-A +A

Het proces de wolken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 13/07/2011
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
1169
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

...

Feiten

1. Appellanten T.C. en A.K. zijn de zonen van H.C. uit twee verschillende relaties, en eerste geïntimeerde De W.V. is de langstlevende echtgenote van H.C., met wie zij gehuwd was onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen.

Appellanten T.C. en A.K. enerzijds, en eerste geïntimeerde De W.V. anderzijds, zijn de wettige erfgenamen van wijlen de heer H.C., die op 19 maart 2008 overleden is te Antwerpen.

Eerste geïntimeerde De W.V. voert aan dat zij als langstlevende echtgenote bovenop haar vruchtgebruik op de nalatenschap, tevens recht heeft op het beschikbaar deel, en dit op grond van een contractuele erfstelling van 2 februari 2004, wat door appellanten wordt betwist.

Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 4 april 2011 werd mr. M., notaris te W., aangesteld in vervanging van notaris C.D., met het oog op de vereffening en verdeling van de nalatenschap van wijlen de heer H.C.

In het raam van de procedure van vereffening en verdeling van deze nalatenschap bestaat er een fundamentele betwisting tussen enerzijds appellanten T.C. en A.K., en anderzijds eerste geïntimeerde De W.V., in het bijzonder met betrekking tot de vraag wie van de erfgenamen de intellectuele rechten verbonden aan de literaire nalatenschap van wijlen de heer H.C. kan/mag uitoefenen.

Op 19 mei 2011 werd het boek gepubliceerd met als titel “De wolken. Uit de geheime laden van Hugo Claus” van de hand van M.S. met als uitgever tweede geïntimeerde BV U. De B.B. Deze laatste had in het verleden reeds verschillende werken van wijlen de heer H.C. uitgegeven.

Dit boek is een verzameling van allerlei elementen uit het archief van wijlen de heer H.C., waaronder brieven, notities, gedichten, tekeningen en fragmenten uit het dagboek van wijlen de heer H.C. Dit archief was door mevrouw De W. met het oog op dit boek ter beschikking gesteld van de heer M.S.

Appellanten voeren aan dat zij voorafgaandelijk aan deze publicatie niet werden gevraagd om hun toestemming, terwijl een gedeelte van de gepubliceerde teksten tot de intieme en private sfeer van hun vader zou behoren.

Appellanten zijn van oordeel dat mevrouw De W. niet gerechtigd was om volkomen eenzijdig en zonder toestemming van appellanten deze teksten te laten publiceren, om reden dat dit een flagrante inbreuk zou uitmaken op het recht op bescherming van het privé-leven van wijlen de heer H.C.

2. Bij dagvaarding in kort geding met verkorting van termijnen, betekend op 30 mei 2011 vorderden appellanten T.C. en A.K. de hoofdelijke en ondeelbare veroordeling, de ene bij gebreke aan de andere, van geïntimeerden De W.V. en BV U. De B.B., om, in afwachting van een beslechting ten gronde door de instrumenterende notaris met betrekking tot de rechten van iedere partij in de literaire nalatenschap van wijlen de heer H.C., met onmiddellijke ingang alle nodige initiatieven te nemen teneinde de verdere verkoop en verspreiding van het boek met titel “De wolken. Uit de geheime laden van Hugo Claus” (ISBN 978 90 234 5922 4 / NUR 301) te blokkeren en uit de handel weg te nemen, dit alles onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 euro per dag vertraging vanaf de derde dag na betekening van de tussengekomen beschikking. Tevens vroegen zij om eerste en tweede geïntimeerde het verbod op te leggen, hoofdelijk en ondeelbaar, de ene bij gebreke aan de andere, om welke inhoud dan ook van dit boek te verspreiden en bekend te maken aan het publiek, zij het via interviews, zij het via bijdragen, zij het via lezingen of op welke manier dan ook, dit alles eveneens onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 euro per dag vertraging vanaf de derde dag na betekening van de te vellen beschikking.

3. In de bestreden beschikking van 7 juni 2011 werd de vordering van appellanten ontvankelijk maar ongegrond verklaard.

Voor wat betreft de vordering ingesteld tegen eerste geïntimeerde De W.V., verwees de eerste rechter naar een stuk van 5 april 2007 dat werd toegeschreven aan de heer H.C., op basis waarvan de eerste rechter prima facie opmaakte dat het de wil van de heer H.C. was dat eerste geïntimeerde De W.V. het beheer van zijn patrimonium zou uitoefenen zoals zij dit deed tijdens zijn leven.

Voor wat betreft de vordering ingesteld tegen tweede geïntimeerde BV U. De B.B., verwees de eerste rechter naar art. 25 van de Grondwet, op basis waarvan de uitgever, de drukker of de verspreider niet kan worden vervolgd wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft.

4. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie op 9 juni 2011, vorderen appellanten T.C. en A.K. de hervorming van de bestreden beschikking, en opnieuw recht doende, vragen zij bij toepassing van art. 1066 Ger.W. om hun oorspronkelijke vorderingen zoals gesteld bij dagvaarding van 30 mei 2011, met enkele aanpassingen, toe te kennen.

...

Beoordeling

Gegrondheid van de vordering tegen eerste geïntimeerde De W.

10. De eerste rechter heeft de vordering van appellanten ten aanzien van mevrouw De W. ongegrond verklaard met verwijzing naar de door de heer H.C. op 5 april 2007 ondertekende verklaring, waaruit de eerste rechter prima facie besloot dat het de wil van de heer H.C. was dat mevrouw De W. het beheer van zijn patrimonium zou uitoefenen zoals zij dit deed tijdens zijn leven.

In het raam van de prima facie-beoordeling van de kortgedingrechter, is het op basis van de voorliggende stukken duidelijk dat mevrouw De W. als langstlevende echtgenote van wijlen de heer H.C. minstens het vruchtgebruik over de volledige nalatenschap van haar echtgenoot H.C. verkreeg, waarbij het hof abstractie maakt van de betwisting over de rechtsgeldigheid van de contractuele erfstelling van 2 februari 2004.

Indien deze contractuele erfstelling rechtsgeldig zal worden bevonden, dan komt aan mevrouw De W. nog bijkomend 1/3 in blote eigendom van de nalatenschap toe.

De langstlevende echtgenote beschikt als vruchtgebruikster over een eigen beheersbevoegdheid en kan derhalve alle daden van behoorlijk beheer stellen. Tevens heeft zij het recht op het innen van de vruchten.

Dit gebruiksrecht biedt de langstlevende echtgenote de mogelijkheid om, met uitsluiting van de blote eigenaar, positieve handelingen te stellen m.b.t. de morele rechten (art. 582 BW). Concreet betekent dit dat de langstlevende echtgenote zonder medebeslissingsrecht van de blote eigenaar(s) specifieke regelingen kan treffen m.b.t. de uitoefening van de morele rechten.

In het raam van de prima facie-beoordeling komt het het hof voor dat mevrouw De W. als langstlevende echtgenote van wijlen de heer H.C. gerechtigd was om het archief van haar overleden echtgenoot, bestaande uit brieven, notities, gedichten, tekeningen en fragmenten uit zijn dagboek, ter beschikking te stellen van de heer M.S., met het oog op de samenstelling van het boek “De Wolken. Uit de geheime laden van Hugo Claus”. Dit wordt bevestigd door de vaststelling dat de heer H.C. op 5 april 2007 schriftelijk en zonder het minste voorbehoud heeft verklaard dat het beheer van zijn patrimonium na zijn overlijden moet gebeuren door zijn vrouw V. De W., zoals zij dit ook tijdens zijn leven deed.

Uit geen enkel stuk blijkt dat de publicatie van de selectie uit zijn archief in het boek “De Wolken. Uit de geheime laden van Hugo Claus” gebeurde tegen de wil van de heer H.C.

Het ter beschikking stellen van het archief aan de heer M.S. heeft echter niet tot gevolg dat mevrouw De W. als (mede-)auteur van het bewuste boek kan worden beschouwd. Evenmin is zij de uitgever of de verspreider van het boek. Bijgevolg zou zij het tegen haar gevorderde verspreidingsverbod onmogelijk kunnen uitvoeren, omdat zij geen initiatieven kan nemen “teneinde de verdere verkoop en verspreiding van het boek te blokkeren en uit de handel weg te nemen“, zoals door appellanten wordt gevorderd. De vordering van appellanten tegen eerste geïntimeerde De W. is derhalve ongegrond. De beslissing van de eerste rechter wordt op dit punt bevestigd.

Gegrondheid van de vordering tegen tweede geïntimeerde BV U. De B.B.

11. De eerste rechter heeft de vordering van appellanten tegen tweede geïntimeerde BV U. De B.B. ongegrond verklaard op grond van art. 25, tweede lid Gw.

Op grond van deze bepaling kan de uitgever, de drukker of de verspreider niet worden vervolgd wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft.

In tegenstelling tot de eerste rechter is het hof van oordeel dat art. 25, tweede lid Gw. in huidige kortgedingprocedure niet van toepassing is. De regel van de getrapte verantwoordelijkheid zoals bedoeld in art. 25, tweede lid Gw. vindt immers enkel toepassing in geval van strafrechtelijke vervolging van een drukpersmisdrijf of in geval van civielrechtelijke quasi-delictuele aansprakelijkheid wegens feiten die als een drukpersmisdrijf zijn te kwalificeren.

De vordering van appellanten heeft geen betrekking op de bepaling ten gronde van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid, noch van de civielrechtelijke quasi-delictuele aansprakelijkheid, maar beoogt enkel het bevelen van een voorlopige en bewarende maatregel in kort geding, namelijk de blokkering van de verkoop en verspreiding en het uit de handel nemen van het boek, in afwachting van een beslechting ten gronde.

In het raam van de prima facie-beoordeling van de kortgedingrechter vindt er geen beoordeling ten gronde plaats van een eventuele persoonlijke fout van de uitgever, maar wordt er een bewarende maatregel gevorderd, die na de beoordeling van de ogenschijnlijke rechten van partijen en na belangenafweging, al of niet wordt toegestaan.

12. Appellanten verantwoorden hun vordering inzake het publicatieverbod door aan te voeren dat door de publicatie van het bewuste boek, de persoonlijkheidsrechten van wijlen de heer H.C. geschonden zijn, onder meer het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op eer en goede naam. Ook zou de nagedachtenis van wijlen de heer H.C. en wijlen mevrouw E.O. geschonden zijn.

Het hof is van oordeel dat de beweerde schending van de persoonlijkheidsrechten geenszins een dermate verregaande maatregel van een verspreidingsverbod en van het weghalen van het boek uit de handel redelijkerwijze verantwoordt. Tijdens het leven van de heer C. blijken er verschillende werken gepubliceerd te zijn waarin persoonlijke brieven, foto’s, en dergelijke van de heer C. voorkomen, en waarin intieme details over zijn seksuele relaties te lezen staan.

Uit het 333 bladzijden tellende boek citeren appellanten slechts drie korte fragmenten uit het dagboek van wijlen de heer H.C. die zij aanstootgevend achten en geenszins vatbaar voor publicatie. Rekening houdend met de in het verleden reeds gepubliceerde informatie uit het privéleven van de heer H.C., is het hof prima facie van oordeel dat het bewuste boek geen schending inhoudt op de nagedachtenis van de heer H.C.

Het hof merkt hierbij op dat de gewezen partners van wijlen de heer H.C., over wie de bewuste seksueel getinte passages handelen, namelijk S.K. en K.C., klaarblijkelijk geen aanstoot nemen aan deze passages en dat zij hun persoonlijkheidsrechten hierdoor niet geschonden achten, omdat zij ter zake geen juridische stappen hebben gezet tegen de publicatie en verspreiding van het boek.

13. Appellanten voeren voorts aan dat het boek ook een schending zou inhouden van het recht op afbeelding van tweede appellant A.K., meer bepaald door de publicatie van de foto op p. 263 van het boek.

Tweede geïntimeerde merkt terecht op dat de bewuste foto werd getrokken op een openbare plaats, en de foto hoofdzakelijk wijlen de heer H.C. en eventueel mevrouw S.K. beoogde te vatten, en dat de aanwezigheid van A.K. als baby op de foto eerder “toevallig” is. Prima facie houdt deze gepubliceerde foto geen schending in van het recht op afbeelding van tweede appellant A.K.

Appellanten kunnen uiteraard geen publicatieverbod van het boek vragen op basis van een beweerde schending van het recht op afbeelding van mevrouw S.K., die geen partij is in huidige procedure.

14. Op basis van de bovenstaande elementen besluit het hof dat de vordering van appellanten tegen tweede geïntimeerde BV U. De B.B. ongegrond is.

De bestreden beschikking wordt op dit punt bevestigd, zij het op andere gronden.
 

Noot: 

NOOT (gepubliceerd onder dit vonnis in het RW) – Hoog in “de wolken”. De rechtszaak-Claus,  CH. Declerck.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 18/02/2012 - 15:22
Laatst aangepast op: za, 18/02/2012 - 15:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.