-A +A

Hoger Beroep grieven omschrijven de saisine van de beroepsrechter en niet de middelen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
woe, 01/02/2017
A.R.: 
P.16.1100.F

Volgens artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt het verzoekschrift in hoger beroep, op straffe van verval, nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven; uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 februari 2016 volgt dat het beginsel van het hoger beroep op grieven niet beoogt de eiser in hoger beroep te verplichten de middelen te verduidelijken die hij voor de appelrechters wenst uiteen te zetten maar wel ertoe strekt de omvang van hun saisine te bepalen.

Door te vermelden dat zijn hoger beroep dat van de verweerder, de beklaagde, volgt, geeft het openbaar ministerie aan dat hij aldus de saisine van de appelrechters beperkt tot het door de verweerder beroepen dictum (1). (1) Zie Cass. 8 oktober 2016, AR P.16.0818.N, AC 2016, nr. ..., met concl. van advocaat-generaal A. Winants. Het openbaar ministerie had andersluidend geconcludeerd door te oordelen dat het de loutere vermelding 'volgt het hoger beroep van de beklaagde' in de rubriek 1.12 andere: van het grievenformulier hoger beroep, zonder nadere uitleg, aan duidelijkheid ontbrak en niet aangaf welke punten van de beroepen beslissing werden betwist zodat die vermelding niet als een grief kan worden beschouwd als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/13
Pagina: 
1057
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Procureur des Konings Brussel / O.M. - Rolnr.: P.16.1100.F)

(...)

I. La procédure devant la Cour
Le pourvoi est dirigé contre un jugement rendu le 16 septembre 2016 par le tribunal correctionnel francophone de Bruxelles, statuant en degré d'appel.

Le demandeur invoque un moyen dans un mémoire reçu au greffe de la Cour le 6 octobre 2016.

Le conseiller Tamara Konsek a fait rapport.

L'avocat général Damien Vandermeersch a conclu.

II. La décision de la Cour
(…)
Sur le moyen pris, d'office, de la violation de l'article 204 du Code d'instruction criminelle

Le tribunal de police a statué par un jugement du 7 mars 2016 sur deux préventions mises à charge du défendeur.

Cette décision a été frappée d'appel tant par le demandeur que par le défendeur. Sur le formulaire de griefs, le défendeur a coché la case « taux de peine », en apportant la précision « peine illégalement aggravée sur opposition ». Le formulaire de griefs du demandeur indique qu'il « suit l'appel du prévenu ».

Le jugement dit l'appel du demandeur irrégulier.

Selon l'article 204 du Code d'instruction criminelle, la requête d'appel indique précisément, à peine de déchéance, les griefs élevés, y compris les griefs procéduraux, contre le jugement.

Il ressort des travaux préparatoires de la loi du 5 février 2016 que le principe de l'appel sur grief n'a pas pour objectif d'obliger l'appelant à préciser les moyens qu'il entend développer devant les juges d'appel mais à déterminer leur saisine.

Par l'énonciation que son appel suit celui du défendeur, le demandeur a indiqué que, ce faisant, il limite la saisine des juges d'appel au dispositif entrepris par le défendeur.

En jugeant l'appel du demandeur irrégulier au motif que le formulaire de griefs ne contient aucune indication précisant les points sur lesquels il y a lieu de modifier la décision rendue en première instance, les juges d'appel n'ont pas légalement justifié leur décision.

PAR CES MOTIFS,

LA COUR

Casse le jugement attaqué;

Ordonne que mention du présent arrêt sera faite en marge du jugement cassé;

Réserve les frais pour qu'il soit statué sur ceux-ci par la juridiction de renvoi;

Renvoie la cause au tribunal correctionnel du Brabant wallon, siégeant en degré d'appel.

Noot: 

Relatiiviteit van het hoger beroep en van beroepsgriven, RABG, 2011, 722, Noot onder Antwerpen 20 maart 201, RABG, 2011, 719, ook gepubliveerd middels een link op www.clijmansadvocaten.be

Rechtspraak 

• Antwerpen 20 maart 201, RABG, 2011, 719, met noot N. Clijmans ook gepubliveerd middels een link op www.clijmansadvocaten.be

Samenvatting

Overeenkomstig het beschikkingsbeginsel behoort het aan de appellant om zelf de perken te bepalen binnen dewelke de appelrechter zijn bevoegdheid zal kunnen uitoefenen. Hij beschikt aldus eerst en vooral over de mogelijkheid om het voorwerp van zijn verhaal te beperken door enkel beroep in te stellen tegen bepaalde beschikkingen van de bestreden beslissing.

Artikel 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid, de uiteenzetting van de grieven vermeldt.

Deze nietigheid is niet van openbare orde en kan dan ook enkel door de geïntimeerde in limine litis worden opgeworpen.

De motivering van de akte van hoger beroep valt niet onder de voorschriften van artikel 862 van het Gerechtelijk Wetboek, met als gevolg dat de nietigheid enkel zal mogen worden uitgesproken in zoverre overeenkomstig artikel 861 Ger.W. een belangenschade wordt aangetoond in hoofde van de partij die de nietigheid inroept.

De vermelding in een beroepsakte dat hoger beroep wordt ingesteld tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis, die enkel inhoudelijk de beoordeling in eerste aanleg van de hoofdvordering bekritiseert, verhindert niet dat in navolgende beroepsconclusies de appellant voor het eerst uitdrukkelijk kritiek uit op de beoordeling door de eerste rechter van de tegenvordering voor zover de belangen van de wederpartij daardoor niet werden geschaad.

 

(N.C./K.)

( ... )

2. Beoordeling

2.1. Over de oorspronkelijke hoofdvordering

2.1.1. De door geïntimeerde ingestelde vordering strekt tot terugbetaling van aan appellante onverschuldigd betaalde wedde en onverschuldigd uitbetaald vakantiegeld.

( ... )

Uit de samenhang van het eerste en van het 2de lid van artikel 7 § 2 van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën volgt dat de terugvordering van het verschuldigde pas kan worden ingesteld nadat een vraag tot terugbetaling bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis van de schuldenaar werd gebracht overeenkomstig de bepalingen van artikel 7 § 2, 1 ste lid van voormelde wet.

De wet van 6 februari 1970 is van openbare orde, zodat dient te worden aangenomen dat bij gebrek aan een geldige vraag tot terugbetaling, ter kennis gebracht binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van 1 januari van het jaar van de betaling, de terugvordering niet alleen maar niet rechtsgeldig kan worden ingesteld maar bovendien ook dat zij verjaard is.

In casu ligt er geen geldige vraag tot terugbetaling, noch van de teruggevorderde onverschuldigd uitbetaalde wedde, noch van het teruggevorderde onverschuldigd uitbetaald vakantiegeld, ter kennis gebracht binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar van de betaling.

De oorspronkelijke hoofdvordering dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2. Over de oorspronkelijke tegenvordering

2.2.1. Overeenkomstig het beschikkingsbeginsel behoort het aan de appellant om zelf de perken te bepalen binnen dewelke de appelrechter zijn bevoegdheid zal kunnen uitoefenen. Hij beschikt aldus eerst en vooral over de mogelijkheid om het voorwerp van zijn verhaal te beperken door enkel beroep in te stellen tegen bepaalde beschikkingen van de bestreden beslissing (G. CLOSSET-MARCHAL, J.-Fr. VAN DROOGHENBROECK, S. UHLLG en A. DECROËS, "Examen de jurisprudence. Droit judiciaire privé. Les voies de recours (1993 à 2005)", RCJB 2006, nr. 253, p. 286).

Uit de vermeldingen in het verzoekschrift tot hoger beroep blijkt dat appellante hoger beroep heeft ingesteld tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis, doch weliswaar geen grieven heeft aangevoerd ten aanzien van de afwijzing door de eerste rechter van de door haar in eerste aanleg ingestelde tegenvordering.

Uit het gebrek aan grieven in dit verband kan evenwel niet worden afgeleid dat appellante haar hoger beroep heeft willen beperken tot de beschikkingen van het bestreden vonnis met betrekking tot de oorspronkelijke hoofdvordering, gezien de uitdrukkelijke vermelding van het instellen van het hoger beroep tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis.

Artikel 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt echter dat de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid, de uiteenzetting van de grieven vermeldt.

Deze nietigheid is niet van openbare orde en kan dan ook enkel door de geïntimeerde in limine litis worden opgeworpen. Door het Hof dient te worden vastgesteld dat geïntimeerde deze nietigheid van de akte van hoger beroep niet heeft opgeworpen in haar conclusie neergelegd op 7 april 2009, zodat de nietigheid reeds om deze reden gedekt is (G. CLOSSET-MARCHAL, J.-Fr. VAN DROOGHENBROECK, S. UHLLG en A. DECROËS, "Examen de jurisprudence. Droit judiciaire privé. Les voies de recours (1993 à 2005)", RCJB 2006, nr. 204, p. 218).

Ten overvloede dient te worden opgemerkt dat de motivering van de akte van hoger beroep niet valt onder de voorschriften van artikel 862 van het Gerechtelijk Wetboek, met als gevolg dat de nietigheid enkel zal mogen worden uitgesproken in zoverre overeenkomstig artikel 861 Ger.W. een belangenschade wordt aangetoond in hoofde van de partij die de nietigheid inroept (G. CLOSSET-MARCHAL, J.-Fr. VAN DROOGHENBROECK, S. UHLLG en A. DECROËS, "Examen de jurisprudence. Droit judiciaire privé. Les voies de recours (1993 à 2005)", RCJB 2006, nr. 204, p. 218).

Geïntimeerde voert geen belangenschade aan noch bewijst zulks.

Het hoger beroep is derhalve evenzeer ontvankelijk in zoverre het tegen de afwijzing van de oorspronkelijke tegenvordering gericht is.

2.2.2. Door appellante wordt niet ernstig betwist dat zij onverschuldigde wedden en vakantiegeld van geïntimeerde mocht ontvangen, ingevolge door haar organen in strijd met de wetten en reglementen ter zake genomen beslissingen.

Zelfs al zou uit de daaropvolgende beslissingen, die uiteindelijk tot de terugvordering van de onverschuldigde betalingen hebben geleid, enige schending van beginselen van behoorlijk bestuur kunnen worden afgeleid, dan nog dient door het Hof te worden vastgesteld dat appellante als gevolg hiervan geen enkele schade, materieel noch moreel, kan hebben geleden, nu zij steeds het genot van onverschuldigde betalingen is blijven genieten, die zij derhalve in strijd met wettelijke bepalingen heeft ontvangen. Ten overvloede ontbreekt dan ook eveneens enig rechtmatig belang om schadevergoeding te vorderen.

Appellante bewijst bovendien op generlei wijze de materialiteit noch de hoegrootheid van de door haar beweerde schade.

De tegenvordering faalt derhalve eveneens zo in feite als in rechte.

2.3. Over de kosten

Naar luid van artikel 1017, 4, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen de kosten worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders en zusters of aanverwanten in dezelfde graad.

Nu zo de oorspronkelijke hoofdvordering van geïntimeerde als de oorspronkelijke tegenvordering van appellante dienen te worden afgewezen, komt het het Hof gepast voor om de kosten zo in eerste aanleg als in hoger beroep tussen partijen om te slaan.

OM DEZE REDENEN, HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis ontvankelijk, en deels gegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond verklaart;

Doet het bestreden vonnis voor het overige teniet, en opnieuw rechtdoende; Verklaart de hoofdvordering van geïntimeerde niet-ontvankelijk;

Wijst partijen van hun wederzijdse vorderingen dienvolgens af en veroordeelt hen ieder tot hun eigen kosten van beide aanleggen;

Slaat de rechtsplegingsvergoedingen zo in eerste aanleg als in hoger beroep om. Waar aanwezig was: S. Berneman, alleenzetelend raadsheer.

Overige Rechtsleer:

• K.BROECKX, “De grieven in de beroepsakte. Het arrest van het Hof van Cassatie van 16 december 1994”, R.Cass. 1995, 182; M. CASTERMANS, Gerechtelijk privaatrecht, Gent, Story Publishers, 2009, 648-649;

• G.DE LEVAL, Eléments de procédure civile, Brussel, Larcier, 2005, 317.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 19/12/2017 - 10:41
Laatst aangepast op: di, 19/12/2017 - 10:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.