-A +A

Hoger beroep en vereiste van vermelding van beroepsgrieven

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 30/03/2009

De uiteenzetting van de grieven in de akte van hoger beroep wordt op straffe van nietigheid vereist door artikel 1057,7 Ger.W. Wanneer de grieven niet in de beroepsakte staan maar wel vermeld worden in de latere conclusie is er echter geen belangenschade wanneer de rechten van verdediging en de moigelijkheid tot antwoord niet geschonden zijn.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2012-2013
Pagina: 
107
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV P.B. t/ J.L. en G.C.

I. De feiten en retroacten

1. In de inleidende dagvaarding zet appellante uiteen dat geïntimeerde (samen met een vennoot) in de loop van 2002 ingevolge een mondelinge overeenkomst toelating verkreeg om P.-producten te verdelen op de Oostenrijkse markt.

In 2004 gingen de vennoten uit elkaar en zette geïntimeerde eveneens op grond van een mondelinge overeenkomst de activiteiten alleen verder.

In 2006 zou vervolgens een nieuwe wijze van samenwerking overeengekomen zijn tussen partijen waarbij appellante de Oostenrijkse dealers rechtstreeks zou beleveren en factureren en waarbij geïntimeerde de commerciële opvolging op zich zou nemen en een provisie zou ontvangen van 15% op de betaalde omzet.

Volgens appellante was geïntimeerde niet alleen als handelsagent maar ook als eindverkoper actief en bleef de betalingsachterstand in de loop der jaren oplopen.

De agentuurovereenkomst werd op 28 februari 2007 door appellante beëindigd.

Appellante heeft geïntimeerde vervolgens aangetekend in gebreke gesteld op 19 maart 2007 tot betaling van een volgens haar openstaande hoofdsom van 19.125,22 euro, vermeerderd met de interesten.

Deze ingebrekestelling werd betwist door de Oostenrijkse raadsman van geïntimeerde bij brief van 4 april 2007.

Er volgt nog diverse briefwisseling tussen partijen waarna appellante tot dagvaarding overgaat.

...

2. In de inleidende dagvaarding verwijst appellante naar art. 10 van de algemene verkoopsvoorwaarden waardoor volgens haar de rechtbanken van Mechelen bevoegd zijn en het Belgische recht van toepassing is.

3. Geïntimeerde betwistte in limine litis en in de eerste plaats de internationale rechtsmacht van de Belgische rechtbanken.

...

4. Bij vonnis van 18 januari 2008 verklaarde de rechter zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering van appellante. De eerste rechter oordeelde dat appellante niet het bewijs leverde van een geldig forumbeding in de zin van art. 23 van de EEX-verordening, zodat de rechtbank geen internationale rechtsmacht op grond van dit artikel heeft. Bijgevolg is volgens de eerste rechter de algemene internationale bevoegdheidsgrond van art. 2 van de EEX-verordening van toepassing en is de Oostenrijkse rechter bevoegd.

...

III. Beoordeling

...

2. Geïntimeerde voert allereerst aan dat het hoger beroep van appellante ontoelaatbaar is op grond van art. 1057, 7o Ger.W., aangezien appellante volgens geïntimeerde geen grieven tegen het vonnis a quo formuleert in het verzoekschrift tot hoger beroep.

Art. 1057, 7o Ger.W. bepaalt dat de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid, de grieven tegen het eerste vonnis dient te vermelden. Deze grieven moeten niet uitvoerig uiteengezet worden. Het volstaat dat voldoende duidelijk en nauwkeurig uiteengezet wordt welke bezwaren de appellant tegen het vonnis heeft, zodat de geïntimeerde weet waartegen hij zich moet verweren en de appelrechter de draagwijdte van de appelakte kan beoordelen.

Vastgesteld dient te worden dat appellante in de akte van hoger beroep betekend op 4 april 2008 echter geen grieven tegen het vonnis a quo uiteengezet heeft. Zij beperkt zich tot een loutere opsomming van de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het geschil zonder aanduiding van specifieke grieven.

De grieven werden door appellante wel in conclusie van 15 september 2008 uitgewerkt. Geïntimeerde voert aan belangenschade geleden te hebben doordat hij zijn conclusie van 15 juli 2008 niet heeft kunnen voorbereiden en hij enkel diende voort te bouwen op de argumenten van appellante zoals zij die in eerste aanleg aanvoerde.

In casu wordt echter geen belangenschade aangetoond omdat de argumentatie van appellante in hoger beroep in grote lijnen niet verschilt van die aangevoerd in eerste aanleg en geïntimeerde voorts nog kon antwoorden op de conclusie van 15 september 2008 van appellante per 15 november 2008 en 15 januari 2009 (op grond van de beschikking conform art. 747, § 2 Ger.W. van 26 mei 2008) en tegen 9 maart 2009 (op grond van de beschikking conform art. 748, § 2 Ger.W. van 16 februari 2009). Het recht van verdediging van geïntimeerde werd ten volle gerespecteerd en het normdoel werd op grond van art. 867 Ger.W. bereikt.

Er bestaat geen aanleiding tot nietigverklaring van het verzoekschrift tot hoger beroep met toepassing van art. 1057, 7o Ger.W., aangezien geen belangenschade door geïntimeerde aangetoond wordt.

Het hoger beroep van appellante is derhalve toelaatbaar;

3. Appellante werpt in limine litis op dat de Belgische rechtbanken wel internationale bevoegdheid/rechtsmacht hebben.

Geïntimeerde voert in eerste instantie aan dat de Belgische rechtbanken geen rechtsmacht hebben op grond van art. 23 van de EEX-verordening en dat een geldig forumbeding in de algemene verkoopsvoorwaarden werd opgenomen.

Het hof onderzoekt of het internationale rechtsmacht heeft op grond van de EEX-verordening nr. 44/2001 van 22 december 2000, waaromtrent beide partijen het eens zijn dat deze voor de beoordeling van de internationale rechtsmacht toepasselijk is. Deze verordening is van toepassing in burgerlijke en handelszaken.

...

Een bevoegdheidsbeding in factuurvoorwaarden beantwoordt slechts aan art. 23 van de EEX-verordening wanneer een mondelinge overeenkomst tot stand komt bij courante handelsbetrekkingen waarbij bovendien bewezen wordt dat die handelsbetrekkingen beheerst worden door de factuurvoorwaarden, wat in casu niet het geval is.

Na hernieuwd onderzoek onderschrijft het hof het oordeel van de eerste rechter die terecht besloot dat er geen geldig forumbeding in de zin van art. 23 van de EEX-verordening voorligt, omdat appellante niet aantoont dat de algemene verkoopsvoorwaarden die zij bijbrengt, ter kennis werden gebracht van geïntimeerde noch dat geïntimeerde instemde met deze algemene verkoopsvoorwaarden. De rechtbank stelde hierbij terecht vast dat noch op de factuur noch op de rappels enige verwijzing is naar de algemene voorwaarden. Het enkele feit dat orderbevestigingen een Duitse tekst bevatten die bepaalt dat op alle transacties de algemene verkoopsvoorwaarden van toepassing zijn, bewijst niet dat een exemplaar van deze algemene verkoopsvoorwaarden (zij het in het Nederlands of in het Duits) werd toegezonden, zoals de eerste rechter terecht oordeelde. Bovendien is het niet omdat appellante een Duitse vertaling van haar algemene voorwaarden voorlegt, dat zij ook bewijst dat deze vertaling aan geïntimeerde werd toegezonden.

Louter ter beantwoording van de argumentatie van appellante merkt het hof bijkomend op dat een enkele verwijzing naar algemene voorwaarden in de ingebrekestelling van 19 maart 2007 gericht aan geïntimeerde niet van aard is te bewijzen dat de handelsbetrekkingen tussen partijen beheerst worden door de factuurvoorwaarden. Hetzelfde geldt met betrekking tot de thans in hoger beroep bijgebrachte verklaring van de heer R. die in het geheel niet bewijst dat geïntimeerde kennis had van de algemene voorwaarden van appellante.

Voorts bewijst appellante niet, zoals geïntimeerde subsidiair aanvoert, dat er sprake is van een “schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst” in de zin van art. 23, eerste lid, a) van de EEX-verordening.

Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat geen geldig forumbeding in de zin van art. 23 van de EEX-verordening voorligt, zodat de rechtbank en thans het hof op grond van dit artikel geen internationale bevoegdheid heeft.

4. Appellante meent, subsidiair, dat de Belgische rechtbanken minstens rechtsmacht hebben op grond van “andere internationaalrechtelijke bepalingen”, waarbij zij verwijst naar art. 5 van de EEX-verordening en naar art. 96 van de Wet houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht (hierna: WIPR) van 16 juli 2004.

Op grond van art. 5, eerste lid van de EEX-verordening kan appellante geïntimeerde dagvaarden, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis, die aan de vordering ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.

Terecht voert geïntimeerde aan dat, anders dan in het EEX-verdrag, in de EEX-verordening nr. 44/2001 voor twee belangrijke contracten, namelijk koop- en dienstencontracten, bepaald wordt welke de bevoegdheidsbepalende plaats is.

Art. 5, eerste lid, b) van de EEX-verordening bepaalt:

“Voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

...

– voor de verstrekking van diensten: de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt moeten worden”.

De plaats van de verstrekking van de diensten is derhalve bevoegdheidsbepalend en dit afgezien van de aard van de verbintenis die aan de vordering ten grondslag ligt.

Vereist is dat de overeenkomst betrekking heeft op de verstrekking van diensten (wat in casu niet betwist wordt door appellante; er is in de inleidende dagvaarding sprake van een samenwerking in het raam van verkoop) en dat bepaald wordt waar volgens de overeenkomst de diensten werden verstrekt.

In een arrest van het Hof van Cassatie van 5 december 2008 (C.07.0175.N, www.cass.be) werd beslist dat de “plaats van levering” van art. 5, eerste lid, b) van de EEX-verordening niet afhankelijk is van de bedingen gesloten tussen partijen over de plaats van de levering maar van “de plaats waar de goederen in werkelijkheid werden geleverd of dienden te worden geleverd”.

In casu blijkt dat geïntimeerde actief was op de Oostenrijkse markt. Op alle opdrachtbevestigingen wordt overigens het adres van geïntimeerde in Oostenrijk vermeld als leveringsadres.

Ook op basis van de alternatieve bevoegdheidsgrond van art. 5, eerste lid, b) van de EEX-verordening hebben de Belgische rechtbanken geen rechtsmacht om kennis te nemen van dit geschil.

Ten slotte dient opgemerkt te worden dat art. 96 van het WIPR met toepassing van art. 2 van het WIPR terzijde geschoven wordt door de EEX-verordening, zodat elke verwijzing hiernaar door appellante irrelevant is in voorliggend geschil.

Op basis van art. 2 van de EEX-verordening diende geïntimeerde als inwoner van Oostenrijk voor de Oostenrijkse rechtbanken opgeroepen te worden.

Besluit: het hoger beroep faalt en het vonnis a quo wordt bevestigd.

...

 

Noot: 

Relatiiviteit van het hoger beroep en van beroepsgrieven, RABG, 2011, 722, Noot onder Antwerpen 20 maart 201, RABG, 2011, 719, ook gepubliceerd middels een link op www.clijmansadvocaten.be

Rechtspraak 

• Antwerpen 20 maart 201, RABG, 2011, 719, met noot N. Clijmans ook gepubliveerd middels een link op www.clijmansadvocaten.be

Samenvatting

Overeenkomstig het beschikkingsbeginsel behoort het aan de appellant om zelf de perken te bepalen binnen dewelke de appelrechter zijn bevoegdheid zal kunnen uitoefenen. Hij beschikt aldus eerst en vooral over de mogelijkheid om het voorwerp van zijn verhaal te beperken door enkel beroep in te stellen tegen bepaalde beschikkingen van de bestreden beslissing.

Artikel 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid, de uiteenzetting van de grieven vermeldt.

Deze nietigheid is niet van openbare orde en kan dan ook enkel door de geïntimeerde in limine litis worden opgeworpen.

De motivering van de akte van hoger beroep valt niet onder de voorschriften van artikel 862 van het Gerechtelijk Wetboek, met als gevolg dat de nietigheid enkel zal mogen worden uitgesproken in zoverre overeenkomstig artikel 861 Ger.W. een belangenschade wordt aangetoond in hoofde van de partij die de nietigheid inroept.

De vermelding in een beroepsakte dat hoger beroep wordt ingesteld tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis, die enkel inhoudelijk de beoordeling in eerste aanleg van de hoofdvordering bekritiseert, verhindert niet dat in navolgende beroepsconclusies de appellant voor het eerst uitdrukkelijk kritiek uit op de beoordeling door de eerste rechter van de tegenvordering voor zover de belangen van de wederpartij daardoor niet werden geschaad.

 

(N.C./K.)

( ... )

2. Beoordeling

2.1. Over de oorspronkelijke hoofdvordering

2.1.1. De door geïntimeerde ingestelde vordering strekt tot terugbetaling van aan appellante onverschuldigd betaalde wedde en onverschuldigd uitbetaald vakantiegeld.

( ... )

Uit de samenhang van het eerste en van het 2de lid van artikel 7 § 2 van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën volgt dat de terugvordering van het verschuldigde pas kan worden ingesteld nadat een vraag tot terugbetaling bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis van de schuldenaar werd gebracht overeenkomstig de bepalingen van artikel 7 § 2, 1 ste lid van voormelde wet.

De wet van 6 februari 1970 is van openbare orde, zodat dient te worden aangenomen dat bij gebrek aan een geldige vraag tot terugbetaling, ter kennis gebracht binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van 1 januari van het jaar van de betaling, de terugvordering niet alleen maar niet rechtsgeldig kan worden ingesteld maar bovendien ook dat zij verjaard is.

In casu ligt er geen geldige vraag tot terugbetaling, noch van de teruggevorderde onverschuldigd uitbetaalde wedde, noch van het teruggevorderde onverschuldigd uitbetaald vakantiegeld, ter kennis gebracht binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar van de betaling.

De oorspronkelijke hoofdvordering dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2. Over de oorspronkelijke tegenvordering

2.2.1. Overeenkomstig het beschikkingsbeginsel behoort het aan de appellant om zelf de perken te bepalen binnen dewelke de appelrechter zijn bevoegdheid zal kunnen uitoefenen. Hij beschikt aldus eerst en vooral over de mogelijkheid om het voorwerp van zijn verhaal te beperken door enkel beroep in te stellen tegen bepaalde beschikkingen van de bestreden beslissing (G. CLOSSET-MARCHAL, J.-Fr. VAN DROOGHENBROECK, S. UHLLG en A. DECROËS, "Examen de jurisprudence. Droit judiciaire privé. Les voies de recours (1993 à 2005)", RCJB 2006, nr. 253, p. 286).

Uit de vermeldingen in het verzoekschrift tot hoger beroep blijkt dat appellante hoger beroep heeft ingesteld tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis, doch weliswaar geen grieven heeft aangevoerd ten aanzien van de afwijzing door de eerste rechter van de door haar in eerste aanleg ingestelde tegenvordering.

Uit het gebrek aan grieven in dit verband kan evenwel niet worden afgeleid dat appellante haar hoger beroep heeft willen beperken tot de beschikkingen van het bestreden vonnis met betrekking tot de oorspronkelijke hoofdvordering, gezien de uitdrukkelijke vermelding van het instellen van het hoger beroep tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis.

Artikel 1057, 7° van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt echter dat de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid, de uiteenzetting van de grieven vermeldt.

Deze nietigheid is niet van openbare orde en kan dan ook enkel door de geïntimeerde in limine litis worden opgeworpen. Door het Hof dient te worden vastgesteld dat geïntimeerde deze nietigheid van de akte van hoger beroep niet heeft opgeworpen in haar conclusie neergelegd op 7 april 2009, zodat de nietigheid reeds om deze reden gedekt is (G. CLOSSET-MARCHAL, J.-Fr. VAN DROOGHENBROECK, S. UHLLG en A. DECROËS, "Examen de jurisprudence. Droit judiciaire privé. Les voies de recours (1993 à 2005)", RCJB 2006, nr. 204, p. 218).

Ten overvloede dient te worden opgemerkt dat de motivering van de akte van hoger beroep niet valt onder de voorschriften van artikel 862 van het Gerechtelijk Wetboek, met als gevolg dat de nietigheid enkel zal mogen worden uitgesproken in zoverre overeenkomstig artikel 861 Ger.W. een belangenschade wordt aangetoond in hoofde van de partij die de nietigheid inroept (G. CLOSSET-MARCHAL, J.-Fr. VAN DROOGHENBROECK, S. UHLLG en A. DECROËS, "Examen de jurisprudence. Droit judiciaire privé. Les voies de recours (1993 à 2005)", RCJB 2006, nr. 204, p. 218).

Geïntimeerde voert geen belangenschade aan noch bewijst zulks.

Het hoger beroep is derhalve evenzeer ontvankelijk in zoverre het tegen de afwijzing van de oorspronkelijke tegenvordering gericht is.

2.2.2. Door appellante wordt niet ernstig betwist dat zij onverschuldigde wedden en vakantiegeld van geïntimeerde mocht ontvangen, ingevolge door haar organen in strijd met de wetten en reglementen ter zake genomen beslissingen.

Zelfs al zou uit de daaropvolgende beslissingen, die uiteindelijk tot de terugvordering van de onverschuldigde betalingen hebben geleid, enige schending van beginselen van behoorlijk bestuur kunnen worden afgeleid, dan nog dient door het Hof te worden vastgesteld dat appellante als gevolg hiervan geen enkele schade, materieel noch moreel, kan hebben geleden, nu zij steeds het genot van onverschuldigde betalingen is blijven genieten, die zij derhalve in strijd met wettelijke bepalingen heeft ontvangen. Ten overvloede ontbreekt dan ook eveneens enig rechtmatig belang om schadevergoeding te vorderen.

Appellante bewijst bovendien op generlei wijze de materialiteit noch de hoegrootheid van de door haar beweerde schade.

De tegenvordering faalt derhalve eveneens zo in feite als in rechte.

2.3. Over de kosten

Naar luid van artikel 1017, 4, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen de kosten worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders en zusters of aanverwanten in dezelfde graad.

Nu zo de oorspronkelijke hoofdvordering van geïntimeerde als de oorspronkelijke tegenvordering van appellante dienen te worden afgewezen, komt het het Hof gepast voor om de kosten zo in eerste aanleg als in hoger beroep tussen partijen om te slaan.

OM DEZE REDENEN, HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep tegen alle beschikkingen van het bestreden vonnis ontvankelijk, en deels gegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond verklaart;

Doet het bestreden vonnis voor het overige teniet, en opnieuw rechtdoende; Verklaart de hoofdvordering van geïntimeerde niet-ontvankelijk;

Wijst partijen van hun wederzijdse vorderingen dienvolgens af en veroordeelt hen ieder tot hun eigen kosten van beide aanleggen;

Slaat de rechtsplegingsvergoedingen zo in eerste aanleg als in hoger beroep om. Waar aanwezig was: S. Berneman, alleenzetelend raadsheer.



Overige Rechtsleer:

• K.BROECKX, “De grieven in de beroepsakte. Het arrest van het Hof van Cassatie van 16 december 1994”, R.Cass. 1995, 182; M. CASTERMANS, Gerechtelijk privaatrecht, Gent, Story Publishers, 2009, 648-649;



• G.DE LEVAL, Eléments de procédure civile, Brussel, Larcier, 2005, 317.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 08/09/2012 - 04:16
Laatst aangepast op: vr, 22/06/2018 - 21:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.