-A +A

Hoedanigheid partijen in hoger beroep

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 19/05/2016
A.R.: 
C.11.0442.F

De ontvankelijkheid van het incidenteel beroep dient in de regel te worden beoordeeld op het ogenblik dat het wordt ingesteld

Gedaagde in hoger beroep is zowel de partij tegen wie een hoofdberoep is gericht als de partij die gedaagd werd door een andere gedaagde in hoger beroep, appellant op incidenteel beroep, voor zover ten minste van haar iets wordt gevorderd; een partij van wie door diegene die het hoger beroep heeft ingesteld niets wordt gevorderd, kan niet worden beschouwd als een gedaagde in hoger beroep, die incidenteel beroep kan instellen.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1319
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(V. NV / P.B. q.q., V.V., L.V. en D.B. NV - Rolnr.: C.14.0301.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 30 september 2013.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 18 maart 2016 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. Cassatiemiddel
De eiseres voert in haar verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Ontvankelijkheid van het middel
1. De eerste verweerder werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: het middel heeft geen belang, vooreerst omdat het ingaat tegen de stelling die de eiseres voor het hof van beroep verdedigde, namelijk dat zij de afstand aannam, en verder omdat zij in haar appelconclusie van 17 mei 2013 vorderde dat haar incidenteel beroep zonder voorwerp zou worden verklaard.

2. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat het voormelde verweer van de eiseres enkel betrekking had op de hypothese dat de voorwaardelijke afstand van de eerste verweerder door de appelrechters zou worden ingewilligd, hetgeen niet het geval was.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid van het middel
3. Krachtens artikel 1054, eerste lid Gerechtelijk Wetboek kan de gedaagde in hoger beroep te allen tijde incidenteel beroep instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep.

4. Gedaagde in hoger beroep is zowel de partij tegen wie een hoofdberoep is gericht als de partij die gedaagd werd door een andere gedaagde in hoger beroep, appellant op incidenteel beroep, voor zover ten minste van haar iets wordt gevorderd.

Een partij van wie door diegene die het hoger beroep heeft ingesteld niets wordt gevorderd, kan niet worden beschouwd als een gedaagde in hoger beroep, die incidenteel beroep kan instellen.

De ontvankelijkheid van het incidenteel beroep dient in de regel te worden beoordeeld op het ogenblik dat het wordt ingesteld.

5. Artikel 748bis Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat onverminderd de toepassing van artikel 748, § 2, en behoudens in het geval van conclusies die er slechts toe strekken om een of meer van de in artikel 19, tweede lid bedoelde maatregelen te verzoeken, een tussengeschil op te werpen dat aan het geding geen einde maakt of te antwoorden op het advies van het Openbaar Ministerie, de laatste conclusie van een partij de vorm aanneemt van een syntheseconclusie en dat voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3° de syntheseconclusie alle vorige conclusies vervangt en desgevallend de gedinginleidende akte van de partij die de syntheseconclusie neerlegt.

Uit deze bepaling volgt dat het onderwerp van de vorderingen uitsluitend wordt bepaald door de syntheseconclusie en de rechter geen uitspraak meer vermag te doen over een punt van de vordering dat niet wordt herhaald in de syntheseconclusie.

Uit deze bepaling volgt niet dat aan de voorafgaande conclusies hun rechtsgevolgen worden ontnomen. Dit is het geval wat de ontvankelijkheid betreft van de hierin opgenomen vorderingen of rechtsmiddelen of van de vorderingen of rechtsmiddelen die erop worden geënt.

6. Uit wat voorafgaat volgt dat de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep verworven ingevolge een eerder incidenteel beroep van een andere partij, in beginsel niet ongedaan wordt gemaakt door een latere wijziging van dit incidenteel beroep in de syntheseconclusie.

7. De appelrechters die voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het incidenteel beroep van de eiseres niet het ogenblik van het formuleren van dit incidenteel beroep in aanmerking nemen, maar de ontvankelijkheid ervan laten afhangen van het in de laatste conclusie van de eerste verweerder ten aanzien van de eiseres gewijzigde incidenteel beroep, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Verklaart dit arrest bindend ten aanzien van de tot bindendverklaring opgeroepen partij.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Voorziening in cassatie

Aan de heren eerste voorzitter en voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de dames en heren raadsheren in het Hof van Cassatie,

Hooggeachte dames en heren,

De eiseres heeft de eer aan het toezicht van uw Hof het arrest voor te leggen dat op 30 september 2013 tussen de partijen werd uitgesproken door de 4de burgerlijke kamer van hof van beroep te Antwerpen (AR nr. 2011/AR/2558).

Voorgaanden
Het appelgerecht zet de voorgaanden uiteen op de pagina's 3 t.e.m. 16 (nr. 1 - 19) van het bestreden arrest.

De eiseres verwijst naar die uiteenzetting, waarvan de te dezen relevante voorgaanden de volgende zijn.

Bij het beroepen vonnis van de rechtbank van koophandel te Hasselt van 5 juli 2011 werd als volgt geoordeeld:

de rechtbank verklaarde de vordering van de eerste verweerder deels gegrond en de tussenvorderingen van de tweede en derde verweerders ontvankelijk;
de rechtbank veroordeelde de partij in gemeenverklaring en de eiseres wegens schending van de exclusiviteitsverplichting solidair tot betaling aan de eerste verweerder van een schadevergoeding van 89.077,97 EUR, meer de bepaalde interesten en te verminderen met het betaalde bedrag van 38.416,03 EUR;
de partij in gemeenverklaring werd veroordeeld tot betaling aan de eerste verweerder van een vervangende opzeggingsvergoeding van 736.335,08 EUR, te vermeerderen met de bepaalde interesten;
de partij in gemeenverklaring werd verder ook veroordeeld tot betaling aan de eerste verweerder van een billijke bijkomende vergoeding van 136.576,88 EUR, te vermeerderen met de bepaalde interesten en te verminderen met het betaalde bedrag van 80.565,39 EUR;
de rechtbank hield de behandeling van de gegrondheid van de tussenvorderingen van de tweede en derde verweerders, die respectievelijk 75.000 EUR provisioneel en 50.000 EUR provisioneel vorderden, aan en stelde de behandeling in voortzetting op de zitting van 16 november 2011.
Tegen dit vonnis van de rechtbank van koophandel te Hasselt van 5 juli 2011 stelde de partij in gemeenverklaring op 31 augustus 2011 hoger beroep in, waarbij zowel de eerste, tweede en derde verweerders als de eiseres in de beroepsprocedure werden betrokken.

Het appelgerecht sprak op 2 januari 2012 een eerste, niet bestreden, tussenarrest uit, waarbij het hoger beroep van de partij in gemeenverklaring ontvankelijk werd verklaard; dit werd bevestigd in het bestreden arrest.

In het bestreden arrest geeft het appelgerecht te kennen dat de eerste verweerder, gedaagde in hoger beroep, voorheen incidenteel beroep instelde tegen de eiseres (p. 18, nr. 23, al. 3).

Uit het dossier van de rechtspleging waarop uw Hof acht mag slaan blijkt dat de eerste verweerder meer bepaald bij zijn conclusie d.d. 10 november 2011 incidenteel beroep instelde tegen de eiseres en dat de eiseres meer bepaald bij haar “1ste conclusie na tussenarrest”, neergelegd op 15 februari 2012, incidenteel beroep instelde zowel tegen de eerste verweerder als tegen de tweede en derde verweerders.

In zijn laatste “Conclusie beperkt tot procedurele aspecten en met verzoek tot kapitalisatie van rente” voert de eerste verweerder aan dat het incidenteel beroep van de eiseres niet ontvankelijk is (p. 2-3, nr. 1 en p. 7). In hun laatste “Syntheseconclusie met betrekking tot de procedurele aspecten” voeren de tweede en derde verweerders aan dat het incidenteel beroep van de eiseres niet ontvankelijk is (p. 3-4, p. 13). In haar laatste “Syntheseconclusies na zitting d.d. 5 maart 2013” voerde de eiseres aan dat de eerste verweerder bij conclusie d.d. 10 november 2011 incidenteel beroep heeft ingesteld tegen de eiseres (p. 5, nr. 2), waardoor de eiseres de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep verkreeg en bij conclusie d.d. 15 februari 2012 op toelaatbare wijze incidenteel beroep instelde tegen zowel de eerste verweerder als tegen de tweede en derde verweerders (p. 6, nr. 3, p. 14 en 15).

Het appelgerecht velt in het bestreden arrest een “eindvonnis” over dit geschilpunt, namelijk over de ontvankelijkheid van het incidenteel beroep van de eiseres geënt op het incidenteel beroep van de eerste verweerder. Het geeft te kennen dat dit incidenteel beroep van de eiseres niet toelaatbaar is omdat het appelgerecht enkel rekening mag houden met de laatste conclusies van de partijen en de eerste verweerder in zijn laatste conclusie, anders dan voorheen, zijn incidenteel beroep niet meer richt tegen de eiseres, dat hij dat enkel nog in louter ondergeschikte orde doet in de onmogelijk geachte hypothese dat het incidenteel beroep van de eiseres zelf toelaatbaar zou worden verklaard (bestreden arrest, p. 18, nr. 23, p. 27-29, nrs. 31-34).

Tegen het bestreden arrest d.d. 30 september 2013 voert de eiseres het volgende cassatiemiddel aan.

Middel tot cassatie
Geschonden wetsbepalingen
De artikelen 820, 825, 826, 1054 en 1056, aanhef en 4° Gerechtelijk Wetboek en voor zoveel als nodig 748bis en 780, eerste lid, 3° van hetzelfde wetboek.

Aangevochten beslissing
Het appelgerecht oordeelt in het bestreden arrest op impliciete doch zekere wijze dat de eiseres niet de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep heeft verkregen ingevolge het incidenteel beroep dat de eerste verweerder voorheen tegen de eiseres instelde, te weten bij conclusie in hoger beroep d.d. 10 november 2011. Het verklaart op impliciete doch zekere wijze het incidenteel beroep van de eiseres, dat hierop geënt was en gericht tegen zowel de eerste verweerder als tegen de tweede en derde verweerders, bijgevolg niet toelaatbaar.

Deze beslissing steunt op de volgende overwegingen van het bestreden arrest (p. 16-30):

“Akte van hoger beroep
20.

Tegen dit vonnis van de rechtbank van koophandel te Hasselt van 5 juli 2011 werd dan hoger beroep ingesteld op 31 augustus 2011 door [de partij in gemeenverklaring].

Dit hoger beroep werd duidelijk gericht tegen [de eerste verweerder].

Verder vermeldt het verzoekschrift dat de oorspronkelijke vordering ook gericht was tegen [de eiseres] en vermeldt de 'aanwezigheid van [de tweede en derde verweerders]' in de beroepsprocedure, zonder te specificeren of ze ook als gedaagden in hoger beroep of geïntimeerden moesten worden aangemerkt.

[De partij in gemeenverklaring] vorderde de hervorming van het bestreden vonnis door afwijzing van de oorspronkelijke eis van [de eerste verweerder] als ongegrond, en door afwijzing van de vordering van de [tweede en derde verweerders] als onontvankelijk, minstens ongegrond.

Verder vroeg zij de veroordeling van 'de geïntimeerde' tot de kosten van beide aanleggen, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 30.000 EUR per aanleg en de veroordeling van 'de [tweede en derde verweerders]' tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 10.000 EUR per aanleg.

(…)

23.

Partijen hebben in hun nieuwe conclusies die qua argumentatie betrekking hadden op de ter zitting van 24 juni 2013 te behandelen procedurele aspecten, in het beschikkende gedeelte zeer precies vermeld wat zij thans in deze procedure nog vorderen.

Het hof kan rekening houdend met artikel 748bis Ger.W. krachtens hetwelk alleszins het onderwerp van de vorderingen bepaald wordt door de formulering ervan in de laatste conclusies waarin ze zijn gesteld, enkel rekening houden met de eisen die in de laatste conclusies (die van rechtswege de eerder op 16 en 19 april 2013 neergelegde conclusies vervingen) zijn geformuleerd. Eisen die niet in de laatste conclusies werden hernomen, worden als niet gesteld aangemerkt (vgl. in die zin ook bv. Cass. 29 maart 2012, RABG 2012, 727, noot B. Maes). Hoe dan ook vervangen de eisen in laatste conclusie sedert de wetswijziging van 26 april 2007 (BS 12 juni 2007) de eisen in vorige conclusies, gegeven dat niet terzijde geschoven kan worden met verwijzing naar de regels inzake afstand van geding of rechtsvordering (zie in die zin ook de 4de overweging m.b.t. het eerste onderdeel van Cass. 29 maart 2012, hoger geciteerd.

Hierbij is specifiek van belang dat [de eerste verweerder] zijn incidenteel hoger beroep, anders dan voorheen niet meer richt tegen [eiseres] en dat enkel nog in louter ondergeschikte orde doet en dat uitsluitend in de onmogelijk geachte hypothese dat het incidenteel beroep van [eiseres] zelf toelaatbaar zou worden verklaard, situatie die door [eiseres] - ten onrechte - blijkt te worden geïnterpreteerd als een 'afstand van vordering' die zij verklaart te aanvaarden.

Vorderingen in laatste conclusies
(…)

25.

De [eerste verweerder] concludeert thans tot de ongegrondheid van het hoger beroep van [de partij in gemeenverklaring] en tot onontvankelijkheid van het incidenteel beroep van [eiseres].

Hij stelt in hoofdorde enkel tegen [de partij in gemeenverklaring] incidenteel beroep in […].

(…)

In ondergeschikte orde, 'in de onmogelijke situatie dat het hof het incidenteel beroep van [eiseres] ontvankelijk zou verklaren' vordert [de eerste verweerder] de afwijzing van het hoofdberoep en van het incidenteel beroep van [eiseres] als ongegrond en vordert hij de hervorming van het bestreden vonnis, door de veroordeling van [de partij in gemeenverklaring] en [eiseres] […].

(…)

26.

[Eiseres] concludeert op 17 mei 2013, als volgt.

Zij splitst het beschikkende gedeelte van haar syntheseconclusie op naar de oorspronkelijke rolnummers.

[Eiseres] concludeert in de oorspronkelijke zaak 91/3664 tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep van [de partij in gemeenverklaring] en zij gedraagt zich naar de wijsheid met betrekking tot de gegrondheid van dat hoger beroep.

Zij concludeert in die zaak bovendien verder tot de ontvankelijkheid van het incidenteel beroep van [de eerste verweerder] tegen haar en zij vraagt dat akte wordt genomen van de afstand van vordering door [de eerste verweerder] van zijn vordering lastens haarzelf.

In ondergeschikte orde vraagt zij het incidenteel beroep van [de eerste verweerder] ongegrond te verklaren.

Bovendien stelt zij ook zelf incidenteel beroep in. In hoofdorde vraagt zij haar incidenteel beroep ontvankelijk te verklaren 'doch ingevolge de afstand van vordering van ([de eerste verweerder]) lastens de [eiseres]' dit incidenteel beroep van haarzelf tegen [de eerste verweerder] zonder voorwerp te verklaren (sic).

In ondergeschikte orde vraagt zij dat het hof rechtsprekend op haar incidenteel beroep het bestreden vonnis zou hervormen met betrekking tot alle beschikkingen die lastens haar ([eiseres]) werden uitgesproken.

Zij vordert dat dan opnieuw rechtsprekend, de vordering van [de eerste verweerder] ontvankelijk doch slechts gegrond zou worden verklaard […].

(…)

M.b.t. het oordeel van de eerste rechter over de vorderingen van de [tweede en derde verweerders], stelt [eiseres] zelf incidenteel beroep in. Zij vordert dat hoe dan ook de vorderingen van de [tweede en derde verweerders] niet toelaatbaar en ontvankelijk zouden worden verklaard, minstens afgewezen als ongegrond.

(…)

27.

[Tweede en derde verweerders] concluderen op 17 mei 2013 als volgt.

Zij werpen op dat het bestreden vonnis in kracht van gewijsde is getreden t.o.v. [eiseres] en zij werpen de onontvankelijkheid op van het incidenteel beroep van [eiseres].

Zij vorderen dat hun vorderingen in vrijwillige tussenkomst ontvankelijk en gegrond zouden worden verklaard en dat [de partij in gemeenverklaring] en [eiseres] solidair, in solidum minstens gezamenlijk veroordeeld zouden worden […].

(…)

Toelaatbaarheid hoofdberoep
28.

Bij tussenarrest van 2 januari 2012 werd het hoofdberoep van [de partij in gemeenverklaring], ingesteld bij verzoekschrift, ter griffie van dit hof neergelegd op 31 augustus 2011, reeds als ontvankelijk/toelaatbaar aangemerkt.

De rechtsmacht van het hof [van beroep] ter zake is uitgeput.

Hoewel het verzoekschrift niet duidelijk vermeldt welke partijen als geïntimeerden aan te merken zijn, staat afdoende vast dat dit hoger beroep gericht was tegen [de eerste verweerder] en tegen [de tweede en derde verweerders].

Het hoger beroep werd niet gericht tegen [eiseres], aan wie het verzoekschrift evenwel werd aangezegd. [Eiseres] is enkel inzake geroepen zonder dat het hoofdberoep tegen haar werd gericht; met de akte van hoger beroep heeft zij nog niet de hoedanigheid van geïntimeerde of gedaagde in hoger beroep in de zin van artikel 1054 Ger.W. gekregen daar [de partij in gemeenverklaring] niets van haar vorderde (zie ook in die zin Cass. 24 april 1987, Arr.Cass. 1987, 1127 en Cass. 24 december 1990, Arr.Cass. 1990-91, 459).

Toelaatbaarheid van het incidenteel beroep van [de eerste verweerder]
29.

Omdat het hoofdberoep gericht was tegen [de eerste verweerder], heeft deze de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep of geïntimeerde, en kon hij dus ook incidenteel beroep instellen tegen het vonnis van 5 juli 2011 dat de oorspronkelijke vordering van [de eerste verweerder] niet integraal had toegekend. Bovendien staat zijn belang bij zulk een incidenteel beroep vast.

In zijn laatste conclusie wordt het incidenteel beroep van [de eerste verweerder] in hoofdorde uitsluitend gericht tegen [de partij in gemeenverklaring]. Enkel 'in de onmogelijke situatie dat het hof het incidenteel beroep van [eiseres] ontvankelijk zou verklaren' (sic: conclusie, neergelegd op 17 mei 2013, p. 11/14, voorlaatste alinea), stelt hij ook incidenteel beroep in tegen [eiseres]. Het betreft dus een louter voorwaardelijk incidenteel beroep tegen [eiseres] dat enkel verwerkelijkt wordt in de veronderstelling dat het hof het incidenteel beroep van [eiseres] ontvankelijk/toelaatbaar zou verklaren.

Het incidenteel beroep van [de eerste verweerder] tegen [de partij in gemeenverklaring] is alleszins toelaatbaar. Een onderzoek naar de vraag of ook het ondergeschikte incidenteel beroep tegen [eiseres] toelaatbaar is, kan pas aan bod komen indien die ondergeschikt geformuleerde hypothese zich voordoet.

(…)

Toelaatbaarheid van het incidenteel beroep van [eiseres]
31.

In haar laatste conclusie vraagt [eiseres] haar eigen incidenteel beroep tegen [de eerste verweerder] ontvankelijk te verklaren, doch dit 'zonder voorwerp' te verklaren ingevolge de 'afstand van vordering van [de eerste verweerder] (…) lastens de [eiseres]'. Dat incidenteel beroep, dat in ondergeschikte orde gehandhaafd blijft, strekt tot afwijzing van alle vorderingen van [de eerste verweerder] in zoverre ze de door [eiseres] genoemde sommen overstijgen.

Bovendien stelt [eiseres] ook incidenteel beroep in tegen [tweede en derde verweerders], opdat de tussenvorderingen die door hen als vrijwillig tussenkomende partijen voor de eerste rechter werden ingesteld en die door de eerste rechter ontvankelijk werden verklaard, onontvankelijk of ontoelaatbaar zouden worden verklaard.

Zowel [de eerste verweerder] als [tweede en derde verweerders] werpen de onontvankelijkheid (ontoelaatbaarheid) op van het incidenteel beroep van [eiseres] tegen hen. Zij argumenteren dat [eiseres] niet de hoedanigheid heeft van gedaagde in hoger beroep (geïntimeerde) in de zin van artikel 1054 Ger.W. en derhalve ook geen toelaatbaar incidenteel beroep kon instellen.

32.

Krachtens artikel 1054 Ger.W. kan een incidenteel beroep enkel ingesteld worden door een gedaagde in hoger beroep, dit is vooreerst iemand van wie iets gevorderd wordt door de appellant die het hoofdberoep heeft ingesteld. De gedaagde in hoger beroep kan incidenteel beroep instellen tegen alle partijen die voor de rechter in hoger beroep in het geding zijn, dus niet enkel tegen de appellant of tegen de medegeïntimeerden.

33.

Hoger onder randnr. 28 werd reeds geoordeeld dat het verzoekschrift waarmee het hoofdberoep werd ingesteld niet gericht werd tegen [eiseres], die met de neerlegging van dat verzoekschrift niet de hoedanigheid van geïntimeerde of gedaagde in hoger beroep in de zin van artikel 1054 Ger.W. heeft gekregen omdat [de partij in gemeenverklaring] in die akte niets van haar vorderde.

34.

[Eiseres] argumenteert dat zij wel de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep of geïntimeerde heeft gekregen omdat [de eerste verweerder] op zijn beurt incidenteel beroep tegen haar heeft ingesteld.

[Eiseres] werpt terecht op dat zowel de gedaagde tegen wie een hoofdberoep is gericht, als diegene die gedaagd werd door een appellant op incidenteel beroep, de hoedanigheid heeft van een gedaagde in hoger beroep die op zijn beurt incidenteel beroep kan instellen (zie ook in die zin: Cass. 1 juni 2001, RW 2001-02, 379; Cass. 6 november 2009, inzake AR C.08.0537.F, www.cass.be).

Rekening houdend met hetgeen hoger onder randnr. 23 werd overwogen, moet het hof echter vaststellen dat [de eerste verweerder] slechts een louter ondergeschikt incidenteel beroep tegen [eiseres] instelt in de enige en door hem als onmogelijk afgedane hypothese dat het hof het incidenteel beroep van [eiseres] toch als toelaatbaar zou aanmerken, waardoor eerst de toelaatbaarheid van het incidenteel beroep van [eiseres] moet worden onderzocht in de in hoofdorde geschetste situatie waarin door hem geen incidenteel beroep tegen [eiseres] wordt ingesteld.

Omdat [eiseres] niet zomaar de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep heeft gekregen door het louter ondergeschikt incidenteel beroep van [de eerste verweerder] en zij bij toepassing van artikel 1054, eerste lid Ger.W. alleszins die hoedanigheid moet hebben om zelf (tegen gelijk welke andere in geding in hoger beroep aanwezig zijnde partij) een toelaatbaar incidenteel beroep te kunnen instellen, moet vervolgens onderzocht worden of zij die hoedanigheid dan mogelijkerwijze heeft gekregen doordat [twee en derde verweerders] een impliciet incidenteel beroep tegen haar zouden hebben ingesteld.

De eerste rechter heeft hun vordering ontvankelijk verklaard en overwogen dat zij geen enkel boekhoudkundig bewijs van hun stelling bijbrachten, waardoor - op het door de eerste rechter beoordeelde ogenblik - het bewijs van het oorzakelijk verband nog 'niet op afdoende wijze aangetoond' was en het onafwendbaar geacht werd ter zake weer een expertise te bevelen, maar dat het opportuun leek om de beslissing over hun vordering in voorzetting te stellen om partijen de gelegenheid te geven tot een onderhandelde oplossing te komen.

[Tweede en derde verweerders] vorderen alleszins dat hun in laatste conclusie geformuleerde vorderingen - kennelijk ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep overeenkomstig artikel 1068 Ger.W. - door het hof zouden worden toegekend. De vorderingen zijn ook gericht tegen [eiseres] en in de mate dat het gelet op het oordeel van de eerste rechter over het toenmalig gebrek aan bewijs, om een ook tegen [eiseres] gericht impliciet incidenteel beroep zou gaan, zou de hoedanigheid van [eiseres] als gedaagde in hoger beroep kunnen worden aangenomen en zou dier eigen incidenteel beroep derhalve als toelaatbaar kunnen worden aangemerkt.

Partijen hebben hierover geen standpunt ingenomen en in het licht van hun rechten van verdediging en het belang van deze vraag voor de verdere beoordeling van het geschil, dienen de debatten te worden heropend om partijen de gelegenheid te geven hierover verder standpunt in te nemen.

[…]

Alvorens verder recht te spreken, beveelt het hof de heropening der debatten om partijen toe te laten standpunt in te nemen over de door het hof onder randnr. 34 van dit arrest opgeworpen vragen, met name over de vraag of de [eiseres] de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep heeft gekregen door een mogelijk impliciet incidenteel beroep vanwege de [tweede en derde verweerders] tegen haar, wat dan de toelaatbaarheid van het incidenteel beroep van [eiseres] zou kunnen impliceren.”

Grieven:
1. Het appelgerecht overweegt het volgende in het bestreden arrest:

de partij in gemeenverklaring stelde op 31 augustus 2011 hoger beroep in tegen het beroepen vonnis van de rechtbank van koophandel te Hasselt d.d. 5 juli 2011 (bestreden arrest, p. 16-17, nr. 20, p. 26, nr. 28);
in het niet bestreden tussenarrest d.d. 2 januari 2012 verklaart het appelgerecht het hoger beroep van de partij in gemeenverklaring toelaatbaar (ibidem en bevestigt in het dictum van het bestreden arrest);
de partij in gemeenverklaring vorderde de hervorming van het bestreden vonnis door afwijzing van de oorspronkelijke eis van de eerste verweerder als ongegrond en door afwijzing van de vordering van de tweede en derde verweerders als onontvankelijk, minstens ongegrond (bestreden arrest, p. 17, al. 2) dit hoger beroep was duidelijk gericht tegen de eerste verweerder en tegen de tweede en derde verweerders (ibid., p. 26-27, nr. 28);
het hoger beroep van de partij in gemeenverklaring was niet gericht tegen de eiseres, die enkel inzake werd geroepen; met de akte van hoger beroep heeft de eiseres dus nog niet de hoedanigheid van geïntimeerde of gedaagde in hoger beroep in de zin van artikel 1054 Gerechtelijk Wetboek gekregen (ibid., p. 27, al. 2, p. 28, nr. 33);
omdat het hoofdberoep gericht was tegen de eerste verweerder, heeft deze de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep en kon hij dus ook incidenteel beroep instellen (ibid., p. 27, nr. 29).
Uit het dossier van de rechtspleging in hoger beroep, waarop uw Hof acht mag slaan, blijkt in de voorliggende zaak:

dat de eerste verweerder bij zijn conclusie in hoger beroep d.d. 10 november 2011 incidenteel beroep instelde tegen de eiseres;
dat de eiseres met haar “1ste conclusies na tussenarrest”, die zij op 15 februari 2012 ter griffie van het hof van beroep neerlegde, incidenteel beroep instelde zowel tegen de eerste verweerder als tegen de tweede en derde verweerders.
Na beslist te hebben dat het enkel rekening houdt met de eisen die in de laatste conclusies zijn geformuleerd, overweegt het appelgerecht dat de eerste verweerder, anders dan voorheen [namelijk in zijn voormelde conclusie d.d. 10 november 2011], zijn incidenteel beroep niet meer richt tegen de eiseres, dat hij dat enkel nog in louter ondergeschikte orde doet in de onmogelijk geachte hypothese dat het incidenteel beroep van de eiseres zelf toelaatbaar zou worden verklaard (bestreden arrest, p. 18, nr. 23).

2. Uit de bepalingen van de artikelen 748bis en 780, eerste lid, 3° Gerechtelijk Wetboek volgt weliswaar dat het onderwerp van de vordering uitsluitend wordt bepaald door de syntheseconclusie.

Dit doet echter geen afbreuk aan de volgende regels die te dezen van toepassing zijn.

Artikel 1054 Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt:

“De gedaagde in hoger beroep kan te allen tijde incidenteel beroep instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep, zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of er vóór de betekening in berust heeft.

Het incidenteel beroep kan echter niet worden toegelaten wanneer het hoofdberoep nietig of laattijdig wordt verklaard.”

Zoals het appelgerecht naar recht overweegt in het bestreden arrest, heeft zowel de gedaagde tegen wie een hoofdberoep is gericht als diegene die gedaagd werd door een appellant op incidenteel beroep, de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep die op zijn beurt incidenteel beroep kan instellen (bestreden arrest, p. 28, nr. 34).

Krachtens artikel 1056, 4° Gerechtelijk Wetboek wordt het hoger beroep ingesteld bij conclusie, ten aanzien van iedere partij die bij het geding aanwezig of vertegenwoordigd is.

Artikel 820 Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt:

“Bij afstand van geding ziet de partij af van de rechtspleging die zij is begonnen met een hoofdvordering of met een tussenvordering.

Afstand van geding heeft niet ten gevolge dat het recht zal worden prijsgegeven.”

Artikel 825 Gerechtelijk Wetboek bepaalt het volgende:

“Om geldig te zijn moet de afstand van geding aangenomen worden door de partij aan wie hij is betekend, tenzij hij wordt gedaan alvorens de tegenpartij conclusie heeft genomen over het onderwerp van de vordering waarvan wordt afgezien.

In geval van betwisting wordt de afstand ingewilligd of in voorkomend geval geweigerd bij beslissing van de rechter.”

Krachtens artikel 826, eerste lid Gerechtelijk Wetboek houdt de afstand van geding die aangenomen is, van rechtswege in dat de partijen ermee instemmen dat de zaken over en weder in dezelfde staat worden teruggebracht alsof er geen geding geweest was.

Uit het geheel van de bepalingen van de artikelen 1054, 825 en 826 Gerechtelijk Wetboek volgt dat, wanneer door de eiser in hoger beroep afstand van geding is gedaan, het incidenteel beroep dat door de gedaagde in hoger beroep nadien wordt ingesteld, enkel dan niet ontvankelijk is, wanneer de gedaagde in hoger beroep de afstand van geding heeft aangenomen.

3. Uit al het voorgaande volgt:

dat door het incidenteel beroep dat de eerste verweerder voorheen, meer bepaald bij zijn voormelde conclusie d.d. 10 november 2011, instelde tegen de eiseres, de eiseres alleszins de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep heeft verkregen;
dat de eiseres bijgevolg met haar “1ste conclusies na tussenarrest”, die zij op 15 februari 2012 ter griffie van het hof van beroep neerlegde, op ontvankelijke wijze incidenteel beroep kon instellen tegen zowel de eerste verweerder als tegen de tweede en derde verweerders (art. 1054 en 1056, aanhef en 4° Ger.W.).
Het incidenteel beroep van de eiseres zowel tegen de eerste verweerder als tegen de tweede en derde verweerders is bijgevolg geënt op het voorafgaande incidenteel beroep van de eerste verweerder tegen haar. Hierdoor verkreeg de eiseres immers de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep die te allen tijde incidenteel beroep kan instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep (art. 1054 Ger.W.).

Het incidenteel beroep dat de eerste verweerder voorheen, namelijk bij zijn voormelde conclusie d.d. 10 november 2011, tegen de eiseres instelde werd niet ongedaan gemaakt doordat hij in zijn laatste conclusie zijn incidenteel beroep niet meer richtte tegen de eiseres en dat enkel nog in louter ondergeschikte orde deed in de onmogelijk geachte hypothese dat het incidenteel beroep van de eiseres zelf toelaatbaar zou worden verklaard (bestreden arrest, p. 18, nr. 23, al. 2-3).

Het appelgerecht oordeelt te dezen niet dat de eerste verweerder of de tweede en derde verweerders tegen de eiseres afstand van geding zouden gedaan hebben onder de voorwaarden bepaald door de voormelde artikelen 820, 825 en 826, eerste lid Gerechtelijk Wetboek. Alleszins blijkt niet uit het bestreden arrest of de stukken waarop uw Hof mag acht te slaan dat de eiseres incidenteel beroep zou hebben ingesteld nadat door de eerste verweerder of de tweede en derde verweerders afstand van geding zou gedaan zijn en de eiseres deze zou aangenomen hebben.

Het appelgerecht oordeelt uitdrukkelijk dat de eerste verweerder geen afstand van vordering heeft gedaan (bestreden arrest, p. 18, nr. 23, in fine).

De eiseres verloor in ieder geval niet haar hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep, die zij verwierf ingevolge het incidenteel beroep dat de eerste verweerder tegen haar instelde bij zijn conclusie d.d. 10 november 2011, doordat de eerste verweerder in zijn laatste conclusie zijn incidenteel beroep niet meer richtte tegen de eiseres en dat enkel nog in louter ondergeschikte orde deed in de onmogelijk geachte hypothese dat het incidenteel beroep van de eiseres zelf toelaatbaar zou worden verklaard (bestreden arrest, p. 18, nr. 23, al. 2-3).

4. Het appelgerecht geeft echter met de overwegingen onder randnrs. 23 en 31 t.e.m. 34 van het bestreden arrest te kennen dat het incidenteel beroep van de eiseres tegen de eerste, tweede en derde verweerders, in zoverre het, zoals voormeld, geënt is op het incidenteel beroep dat de eerste verweerder tegen haar instelde bij conclusie d.d. 10 november 2011, niet toelaatbaar is omdat de eerste verweerder anders dan voorheen, in zijn laatste conclusie zijn incidenteel beroep niet meer richt tegen de eiseres en dat enkel nog in louter ondergeschikte orde doet in de onmogelijk geachte hypothese dat het incidenteel beroep van de eiseres zelf toelaatbaar zou worden verklaard (bestreden arrest, p. 18, nr. 23 en rubriek: “Vorderingen in laatste conclusies”, p. 21-22, nr. 25, p. 27-29, nr. 34).

Door aldus te oordelen schendt het appelgerecht de voormelde artikelen 1054 en 1056, aanhef en 4° Gerechtelijk Wetboek en voor zoveel als nodig 748bis en 780, eerste lid, 3° van hetzelfde wetboek. Op grond van deze wetsbepalingen verkreeg de eiseres immers, zoals hierboven (nrs. 1-3) gesteld, de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep door het incidenteel beroep dat de eerste verweerder tegen haar instelde bij zijn voormelde conclusie d.d. 10 november 2011 en verloor zij die hoedanigheid niet doordat de eerste verweerder in zijn laatste conclusie, anders dan voorheen, zijn incidenteel beroep niet meer richtte tegen de eiseres en dat enkel nog deed in louter ondergeschikte orde in de onmogelijk geachte hypothese dat het incidenteel beroep van de eiseres zelf toelaatbaar zou worden verklaard.

Door aldus (nr. 4, al. 1) te oordelen schendt het appelgerecht bovendien de voormelde artikelen 820, 825 en 826, eerste lid Gerechtelijk Wetboek vermits, zoals hierboven (nrs. 1-3) gesteld, niet blijkt dat de eerste verweerder tegen de eiseres afstand van geding zou gedaan hebben onder de voorwaarden bepaald in deze artikelen en a fortiori niet blijkt dat door de eiseres incidenteel beroep zou zijn ingesteld nadat door de eerste verweerder afstand van geding zou gedaan zijn en de eiseres deze zou aangenomen hebben.

Op grond van de artikelen 1054 en 1056, aanhef en 4° Gerechtelijk Wetboek en voor zoveel als nodig 748bis en 780, eerste lid, 3° van hetzelfde wetboek had het appelgerecht, zoals hierboven (nrs. 1-3) gesteld, te dezen rekening moeten houden met de voormelde conclusie van de eerste verweerder d.d. 10 november 2011 in zoverre de eerste verweerder hierbij incidenteel beroep instelde tegen de eiseres en de eiseres de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep verwierf alsmede met de voormelde conclusie van de eiseres d.d. 15 februari 2012 waarbij zij incidenteel beroep instelde tegen de eerste verweerder. Door dit niet te doen schendt het appelgerecht deze wetsbepalingen.

Besluit: de in het middel bestreden beslissing van het appelgerecht dat de eiseres niet de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep heeft verkregen ingevolge het voormelde incidenteel beroep van de eerste verweerder tegen haar en dat het incidenteel beroep van de eiseres tegen de eerste, tweede en derde verweerders dat geënt is op het voormelde incidenteel beroep van de eerste verweerder tegen haar niet toelaatbaar is, is bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van de art. 820, 825, 826, 1054 en 1056, aanhef en 4° Ger.W. en voor zoveel als nodig 748bis en 780, eerste lid, 3° van hetzelfde wetboek, zoals hierboven (nrs. 1-4) gepreciseerd).

Toelichting
De eiseres verwijst naar twee arresten, één van 14 januari 2013 en één van 16 oktober 1992, waarin uw Hof het volgende principe toepast:

uit het geheel van de bepalingen van de artikelen 1054, 825 en 826 Gerechtelijk Wetboek volgt dat, wanneer door de eiser in hoger beroep afstand van geding is gedaan, het incidenteel beroep dat door de gedaagde in hoger beroep nadien wordt ingesteld, enkel dan niet ontvankelijk is, wanneer de gedaagde in hoger beroep de afstand van geding heeft aangenomen (Cass. 14 januari 2013, C.11.0341.N, Concl. Adv. Gen. Chr. Vandewal, www.juridat.be; Cass. 16 oktober 1992, AR nr. 7904, www.juridat.be; T. De Haan, “Le point sur … les désistements”, JT 2011, afl. 14, p. 281, nr. 9).

De eiseres heeft belang bij de onderhavige voorziening niettegenstaande het appelgerecht in het bestreden arrest, alvorens verder recht te spreken, de heropening van het debat beveelt om partijen toe te laten standpunt in te nemen over de vraag of de eiseres de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep heeft gekregen door een mogelijk impliciet incidenteel beroep vanwege de tweede en derde verweerders tegen haar, wat de toelaatbaarheid van het incidenteel beroep van de eiseres zou kunnen impliceren.

Het staat immers niet vast dat het appelgerecht in het te wijzen arrest zal oordelen dat de eiseres haar incidenteel beroep op ontvankelijke wijze kan enten op het zogenaamde “mogelijk impliciet beroep” tegen haar vanwege de tweede en derde verweerders, die reeds in hun conclusie voor het appelgerecht betoogden dat de eiseres niet de hoedanigheid heeft van gedaagde in hoger beroep en derhalve geen toelaatbaar incidenteel beroep kon instellen (bestreden arrest, p. 28, nr. 31, in fine).

OM DEZE REDENEN

Besluit ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie, voor de eiseres, dat het u, hooggeachte dames en heren, behage het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep, over de kosten uitspraak te doen naar recht.

Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem

I. Situering
1. De betwisting kadert in de vordering van eerste verweerder lastens eiseres en de partij in gemeenverklaring opgeroepen, waardoor deze beide partijen solidair tot schadevergoeding werden veroordeeld uit hoofde van schending van de exclusiviteitsverplichting, en waardoor tevens de in gemeenverklaring opgeroepen partij werd veroordeeld tot betaling van een vervangende opzeggingsvergoeding en een billijke bijkomende vergoeding.

De tussenvorderingen van de borgen (tweede en derde verweerders) werden in voortzetting gesteld.

2. Tegen dit vonnis (van de rechtbank van koophandel Hasselt van 5 juli 2011) werd door de in gemeenverklaring opgeroepen partij hoger beroep ingesteld.

3. Eerste verweerder stelde hierop incidenteel beroep in lastens de partij in gemeenverklaring opgeroepen en tegen eiseres. Deze laatste stelt op haar beurt incidenteel beroep in tegen eerste verweerder (en tegen tweede en derde verweerders).

4. Het bestreden arrest beslist hieromtrent (impliciet) dat eiseres niet de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep heeft verkregen ingevolge het incidenteel beroep dat eerste verweerder eerder tegen haar instelde, en dat haar incidenteel beroep dat hierop was geënt bijgevolg niet toelaatbaar is.

5. Tegen deze beslissing voert eiseres een enig middel tot cassatie aan.

II. Bespreking van het middel
1. Artikel 1054, eerste lid Ger.W. bepaalt dat de gedaagde in hoger beroep te allen tijde incidenteel beroep kan instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep, zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of er vóór de betekening in berust heeft.

Luidens het tweede lid van voormeld artikel 1054 kan het incidenteel beroep echter niet worden toegelaten wanneer het hoofdberoep nietig of laattijdig wordt verklaard.

2. Incidenteel beroep kan slechts worden ingesteld door de partij tegen wie een hoofdberoep is gericht (Cass. 24 juni 1982, Arr.Cass. 1981-82, nr. 640) of door een partij tegen wie incidenteel beroep is gericht (Cass. 19 september 2003, C.02.0490.F, Arr.Cass. 2003, nr. 442, met Concl. Adv. Gen. Henkes).

3. De gedaagde in hoger beroep die krachtens artikel 1054 Ger.W. te allen tijde incidenteel beroep kan instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep, is de partij tegen wie het principaal beroep is gericht; de partij die in de zaak is opgeroepen zonder dat tegen haar een principaal beroep is gericht, heeft niet de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep in de zin van de voormelde wetsbepaling (Cass. 27 april 1987, AR nr. 5210, Arr.Cass. 1986-87, nr. 498). Degene van wie niets is gevorderd door de partij die het principaal beroep heeft ingesteld, is geen gedaagde in hoger beroep die incidenteel beroep kan instellen (Cass. 24 december 1990, AR nr. 7070, Arr.Cass. 1990-91, nr. 220).

4. Een partij is enkel gedaagde in hoger beroep in de zin van artikel 1054 Ger.W. wanneer een hoofd- of incidenteel beroep tegen haar wordt gericht. Dit houdt in dat tegen die partij voor de appelrechter een vordering werd ingesteld waardoor zij in haar belangen kan worden geschaad (Cass. 6 februari 2014, C.12.0505.N, Arr.Cass. 2014, nr. 97; Cass. 6 november 2009, C.08.0537.F, Arr.Cass. 2009, nr. 643, met Concl. Adv. Gen. Henkes in Pas. 2009, nr. 643).

5. In zoverre in deze het hoofdberoep van de in gemeenverklaring opgeroepen partij niet tegen eiseres was gericht (deze laatste wordt wel vermeld in de beroepsakte, maar er wordt niets van haar gevorderd: cf. het bestreden arrest p 26-27, nr. 28) - zodat eiseres hierdoor niet de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep verkreeg - neemt dit, op basis van de voormelde rechtspraak, niet weg dat eiseres gedaagde in hoger beroep is (of wordt) ten gevolge van het incidenteel beroep van eerste verweerder.

6. Vermits de gedaagde in hoger beroep te allen tijde incidenteel beroep kan instellen, kan hij dit doen tot aan het sluiten van het debat (Cass. 14 januari 2013, C.11.0341.N, Arr.Cass. 2013, nr. 247, met Concl. Adv. Gen. Vandewal).

7. Uit de artikelen 780, eerste lid, 3° en 748bis Ger.W. volgt dat het onderwerp van de vordering uitsluitend wordt bepaald door de syntheseconclusie en de rechter geen uitspraak meer vermag te doen over een punt van de vordering dat niet wordt herhaald in de syntheseconclusie (Cass. 19 november 2015, C.15.0198.N, onuitg.; Cass. 8 maart 2013, C.11.0477.N, Arr.Cass. 2013, nr. 160; Cass. 29 maart 2012, C.11.0472.N, Arr.Cass. 2012, nr. 208).

8. Waar artikel 748bis Ger.W. ertoe strekt het goede verloop van het proces te verbeteren en de rechtsgang te bespoedigen door het werk van de rechter te verlichten en veiliger te maken (Cass. 24 januari 2013, C.11.0371.F, Arr.Cass. 2013, nr. 57), betekent de beperkte motiveringsplicht van de rechter evenwel niet dat de andere, eerder ingediende conclusies hun rechtsgeldigheid verliezen of uit de debatten geweerd worden. Zij blijven - behoudens dan de beperking van de rechterlijke antwoordplicht c.q. de rechterlijke verplichting onder artikel 1138, 3° Ger.W. - al hun rechtsgevolgen behouden (S. Sobrie, “Art. 748bis-6 en -7”, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar, nrs. 6 en 7).

9. Op basis van voormelde benadering komt het mij voor dat de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep (in casu verworven ingevolge een eerder incidenteel beroep van een andere partij) dan ook niet ongedaan wordt gemaakt door een latere wijziging van dat incidenteel beroep in laatste conclusies (cf. het bestreden arrest p. 27, nr. 29). Eenmaal de hoedanigheid van gedaagde in hoger beroep bekomen, wordt deze aldus niet verloren door een wijziging van de situatie tussen partijen, nu het bestaan en de rechtsgevolgen van de voorgaande proceshandelingen daardoor immers niet worden opgeheven en (zoals hier) de ontvankelijkheid van een incidenteel beroep derhalve beoordeeld wordt op het ogenblik van het formuleren ervan en niet komt te vervallen wanneer de vordering naderhand wordt aangepast (behoudens wanneer de gedaagde in hoger beroep een afstand van geding heeft aangenomen (Cass. 14 januari 2013, C.11.0341.N, Arr.Cass. 2013, nr. 24, met Concl. Adv. Gen. Vandewal), quod non in casu (het bestreden arrest (p. 18, nr. 23 in fine) is (impliciet) van oordeel dat eerste verweerder geen afstand van vordering heeft gedaan).

10. Ik meen dan ook dat de appelrechters hun beslissing niet naar recht verantwoorden en dat het enig middel derhalve gegrond is.

11. Hiertegen worden door eiseres twee gronden van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.

12. In zoverre eerste verweerder in die context aanvoert dat eiseres wel degelijk een afstand van vordering zou hebben aanvaard, gaat hij m.i. evenwel uit van een alleszins niet door de appelrechters aangenomen hypothese (cf. supra), en gaat de kritiek die eiseres thans voor uw Hof aanvoert dan ook niet in tegen de stelling die zij voor het hof van beroep zou hebben verdedigd.

13. In zoverre het door eiseres voorgestelde middel tot cassatie volgens eerste verweerder bij gebrek aan belang niet ontvankelijk zou zijn omdat eiseres voor het hof van beroep zou hebben gevorderd om diens incidenteel beroep (waarop het hare geënt was) zonder voorwerp te verklaren, staat het mij (op basis van de stukken: cf. syntheseconclusie van eiseres na zitting van 5 maart 2013, p. 6-7, nr. III) voor dat een en ander (louter) gekoppeld was aan de hypothese van inwilliging door de appelrechters van de voorwaardelijke afstand van vordering door eerste verweerder lastens eiseres.

14. Geen van de opgeworpen gronden van niet-ontvankelijkheid lijkt mij derhalve te kunnen aangenomen worden.

III. Conclusie: VERNIETIGING
(en bindendverklaring voor de daartoe opgeroepen partij).

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 14/07/2017 - 10:14
Laatst aangepast op: vr, 14/07/2017 - 10:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.