.0023.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Hasselt, van 1 december 2016. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd.

II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 6, 1. EVRM, artikel 2 zevende aanvullend protocol EVRM en artikel 204 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis verklaart de eiser ten onrechte vervallen van zijn hoger beroep omdat hij het grievenformulier per fax en dus zonder originele handtekening aan de griffie heeft toegestuurd; artikel 204 Wetboek van Strafvordering sluit die wijze van toezending niet uit; de stelling dat een afdruk van een handtekening via fax geen rechtsgeldige handtekening is en een fax wegens de technische eigenschappen ervan geen originele handtekening kan bevatten, is achterhaald; een “in origineel” aangebrachte handtekening biedt uiteindelijk niet meer zekerheid dan de op een fax aangebrachte handtekening; bovendien is de ondertekening niet op straffe van verval voorgeschreven; het vervallen verklaren van het recht van hoger beroep op de door het bestreden vonnis aangenomen grond houdt een beperking in van het recht op dubbele aanleg die geen wettig doel dient, minstens zonder dat er een redelijk verband bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

2. Het door artikel 6, 1. EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet om het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verhouding bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Die voorwaarden mogen niet ertoe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast. Bij de toepassing van die voorwaarden mag de rechter niet overdreven formalistisch zijn zodat de billijkheid van de procedure wordt aangetast of overdreven soepel zodat de opgelegde voorwaarden inhoudsloos worden.

3. Artikel 204 Wetboek van Strafvordering, bepaalt:

“Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven, en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de eiser in hoger beroep of zijn advocaat, of door een ander bijzonder gevolmachtigde. In dit laatste geval wordt de volmacht bij het verzoekschrift gevoegd.

Dit verzoekschrift kan ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht.

Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt.

Deze bepaling geldt ook voor het Openbaar Ministerie.”

Het door artikel 204, derde lid Wetboek van Strafvordering bedoelde grievenformulier werd vastgesteld met het koninklijk besluit van 18 februari 2016 tot uitvoering van artikel 204, derde lid Wetboek van Strafvordering.

4. Uit de tekst van artikel 204 Wetboek van Strafvordering en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de wetgever door het invoeren van de verplichting om de tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis geformuleerde grieven nauwkeurig te bepalen, een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep beoogt en in het bijzonder nutteloze werklast en kosten wil vermijden door niet langer niet-betwiste beslissingen aan de appelrechter voor te leggen. Door de verplichting de grieven nauwkeurig te bepalen wordt de appellant gedwongen na te denken over de wenselijkheid en de gevolgen van het instellen van het hoger beroep en kan de geïntimeerde dadelijk uitmaken welke beslissingen van het eerste vonnis worden betwist en waarover hij in hoger beroep verweer zal moeten voeren.

5. Het zijn de door de appellant in het verzoekschrift of in het grievenformulier opgegeven of aangeduide grieven die de rechtsmacht bepalen van de appelrechter.

6. De zekerheid die moet bestaan over het gegeven dat de in het door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde geschrift vermelde nauwkeurige grieven uitgaan van de appellant of zijn raadsman, gelet op de rechtsgevolgen welke die grieven hebben, vereist niet dat dit geschrift een originele handtekening bevat van de appellant of zijn raadsman. Die zekerheid kan ook worden bereikt indien het geschrift met een aan de appellant of zijn raadsman toegeschreven handtekening tijdig wordt gefaxt en niet wordt betwist dat de handtekening wel degelijk die is van de appellant of zijn raadsman.

7. Het arrest dat de eiser vervallen verklaart van zijn hoger beroep omdat hij het door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde grievenformulier naar de griffie heeft gefaxt en er geen grievenformulier met zijn originele handtekening tijdig werd ontvangen, verantwoordt die beslissing niet naar recht.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de verwijzingsrechter. Verwijst de zaak naar de correctionele rechtbank Limburg, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld.

 

Noot: 

• De Pauw, W., « Laattijdige neerlegging grievenschrift en overmacht », R.A.B.G., 2017/13, p. 1049-1051

• S. Van Overbeke, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie - deel 2”, RW 2015-16, 1446.

• Voor een overzicht: A. Vandeplas, “Over verzet in strafzaken”, RW 1972-73, 1807.

Rechtspraak

• Cass. 12 januari 2012, C.10.0683.N; Cass. 13 januari 2004, P.03.0860.N.
• Cass. 11 april 1990, Arr.Cass. 1989-90, nr. 481.
• Cass. 12 februari 2013, P.12.0685.N.
• Cass. 9 november 2011, P.11.1027.F.
• EHRM, Czekalla / Portugal, 2002.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 19/12/2017 - 12:29
Laatst aangepast op: di, 19/12/2017 - 12:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.