-A +A

Herziening in strafzaken door valse getuigenis-Beoordeling door adviserend hof van beroep - Omvang

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 26/03/2013

Met het arrest van 29 november 2011 oordeelde het Hof over de op artikel 443, 1ste lid, 3° Wetboek van Strafvordering gegronde herzieningsaanvraag dat er geen redenen waren om deze vraag dadelijk als niet-ontvankelijk te verwerpen.

Aldus heeft het Hof geen uitspraak gedaan over het nieuwe karakter van de aangevoerde feiten.

Uit dat oordeel volgt niet dat het aangewezen hof van beroep bij de beoordeling of de tot staving van de aanvraag aangevoerde feiten beslissend genoeg schijnen te zijn om de zaak te herzien, niet meer zou mogen oordelen of deze feiten al dan niet nieuw zijn.

Bij de beoordeling of de als nieuw aangevoerde feiten beslissend genoeg schijnen om de zaak te herzien dient het hof van beroep zich niet te beperken tot de gegevens die de veroordelende beslissing uitdrukkelijk in aanmerking neemt om te beslissen tot de schuld van de veroordeelde. Het adviserende hof van beroep mag zijn oordeel steunen op alle dossiergegevens waarover partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, waardoor hun recht op een eerlijk proces en hun recht van verdediging afdoende zijn gewaarborgd.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2013/14
Pagina: 
1034

(FAM / Belgische Staat)

(Advocaten: Mr. M. Souidi, Mr. K. Beirnaert)

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Bij een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, geeft de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie te kennen dat de minister van Justitie hem, bij brief van 13 juli 2011, met kenmerk KAB/TM/2011, ermee heeft belast met toepassing van artikel 443, 3° Wetboek van Strafvordering, een aanvraag tot herziening in te dienen betreffende het op tegenspraak gewezen arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 september 2001, waarbij FAM werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en een fiscale geldboete van 500.000 BEF wegens inbreuken op de artikelen 73 en 73bis WBTW, de artikelen 53, 3°, en 4° en 73 WBTW en de artikelen 45, § 1 en 73 WBTW en waarbij hij tevens werd veroordeeld om de btw-administratie als burgerlijke partij te vergoeden. Bij arrest van het Hof van Cassatie van 5 maart 2002 (P011431N) werd het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 18 september 2001 vernietigd in zoverre het bij toepassing van artikel 43bis Strafwetboek lastens FAM een som verbeurd verklaarde, werd het cassatieberoep van FAM tegen dit arrest voor het overige verworpen en werd de aldus beperkte zaak verwezen naar het hof van beroep te Brussel. Bij arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 25 januari 2011, gewezen bij verstek, werd wat betreft die bijzondere verbeurdverklaring het verval van de strafvordering wegens verjaring vastgesteld en werd FAM van verdere rechtsvervolging ontslagen.

Bij arrest van het Hof van 29 november 2011 heeft het Hof bevolen dat de aanvraag zou worden onderzocht door het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, teneinde na te gaan of de tot staving van de aanvraag aangevoerde feiten beslissend genoeg zijn om de zaak te herzien.

Bij arrest van 8 november 2012 adviseert het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, na onderzoek van de aanvraag tot herziening dat de tot staving ervan voorgedragen feiten niet beslissend genoeg schijnen te zijn om de zaak te herzien.

De veroordeelde heeft in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aangevoerd.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
(…).

Tweede middel
5. Het middel voert schending aan van de artikelen 443, 1ste lid, 3° en 445, 3de en 4de lid Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat bepaalde verklaringen niet nieuw zijn, handelt het arrest in strijd met het arrest van dit Hof van 29 november 2011 en de bij wet vastgelegde opdracht en is het onderzoek derhalve niet geschied overeenkomstig de wet; de ontvankelijkverklaring bij voormeld arrest van 29 november 2011 van de op artikel 443, 1ste lid, 3° Wetboek van Strafvordering gesteunde herzieningsaanvraag houdt een erkenning in van het nieuwe karakter van de aangevoerde feiten, waarop het hof van beroep niet kan terugkomen.

6. Met het arrest van 29 november 2011 oordeelde het Hof over de op artikel 443, 1ste lid, 3° Wetboek van Strafvordering gegronde herzieningsaanvraag dat er geen redenen waren om deze vraag dadelijk als niet-ontvankelijk te verwerpen.

Aldus heeft het Hof geen uitspraak gedaan over het nieuwe karakter van de aangevoerde feiten.

Uit dat oordeel volgt niet dat het aangewezen hof van beroep bij de beoordeling of de tot staving van de aanvraag aangevoerde feiten beslissend genoeg schijnen te zijn om de zaak te herzien, niet meer zou mogen oordelen of deze feiten al dan niet nieuw zijn.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Derde middel
7. Het middel voert schending aan van artikel 6, 1. EVRM en artikel 445, 4de lid Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemene rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest houdt bij de beoordeling van het schijnbaar beslissend karakter van de tot herziening aangevoerde feiten ten onrechte rekening met elementen waarop de schuldigverklaring niet was gesteund.

8. Bij de beoordeling of de als nieuw aangevoerde feiten beslissend genoeg schijnen om de zaak te herzien dient het hof van beroep zich niet te beperken tot de gegevens die de veroordelende beslissing uitdrukkelijk in aanmerking neemt om te beslissen tot de schuld van de veroordeelde. Het adviserende hof van beroep mag zijn oordeel steunen op alle dossiergegevens waarover partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, waardoor hun recht op een eerlijk proces en hun recht van verdediging afdoende zijn gewaarborgd.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Vierde middel
(…).

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de aanvraag tot herziening.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Bepaalt de kosten tot op heden op 0 EUR.

 

Noot: 

De Pauw, W., « De draagwijdte van de beoordeling door het Hof van Cassatie van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening », R.A.B.G., 2013/14, p. 1037-1039

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 05/07/2017 - 19:13
Laatst aangepast op: wo, 05/07/2017 - 19:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.