-A +A

herstelvordering uitsluitend met oog op ruimtelijke ordening en redelijkheidstoetsing

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 18/03/2008
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
993
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Hof van Cassatie 2e Kamer – 18 maart 2008

samenvatting:

De feitenrechter gaat na of de beslissing van de stedenbouwkundig inspecteur om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen, uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen. Wanneer de wettigheid van de vordering tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat wordt aangevochten, gaat de rechter bovendien na of de vordering niet kennelijk onredelijk is. De feitenrechter mag evenwel op grond van de enkele vaststelling dat de gevorderde maatregel leidt tot een onevenredige last voor de overtreder in vergelijking met het voordeel voor de ruimtelijke ordening, niet oordelen dat geen herstel van de aantasting van de goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is. Om het gevorderde herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand te kunnen afwijzen, moet de rechter vaststellen dat ook met een minder ingrijpende maatregel de goede ruimtelijke ordening kan worden hersteld.

tekst van het arrest:

Gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur van Oost- Vlaanderen t/ S.G.R.B. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van 21 september 2007 van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 99, § 1, 145, § 1, eerste lid, en 4o, 146 en 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, art. 1 van de planologische voorschriften van het bij K.B. van 14 september 1997 definitief vastgesteld gewestplan Gentse en Kanaalzone, en art. 159 van de Grondwet.

2. Het onderdeel voert aan dat de appelrechters op grond van hun vaststellingen en de overige vaststaande gegevens zoals die blijken uit het definitief vonnis van de Correctionele Rechtbank te Gent van 17 januari 2003 niet vermochten te oordelen dat de vordering van de eiser tot het herstel in de oorspronkelijke staat, met toekenning van een dwangsom, gebaseerd was op een opvatting van de ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is.

3. Sinds het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 14/ 2005 van 19 januari 2005 bepaalt art. 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999: «Naast de straf kan de rechtbank bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Dit gebeurt op de vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen, bedoeld in artikel 146, werden uitgevoerd. Indien deze inbreuken dateren van (...) is voorafgaand een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist».

4. De rechter gaat na of de beslissing van de stedenbouwkundig inspecteur om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen, uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen. Hij moet de vordering die gebaseerd is op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van een goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, zonder gevolg laten.

Wanneer de wettigheid van de vordering tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand wordt aangevochten, gaat de rechter bovendien in het bijzonder na of deze vordering niet kennelijk onredelijk is. Hij moet afwegen of geen andere herstelmaatregel noodzakelijk is, dit onder meer op grond van de aard van de overtreding, de omvang en de aantasting van de goede ruimtelijke ordening en het voordeel dat voor de ruimtelijke ordening ontstaat door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand tegenover de last die daaruit voor de overtreder voortvloeit.

5. Art. 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999 laat evenwel niet toe dat de rechter op grond van de enkele vaststelling dat de gevorderde maatregel leidt tot een onevenredige last voor de overtreder in vergelijking met het voordeel voor de ruimtelijke ordening, zou oordelen dat geen herstel van de aantasting van de goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is. Om het gevorderde herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand te kunnen afwijzen, moet de rechter vast stellen dat ook met een minder ingrijpende maatregel de goede ruimtelijke ordening kan worden hersteld.

6. Te dezen oordelen de appelrechters op grond van een aantal gegevens dat de herstelvordering tot verwijdering van het zwembad gebaseerd is op een opvatting van de goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, namelijk:

– de gunstige adviezen van het schepencollege van de gemeente Destelbergen en van de afdelingen land van de administratie milieu-, natuur-, land- en waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, naar aanleiding van een aanvraag tot het regulariseren van de uitbreiding van het zwembad;

– de feitelijke vaststellingen die door de eerste rechter werden verricht naar aanleiding van een plaatsbezoek;

– de door de verweerders bezorgde fotoreportage van de inplanting van het zwembad en de omgeving, en luchtfoto‘s.

Naar het oordeel van de appelrechters brengen deze gegevens, samen beschouwd, mee «dat zo de uitvoering van het gevorderd herstel al enig voordeel voor de goede ordening van de ruimte zou meebrengen, dit voordeel duidelijk niet zou opwegen tegen de last die er voor de (verweerders) ongetwijfeld uit zou voortvloeien».

Afgezien van de vaststaande overtreding van de toepasselijke stedenbouwkundige en planologische voorschriften waarvoor de verweerders werden veroordeeld, sluiten de appelrechters aldus een mogelijke aantasting van de goede ruimtelijke ordening door het niet verwijderen van het zwembad niet uit. Zij stellen evenwel de mogelijkheid van een minder ingrijpende en wettelijk toegelaten maatregel dan het gevorderde herstel in de oorspronkelijke toestand, voor het herstel van deze aantasting niet vast. Zij verantwoorden aldus hun beslissing dat deze vordering kennelijk onredelijk is, niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

...

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 06/02/2010 - 17:48
Laatst aangepast op: za, 06/02/2010 - 17:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.