-A +A

Herstelvordering herstelbeleid en prioriteitenorde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 16/12/2010
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
917
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Openbaar ministerie t/ D.I. en M.M.

...

3. Het hof dient nog uitspraak te doen over de herstelvordering van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur en de erop geënte vordering tot verbeurte van een dwangsom.

4. De beklaagden zijn in 1995 eigenaar geworden van een perceel grond met erop staande woning. Zij hebben op 3 juli 1995 een bouwvergunning verkregen om deze woning te verbouwen. Zij hebben ervoor gekozen om, in plaats van de al dan niet wettig vergunde verbouwingswerken uit te voeren, een zonevreemde nieuwbouwwoning op te richten.

De nieuwe woning bestaat uit een rechtervleugel, die de woon- en slaapvertrekken omvat, en een (kleinere) linkervleugel, die twee garages en een hobbyruimte op de verdieping omvat.

Deze beide bouwblokken zijn verbonden door een hal of vestibule met een verdieping, in het dossier en hierna ook “de verbinding” genoemd.

De linkervleugel wordt in het dossier en hierna ook “het bijgebouw” genoemd, aangezien de verbinding, volgens een aanvraag die leidde tot de hierna vermelde stedenbouwkundige vergunning, zou worden afgebroken.

Gezien in hetzelfde licht wordt de rechtervleugel ook bestempeld als “alleenstaande woning”; deze omschrijving betreft de enigszins te wijzigen rechtervleugel, waar onder meer op de benedenverdieping een deel van de leefruimte aan de straatzijde vervangen wordt door een nieuwe hal.

De nieuwbouwwoning, bedoeld in de telastleggingen A en B.1 en in de oorspronkelijke herstelvordering, betreft de gehele nieuwbouwwoning tot stand gebracht in de periodes vermeld in deze telastleggingen, dit is de woning bestaande uit de (aan te passen) “alleenstaande woning”, de “verbinding” en het “bijgebouw”.

5.1. De toenmalige gemachtigde ambtenaar heeft bij brief van 12 februari 1998 de herstelvordering ingeleid bij het parket met toepassing van art. 68, § 1, a, Coördinatiedecreet 1996. Zijn vordering strekt tot de afbraak van de nieuwbouwwoning en de verbeurte van een dwangsom bij niet-naleving van het bevel tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand.

De gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur heeft deze vordering bij brief van 14 januari 2004 gehandhaafd en nader gemotiveerd, mede in het licht van de gewijzigde regelgeving.

5.2. Bij brief van 2 maart 2006 aan het parket heeft de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur meegedeeld dat de deputatie van de Provincieraad van Oost-Vlaanderen op 2 februari 2006 een zogenaamde regularisatievergunning heeft verleend voor de alleenstaande woning (de rechtervleugel van de nieuwbouwwoning) en op dezelfde dag de regularisatie voor het bijgebouw (de linkervleugel van de nieuwbouwwoning) heeft afgewezen. De gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur heeft hieraan toegevoegd: “gelet op de in beroep afgeleverde bouwvergunning vervalt mijn vordering tot herstel van 14 januari 2004 voor wat de woning betreft” en “gezien deze wijzigingen wenst mijn bestuur de vordering voor het bijgebouw te herbekijken”. Gevraagd wordt de vordering voor het bijgebouw “in beraad te willen houden”.

5.3. Met haar brief van 3 maart 2010 heeft de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur meegedeeld dat, voor zover het hof van oordeel is dat er ten onrechte een vergunning is verleend, de initiële herstelvordering “onverkort en geheel wordt gehandhaafd”. Met inachtname van de gewijzigde regelgeving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening deelt zij mee dat zij, voor zover het hof de verleende vergunning rechtsgeldig acht, met verwijzing naar haar brief van 2 maart 2006, geen ander herstel vordert dan de afbraak van “de verbindingsvleugel en de garage”.

6. Zoals in het arrest van 4 december 2009 werd overwogen, werd de vordering voor de rechter ingeleid vór de verjaring van de strafvordering, zodat het hof bevoegd blijft om erover te oordelen. Door de oorspronkelijke dagvaarding is de verjaring van de herstelvordering gestuit tot het tijdstip waarop er een definitieve beslissing over wordt uitgesproken (art. 7.7.4. Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, hierna VCRO, art. 26 Voorafgaande Titel Sv. en de artikelen 2244 en 2262bis BW).

7. Voor zover de herstelvordering is gebaseerd op de misdrijven omschreven in de telastleggingen B.2 en C, die de instandhouding betreffen van de handelingen waarop de telastleggingen A en B.1 betrekking hebben, kan zij, zelfs wanneer zij wettig wordt bevonden, niet worden ingewilligd (art. 6.1.1., vierde lid, VCRO).

Zoals eveneens in het tussenarrest van 4 december 2009 werd overwogen, vormen de erin bewezen verklaarde misdrijven, omschreven in de telastleggingen A en B.1 (hierna: “het misdrijf”), wel een toereikende grondslag voor de herstelvordering.

8.1. De plaats is niet in de oorspronkelijke toestand hersteld; de nieuwbouwwoning is niet afgebroken.

8.2. Er is ook geen regularisatie in overeenstemming met een daartoe verleende vergunning van de linkervleugel van de nieuwbouwwoning (het bijgebouw of, in de woorden van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur, “de garage”), waarvoor de regularisatie op 2 februari 2006 werd geweigerd, noch van de vestibule (de verbinding), waarvan de vergunning van 2 februari 2006 de verplichting tot afbraak impliceert.

8.3.1. Zoals in randnr. 1 werd aangestipt, heeft het hof in het tussenarrest van 4 december 2009 met toepassing van art. 159 Gw. de vraag gesteld naar de wettigheid van de vergunning verleend op 2 februari 2006 voor de alleenstaande woning (de aan te passen rechtervleugel van de nieuwbouwwoning); meer bepaald bood het hof de mogelijkheid tot tegenspraak over de vraag of de regularisatievergunning kon worden verleend zonder miskenning van art. 145bis Stedenbouwdecreet 1999, zoals gewijzigd bij decreet van 21 november 2003, dat voor het herbouwen van een zonevreemd gebouw onder meer vereist dat “het karakter en de verschijningsvorm van het bestaand gebouw behouden blijven”.

Na de hierover gevoerde tegenspraak is het hof van oordeel dat de deputatie de vergunning kon verlenen zonder miskenning van voormeld voorschrift. De vergunning heeft immers slechts betrekking op een gedeelte van de nieuwbouwwoning, namelijk de rechtervleugel, die na de afbraak van de verbinding de geregulariseerde “alleenstaande woning” zou vormen. Anders dan het geval was met de (gehele) nieuwbouwwoning, waarmee ook de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur in haar brief van 3 maart 2010 de eerder bestaande woning vergelijkt, kan de vergunde woning niet als “een kast van een woning” worden beschouwd. Van deze wat oppervlakte en volume betreft gevoelig beperktere woning kon de deputatie als normaal zorgvuldig beoordelaar oordelen dat de verschijningsvorm en het karakter voldoende overeenstemming vertoonden met die van de voordien bestaande woning.

8.3.2. De eerste rechter vroeg bijkomend onderzoek om te kunnen uitmaken of de vergunning niet in strijd was met de toepassingsvoorwaarden van art. 195quinquies, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999, zoals gewijzigd bij decreet van 21 november 2003. Meer bepaald vroeg de eerste rechter zich af of de deputatie met verwijzing naar het ontvangstbewijs afgeleverd door de burgemeester van de gemeente Aalter van 3 juni 2002 kon aannemen dat er, voorafgaandelijk aan de aanvraag die leidde tot de vergunning, een “tussen 13 juli 2001 en 1 februari 2003 ingediende aanvraag die geweigerd werd” bestond.

In het ontvangstbewijs van 3 juni 2002 attesteert de burgemeester: “Het college van burgemeester en schepenen bevestigt heden ontvangen te hebben op naam van I.D., Polderdreef, 9880 Aalter een aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor perceel (...) met als onderwerp: regulariseren eengezinswoning”. Zelfs rekening houdend met het feit dat de deputatie aanwijzingen had dat het aanvraagdossier al eerder een administratieve weg had afgelegd om de aanvraag met goed gevolg te kunnen doen (de toen bestaande noodzaak van een voorafgaand vergelijk met betaling van een transactiesom), kon de deputatie op basis van dit ontvangstbewijs en zonder verder onderzoek ervan als normaal zorgvuldig beoordelaar besluiten dat aan de voorwaarde gesteld in voormeld art. 195quinquies, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 was voldaan.

8.3.3. Samengevat betekent dit dat het hof de vergunning van 2 februari 2006 niet in strijd met de wet bevindt. De te beoordelen herstelvordering is daarom die gespecificeerd in de brief van 3 maart 2010, waarin het aanvankelijk gevorderde herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand beperkt wordt tot de afbraak van de verbinding en het bijgebouw.

9.1. Allereerst moet worden vastgesteld dat de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur uitgaat van de verkeerde veronderstelling dat door de stedenbouwkundige vergunning verleend door de deputatie haar vordering van 14 januari 2004 met betrekking tot de nieuwbouwwoning, voor zover zij de alleenstaande woning omvat, “vervalt”. Zolang immers geen regularisatie van de onwettige toestand is uitgevoerd conform de daartoe afgeleverde vergunning door het verrichten van de daartoe nodige werken, dit is onder meer de afbraak van de verbinding, moet de – eventueel aan de gewijzigde regelgeving aangepaste – herstelmaatregel, voor zover het overige wettig, worden bevolen.

9.2. De gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur motiveert de herstelvordering met betrekking tot de verbinding en het bijgebouw met de verwijzing naar “de Codex”, die “geen ruimte laat inzake zonevreemde constructies”. Enkel de vordering van het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand zou mogelijk zijn en een meerwaardevordering zou uitgesloten zijn. Aanpassingswerken kunnen volgens de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur evenmin gevorderd worden, “aangezien op geen manier kan worden teruggekeerd naar een vergunde constructie”.

Het openbaar ministerie sluit zich bij deze zienswijze aan. De beklaagden zijn echter van oordeel dat de meerwaardevordering hier de regel is.

9.3.1. Art. 6.1.41., § 1, VCRO bepaalt: “Naast de straf kan de rechtbank bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen (...). De herstelvordering wordt ingesteld met inachtneming van volgende regelen:

1o voor misdrijven die bestaan, of onder meer bestaan, uit het verrichten van handelingen in strijd met een stakingsbevel of in strijd met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de voor het gebied toegelaten bestemmingen, voor zover daarvan niet op geldige wijze is afgeweken, wordt gevorderd:

a) hetzij de uitvoering van het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de staking van het strijdige gebruik,

b) hetzij, zo dit kennelijk volstaat om de plaatselijke ordening te herstellen, de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken;

2o voor andere misdrijven dan deze, vermeld in 1o, wordt de betaling van de meerwaarde gevorderd, tenzij de overheid die de herstelvordering instelt, aantoont dat de plaatselijke ordening hierdoor kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad, in welk geval één van de maatregelen, vermeld in 1o, wordt gevorderd.

“Voor de diverse onderdelen van eenzelfde misdrijf kunnen verschillende herstelmaatregelen worden gevorderd, indien deze voldoende individualiseerbaar zijn”.

Deze bepaling beperkt de beleidsvrijheid van het handhavend bestuur bij de keuze van herstelmaatregel en stelt wat genoemd wordt “een prioriteitenorde” of nog “toewijzingsregels” vast in de opgelegde keuze van de herstelvorm.

9.3.2. De beklaagden pleegden het misdrijf op een ogenblik dat de overheid hier nog de keuze had tussen het vorderen van ofwel het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand, ofwel de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken, ofwel de betaling van een geldsom gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen (art. 65, § 1, Stedenbouwwet 1962 en art. 68, § 1, Coördinatiedecreet 1996).

De vraag of de zienswijze dat de beperking van de keuzemogelijkheid voor misdrijven bedoeld in de eerste categorie vermeld in art. 6.1.41., § 1, eerste lid, VCRO onmiddellijk van toepassing is gelet op het bepaalde in art. 7.1.1, VCRO, verzoenbaar is met art. 7.1. EVRM, dat het opleggen verbiedt van een zwaardere straf dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was, behoeft geen antwoord, omdat hierna in randnummer 9.3.3. wordt aangenomen dat het bewezen misdrijf valt onder de tweede categorie; voor deze misdrijven geldt een voor de beklaagden gunstiger keuzemogelijkheid, omdat zij in eerste orde de meerwaardevordering voorschrijft en strengere eisen stelt voor het vorderen van het herstel in de oorspronkelijke toestand of de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken.

9.3.3. Ten onrechte gaat de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur er in haar herstelvordering vanuit dat alleen het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand kan worden gevorderd en niet het herstel door betaling van een meerwaarde en dat het vorderen van de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken niet mogelijk is, aangezien op geen manier kan worden teruggekeerd naar een vergunde constructie.

Het openbaar ministerie is in navolging van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur van oordeel dat het hier gaat om een misdrijf bedoeld in art. 6.1.41., § 1, eerste lid, 1o, VCRO; de beklaagden menen dat het gaat om een misdrijf bedoeld in de tweede categorie.

Partijen zijn het er terecht over eens dat het misdrijf niet bestaat uit het verrichten van handelingen in strijd met een stakingsbevel, maar wel uit het verrichten van handelingen in strijd met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de voor het gebied toegelaten bestemming. Zij zijn het er, met verwijzing naar de memorie van toelichting (Parl.St. Vl.Parl. 2008-09, nr. 2011/1, p. 282, voetnoot 423) en naar de context van deze bepaling, eveneens terecht over eens dat de zinsnede “voor zover daarvan niet op geldige wijze is afgeweken”, moet worden gelezen als “voor zover daarvan niet op geldige wijze kan worden afgeweken”.

De gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur en het openbaar ministerie gaan ervan uit dat deze zinsnede betekent dat illegale handelingen aan zonevreemde constructies enkel niet onder de categorie van misdrijven vermeld onder 1o vallen in de mate dat het resultaat van die handelingen vergunbaar is. In deze interpretatie heeft de zinsnede echter geen enkele relevantie, omdat in een dergelijk geval een (regularisatie)vergunning kan worden gevraagd en verkregen, zodat een herstelvordering niet aan de orde is of zonder voorwerp wordt. Ook het feit dat in voorkomend geval de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken kan worden gevorderd of een combinatie van beide maatregelen, is niet verzoenbaar met voormelde interpretatie. Met de beklaagden neemt het hof aan dat de zinsnede handelingen aan bestaande zonevreemde constructies betreft waarvoor afwijkingsmogelijkheden gelden; dit laatste dient te worden beoordeeld op de initieel, vór het misdrijf, bestaande toestand. Of de toestand tot stand gebracht door het misdrijf effectief voor vergunning in aanmerking komt, is hierbij niet het beoordelingscriterium. Deze interpretatie van de zinsnede “voor zover daarvan niet op geldige wijze is afgeweken” past in de logica van de bepalingen in hoofdstuk IV, afdeling 2, VCRO betreffende de basisrechten voor zonevreemde constructies. Als zodanig wordt niet betwist en blijkt uit het dossier dat er vór het misdrijf een bestaande woning was waarvan het verbouwen, herbouwen op dezelfde plaats, het bouwen op een gewijzigde plaats of uitbreiden onder bepaalde voorwaarden vergund kon worden.

Ten onrechte gaat de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur ervan uit dat, dan nog slechts met betrekking tot de verbinding en het bijgebouw, alleen het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand kan worden gevorderd en dat het vorderen van de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken niet mogelijk is, aangezien op geen manier kan worden teruggekeerd naar een vergunde constructie, terwijl hier de keuze bestaat voor een meerwaardevordering of, voor zover wordt aangetoond dat de plaatselijke ordening hierdoor kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad, voor één van de maatregelen vermeld in art. 6.1.41., § 1, eerste lid, 1o, VCRO of een combinatie ervan.

Deze door de beklaagden ingeroepen en bewezen onwettigheid van de herstelvordering brengt mee dat het hof ze met toepassing van art. 159 Gw. buiten toepassing moet laten.

Het komt niet aan het hof toe ambtshalve een andere maatregel te bevelen.

Noot: 

• T. Vandromme, «Recente ontwikkelingen in de handhaving van de ruimtelijke ordening: de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het arrest-Hamer en de uitgebreide cassatierechtspraak», RW 2010-2011 434 randnrs. 10, 16 en 35.

• G. Debersaques, “De keuze van de herstelmaatregel bij stedenbouwmisdrijven gepleegd in strijd met de bestemmingsvoorschriften van het gebied” (noot onder Gent 16 december 2010, RW 2011-2012, 917),

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 08/01/2012 - 23:46
Laatst aangepast op: zo, 08/01/2012 - 23:47

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.