-A +A

Herstelvordering is geen bestuurshandeling maar een onderdeel van een gerechtelijke procedure

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 14/10/2014
A.R.: 
P.12.1198.N

De herstelvordering is geen door artikel 1 Wet Motivering Bestuurshandelingen bedoelde handeling; zij sorteert immers als dusdanig geen rechtsgevolgen, maar maakt onlosmakelijk deel uit van de gerechtelijke procedure (1). (1) Contra: Cass. 4 december 2001, AR P.00.0540.N, AC 2001, nr. 664 met conclusie Advocaat-generaal DE SWAEF; Zie: Cass. 10 juni 2005, verenigde kamers, AR C.04.0348.N, AC 2005, nr. 333 met conclusie Advocaat-generaal BRESSELEERS

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.12.1198.N
C A R,
beklaagde,
eiseres,
tegen
GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR bevoegd voor het grondgebied van de provincie Vlaams Brabant, met kantoor te 3000 Leuven, Dirk Boutsgebouw, Diestsepoort 6 bus 93,
eiser tot herstel,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 11 juni 2012.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De appelrechters verklaren zich onbevoegd om kennis te nemen van de her-stelvordering in zoverre die betrekking heeft op andere constructies dan de chalet.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt met de redenen over de motivering van de herstelvordering overeen-komstig artikel 149, § 4, Stedenbouwdecreet 1999 niet het specifieke verweer van de eiseres dat die bepaling vereist dat in de herstelvordering de toestand vooraf-gaand aan het misdrijf wordt opgenomen en dit op straffe van nietigheid van de herstelvordering.

3. De appelrechters oordelen dat aan de motiveringsplicht van de herstelvorde-ring is voldaan omdat niet alleen rekening moet worden gehouden met de motive-ring in de brief van 6 oktober 2005, maar ook met de nadien gegeven motivering van de herstelvordering zoals uiteengezet in de conclusie van de stedenbouwkun-dig inspecteur, zijnde de herhaling van de vordering voor de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid (arrest, p. 8-9).

Zij citeren daarbij onder meer het volgende: "Het kwestieuze goed is gelegen in een waardevol bebost gedeelte van de deelge-meente St-Agatha-Rode. Het ligt juist aan de rand van dit bos met een groots pa-norama over de Dijlevallei.

De overige constructies in deze buurt maken, zoals gezegd, deel uit van een oude verkaveling. Het perceel 136z valt echter buiten deze verkaveling.

Door de uitgevoerde werken heeft de betrokkene op dit perceel een volwaardige woning tot stand gebracht in plaats van de niet-duurzame in opper-vlakte kleinere chalet van voorheen. Op deze wijze wordt het betrokken natuurge-bied zwaarder geschaad aangezien een gebouw met een veel grotere levensvat-baarheid en -duur is gerealiseerd.

Bovendien is het nieuwe gebouw door de lig-ging aan de rand van het bos ook veel zichtbaarder vanuit de omgeving dan voor-heen het geval was doordat het duidelijk groter is dan voorheen. De zichtbaarheid van het gebouw vanuit de omgeving werd bovendien versterkt doordat het kwesti-euze terrein tevens gedeeltelijk ontbost werd. Deze ontbossing blijkt uit een verge-lijking van de luchtfoto's van 2003 met de latere luchtfoto's (zie bijlage
4) en uit de fotoreportage gevoegd in bijlage 7.

De impact van deze woning op de natuur-waarde en op de omgeving is dan ook manifest groter dan de oude eenvoudige chalet, die tot verdwijning gedoemd was. In de plaats van op termijn een voor de natuur vrijgemaakt terrein is door de huidige constructie een permanent beslag op deze natuurzone gelegd met een grote zichtbaarheid vanuit de omgeving".

Aldus stellen de appelrechters vast dat de motivering wel degelijk de toestand voor-afgaand aan het misdrijf beschrijft en beantwoorden ze het verweer van de eiseres met inbegrip van de nietigheidsexceptie.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149, § 4, Stedenbouwdecreet 1999, zoals van toepassing op 6 oktober 2005: het arrest oordeelt ten onrechte dat de beschrijving in concreto van de voor het misdrijf bestaande toestand mag wor-den opgenomen in een later voor de appelrechters ingediende conclusie; dit gege-ven moet in de herstelvordering zelf zijn opgenomen.

5. Artikel 149, § 4, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt dat de in § 1 bedoelde herstelvordering, die overeenkomstig § 2 wordt ingeleid bij het parket bij gewone brief, minstens de geldende voorschriften en een omschrijving van de toestand voorafgaand aan het misdrijf moet vermelden.

6. Het vermelden in de herstelvordering van een omschrijving van de toestand voorafgaand aan het misdrijf is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid noch substantieel.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

7. De appelrechters (arrest, p. 8-9) die oordelen dat rekening houdend met de in de conclusie van de stedenbouwkundige inspecteur opgenomen motivering af-doende aan de motiveringsverplichting van de herstelvordering is voldaan, ver-antwoorden hun beslissing naar recht.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Derde en vierde onderdeel

8. Het derde onderdeel voert schending aan van de artikelen 2 en 3 Wet Moti-vering Bestuurshandelingen: bij de beoordeling van het afdoend karakter van de motivering van de herstelvordering slaan de appelrechters niet alleen acht op de motivering van de vordering zelf, maar houden zij ten onrechte ook rekening met de in de verdere procedure verstrekte motieven; de herstelvordering is echter een bestuurshandeling in de zin van artikel 1 Wet Motivering Bestuurshandelingen, waarop de artikelen 2 en 3 van deze wet van toepassing zijn; uit die bepalingen vloeit voort dat de bestuurshandeling zelf uitdrukkelijk moet gemotiveerd zijn en dat deze motieven in de beslissing zelf moeten worden opgenomen.

Het vierde onderdeel voert schending aan van artikel 3 Wet Motivering Bestuurs-handelingen: de appelrechters steunen hun oordeel over het afdoend gemotiveerd zijn van de herstelvordering ten onrechte op motieven die niet in de beslissing zelf waren opgenomen; dergelijke motieven kunnen enkel dienen om voorheen aange-geven motieven te verduidelijken.

9. De herstelvordering is geen door artikel 1 Wet Motivering Bestuurshande-lingen bedoelde handeling. De herstelvordering sorteert immers als dusdanig geen rechtsgevolgen, maar maakt onlosmakelijk deel uit van de gerechtelijke procedure.

De onderdelen die uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen naar recht.

Tweede middel in zijn geheel

10. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: de appelrechters houden bij de beoordeling van het al dan niet disproportioneel karakter van de gevorderde herstelmaatregel en het afwijzen van aanpassingswerken als herstelmaatregel ten onrechte geen rekening met de in 2002 bestaande plaatselijke ordening, maar wel met de plaatselijke ordening uit 1972 of zelfs daarvoor; zij hadden enkel te onderzoeken of het gevor-derde herstel nodig was om de goede ruimtelijke ordening en de plaats te herstel-len in de staat zoals die bestond vóór het plegen door de eiseres van het misdrijf waaraan zij schuldig is verklaard, zijnde het zonder vergunning plaatsen van ge-velstenen en het volledig vernieuwen van het dak tussen 1 januari 2003 en 31 de-cember 2003; de referentietoestand daartoe was de toestand van het onroerend goed in 2002; daarbij is de vraag of de in 2002 aanwezige constructie al dan niet vergund was of vergunbaar is, zonder belang.

Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 4 Voorafgaande Titel Wet-boek van Strafvordering: de appelrechters bevelen een herstel dat veel verder gaat dan het herstel van de toestand die is gecreëerd door de aan de eiseres verweten en in haren hoofde bewezen verklaarde feiten; de appelrechters vermochten slechts binnen de grenzen van de telastleggingen waarvoor de eiseres bij definitieve beslissing van 14 mei 2008 was veroordeeld, het herstel uit te spreken en door die grenzen te overschrijden miskennen zij het gezag van gewijsde van dit vonnis.

11. Volgens artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Or-dening wordt voor misdrijven die bestaan, of onder meer bestaan, in het verrichten van handelingen in strijd met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de voor het gebied toegelaten bestemmingen, voor zover daarvan niet op geldige wij-ze is afgeweken, hetzij de uitvoering van het herstel van de plaats in de oorspron-kelijke toestand gevorderd, hetzij, zo dit kennelijk volstaat om de plaatselijke or-dening te herstellen, de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken.

12. Het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand houdt niet in dat de plaats wordt hersteld in een materiële toestand die identiek is aan de toestand die vóór de stedenbouwovertreding bestond. Het herstel van de plaats in de oorspron-kelijke toestand kan ook inhouden dat de illegale constructie volledig of gedeelte-lijk wordt afgebroken, met inbegrip van de vóór de stedenbouwovertreding op die plaats reeds bestaande constructie die in de wederrechtelijke constructie is geïnte-greerd en aldus één geheel uitmaakt.
In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

13. Uit artikel 6.1.41, § 1, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening volgt geen onweerlegbaar vermoeden dat de plaatselijke ordening steeds is geschaad zodra het misdrijf erin bestaat te hebben gehandeld in strijd met niet voor afwijking vat-bare bestemmingsvoorschriften. Het bevelen van een herstelmaatregel vereist dat de plaatselijke ordening door het misdrijf is geschaad en de maatregel ertoe strekt deze plaatselijke ordening te herstellen.

14. Overeenkomstig artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, moet de rech-ter nagaan of de door de herstelvorderende overheid gevorderde herstelmaatregel uitsluitend is genomen met het oog op een goede ruimtelijke ordening en zo die vordering gebaseerd is op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van een goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, ze zonder gevolg laten.

15. Uit artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening volgt verder dat niet enkel het plegen van een stedenbouwovertreding als dusdanig, maar ook het verband van deze overtreding met andere stedenbouwkundige overtredingen en de daaruit volgende gehele impact op de goede plaatselijke ordening bepalend is voor de aard en de wijze van het herstel.

In zoverre het middel aanvoert dat de wettigheid van de herstelvordering overeen-komstig het voormelde artikel 6.1.41, § 1, 1°, enkel aan de gevolgen van het ver-volgde en bewezen verklaarde stedenbouwmisdrijf zelf mag worden getoetst en dit ongeacht de gevolgen die voortspruiten uit de samenloop met andere steden-bouwovertredingen, faalt het naar recht.

16. De appelrechters (arrest, p. 10-12) oordelen dat:

- het vernieuwen van het dak (waarbij de nokhoogte duidelijk werd verhoogd zoals alleen al blijkt uit de voorgebrachte foto's) een uitbreiding van een zone-vreemde constructie heeft teweeggebracht, die duidelijk niet vergunbaar is in natuurgebied en die een overtreding uitmaakt van niet voor afwijking vatbare bestemmingsvoorschriften;

- artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening geen onweerlegbaar vermoeden bevat dat de plaatselijke ordening steeds is geschaad van zodra het misdrijf erin bestaat te hebben gehandeld in strijd met niet voor afwijking vat-bare bestemmingsvoorschriften;

- het bevelen van de herstelmaatregel vereist dat de plaatselijke ordening door het misdrijf is geschaad en dat de maatregel ertoe strekt deze plaatselijke or-dening te herstellen;

- zij overeenkomstig artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM moeten nagaan of de afbraakvordering van de stedenbouwkundig inspecteur uitsluitend met het oog op een goede ruimtelijke ordening is genomen;

- het herstel in de vorige staat van een illegale constructie, waarin een vroeger aanwezige constructie is geïncorporeerd, kan inhouden dat de volledige con-structie wordt afgebroken met inbegrip van de vóór de bouwovertreding op die plaats reeds bestaande illegale constructie;

- de eiseres tevergeefs het vermoeden van vergunning inroept met betrekking tot de constructie vooraleer zij overging tot uitbreiding wat onder meer blijkt uit het gegeven dat de door de eiseres gewijzigde constructie geenszins overeenstemt met de in 2002 gekochte bungalow;

- evenmin vaststaat dat het in 2002 aanwezige gebouw hoofdzakelijk vergund was;

- aanpassingswerken niet zullen volstaan om de plaatselijke ordening te herstel-len;

- het herstel niet mogelijk is met een minder ingrijpende dan de wettelijk toege-laten maatregel van het herstel in de vorige staat.

Aldus beogen de appelrechters niet het herstel van de ruimtelijke ordening zoals die bestond in 1972 of zelfs voorheen, maar beoordelen ze de wettigheid van de gevorderde herstelmaatregel die beoogt de gevolgen van de bewezen verklaarde feiten weg te nemen, rekening houdend met de impact van voorheen gepleegde stedenbouwovertredingen. Hierdoor verantwoorden zij hun beslissing over de wettigheid van die herstelvordering naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel

17. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest laat na uitspraak te doen over de in onderge-schikte orde geformuleerde vordering om de dwangsom te beperken tot een absoluut maximum van 20.000 euro.

18. De appelrechters oordelen dat de gevorderde dwangsom per dag vertraging wordt opgelegd omdat uit de behandeling van de zaak en het strafdossier blijkt dat er reden is om aan te nemen dat de eiseres niet vrijwillig zal overgaan tot dat herstel en de op te leggen dwangsom haar ertoe moet aanzetten het rechterlijk bevel effectief uit te voeren of te doen uitvoeren binnen de in functie van de omvang van het herstel bepaalde termijn (arrest, p. 13).

Met die redenen verwerpt het arrest ook de vordering van de eiseres om de dwangsom te beperken tot het absoluut maximum van 20.000 euro.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 89,27 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

Noot: 

• T. Vandromme, «Recente ontwikkelingen in de handhaving van de ruimtelijke ordening: de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het arrest-Hamer en de uitgebreide cassatierechtspraak», RW 2010-2011 434 randnrs. 10, 16 en 35.

• G. Debersaques, “De keuze van de herstelmaatregel bij stedenbouwmisdrijven gepleegd in strijd met de bestemmingsvoorschriften van het gebied” (noot onder Gent 16 december 2010, RW 2011-2012, 917),

Rechtspraak

Hof van Beroep te Antwerpen, 12e Kamer – 20 januari 2010, RW 2011-2012, 1768

 

Openbaar ministerie en stedenbouwkundig inspecteur t/ N.I. en S.S.

II. Motivering ten gronde

...

Er is geen reden om de behandeling van de zaak uit te stellen of te schorsen in afwachting van de resultaten van een hangende administratieve procedure, omat deze geen wettelijk beletsel uitmaakt voor de verdere uitoefening van de strafvordering en de behandeling van de zaak door de strafrechter. Bovendien werd er door beklaagden reeds eerder een regularisatie aangevraagd m.b.t. de terreinverhoging die bij MB van 28 augustus 2007 werd afgewezen.

...

1. Op strafrechtelijk gebied

1. Na een nieuw onderzoek ter terechtzitting door het hof, en door de stukken van het dossier, is de schuld van de beklaagden aan de hen ten laste gelegde feiten zoals hiervoor geactualiseerd en gepreciseerd, bewezen gebleven. Hiervoor wordt verwezen naar de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter, die door beklaagden in hoger beroep niet weerlegd wordt en door het hof wordt beaamd en overgenomen en aangevuld als volgt.

2. De woning is gelegen in een niet-kwetsbaar gebied, namelijk een woongebied volgens het gewestplan Hasselt-Genk, goedgekeurd bij KB van 3 april 1979.

Aan beklaagden werd een voorwaardelijke bouwvergunning verleend op 23 oktober 2003, waarbij het bouwen van een woning in half open bebouwing met een losstaande garage werd toegestaan, weliswaar onder de voorwaarde dat, aangezien het perceel ligt in risicogebied voor wateroverlast, een eventuele terreinverharding 60 cm moet verwijderd zijn van de blijvende perceelsgrens en dat alle terreinverhogingen verboden zijn.

Beklaagden betwisten niet dat een terras op een bestaand plat dak niet conform de verleende vergunning van het college van burgemeester en schepenen van 23 oktober 2003 is gebouwd. Ook de verhoging op zich van het dak van de woning, waardoor het niet juist aansluit met het dak van de rechterbuur, wordt niet betwist, wel de hoogte ervan.

Het hof verwijst naar de vaststellingen van het proces-verbaal van 7 juli 2005, waarbij werd vastgesteld dat het dak met ongeveer 30 cm hoger is opgetrokken dan voorgeschreven in de bouwvergunning van 23 oktober 2003. Er is geen reden om te twijfelen aan deze vaststellingen van de verbalisanten die gelden tot het tegendeel. De loutere bewering dat het dak met slechts 12 cm is verhoogd, weerlegt deze vaststellingen niet. Overigens is het irrelevant teneinde de strafbaarheid te beoordelen. Vaststaat dat het dak verhoogd is en niet conform de verleende vergunning werd gebouwd.

Het feit dat naderhand deze niet-conforme constructies (terras en verhoging dak) werden geregulariseerd ingevolge MB van 28 augustus 2007, heft de strafbaarheid ervan niet op.

3. Wat de terreinverhoging van 40 cm betreft, verwijzen beklaagden naar de vergunde plannen gevoegd aan de bouwvergunning waarbij zij beweren dat een reliëfwijziging werd vergund en zij aldus conform de vergunning het terrein hebben opgehoogd (verwijzend naar “bestaand en nieuw niveau” op het plan).

Het hof stelt vast dat dit betrekking heeft op het terrein waar de woning op staat maar dat dit geen vergunning inhoudt tot ophoging van de grond op het hele terrein rondom de woning. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt is wel degelijk op de hoogte dat het terrein verschillende hoogtes had, maar doordat het terrein gelegen is in een risicogebied voor wateroverlast, zijn alle terreinverhogingen rondom de woning uit den boze, zoals uitdrukkelijk vermeld is op de bouwvergunning van 23 oktober 2003.

Op 14 januari 2005 deelt de stad Hasselt aan de burgerlijke partij ’t J.-W. (buren) mee dat de vloerpeilhoogte van de nieuwe woning dezelfde is als die van hun woning en dat beklaagden verwittigd zijn om het verschil in grondniveau op te vangen met een buitentrap en dit verschil niet aan te hogen. Op 7 juli 2005 hebben de verbalisanten vastgesteld dat het terrein wel met minstens 40 cm werd verhoogd. Uit de brief van de stad Hasselt van 6 oktober 2005 aan de Vlaamse Gemeenschap blijkt dat beklaagden ondanks het feit dat zij bij brief van 23 augustus 2004 werden aangemaand om geen ophogingen te doen, dit toch deden en beklaagden aldus deze aanmaningen naast zich neerlegden.

Er is geen betwisting over dat de woning, buiten de afwijkingen hiervoor vermeld, conform de bouwvergunning is gebouwd, waarbij op de plaats van de woning een kleine verhoging hellend naar beneden werd toegestaan conform de goedgekeurde plannen, maar dit impliceert uiteraard niet dat het hele terrein mocht worden opgehoogd. De brief van 14 januari 2005 van de stad Hasselt aan de buren ’t J.-W. beaamt dit, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat het hele perceel mocht worden opgehoogd. Integendeel, de stad Hasselt raadt aan het niveauverschil op te lossen met een buitentrap.

Op welke wijze het niveauverschil dan moet worden opgelost om het huis te betreden en de garage binnen te rijden, is inderdaad een structureel probleem dat moet worden opgelost, maar zeker niet door terreinverhogingen, want dit was ab initio verboden, zoals blijkt uit de verleende voorwaardelijke bouwvergunning van 23 oktober 2003. Beklaagden hadden het bestaan van het niveauverschil op het terrein moeten onderkennen en oplossen bij de aanvang van het werk, goed wetende dat een terreinverhoging niet was toegestaan.

De bewering dat het perceel niet met 40 cm werd verhoogd ten aanzien van de buren rechts en links, druist in tegen de vaststellingen van de verbalisanten die gelden tot bewijs van het tegendeel. Beklaagden weerleggen deze vaststellingen niet. Het louter beweren dat deze vaststellingen onjuist zijn, acht het hof onvoldoende. Bovendien verwijst het hof naar de duidelijke foto’s in het strafdossier gevoegd die boekdelen spreken en voor geen betwisting vatbaar zijn. Het betreft wel degelijk een “aanmerkelijke” reliëfwijziging.

Beklaagden beweren dan ook ten onrechte dat zij door de stad Hasselt zijn misleid en niet wetens en willens de inbreuken hebben begaan. Ondanks de uitdrukkelijke voorwaarde in de verleende bouwvergunning en ondanks een aanmaning op 23 augustus 2004 (zie stuk 36 strafdossier) hebben beklaagden het terrein opgehoogd. Beklaagden zijn dan ook niet te goeder trouw.

Bijkomend heeft het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt andermaal de ingediende regularisatievergunning met betrekking tot deze terreinverhoging, waarbij voorgesteld wordt om de wateroverlast voor de buren te vermijden door keermuurtjes en een betonnen goot te plaatsen, geweigerd weliswaar na advies van de stedenbouwkundige inspecteur die deze maatregelen onvoldoende acht in geval van wateroverlast ingevolge een overstroming van de Kleine Herk (zie beslissing van 14 mei 2009).

...

2. De herstelvordering van de stedenbouwkundige inspecteur

Op 19 augustus 2005 vordert de stedenbouwkundige inspecteur het herstel:

– het ongedaan maken van de ophoging;

– het verwijderen van het terras op het plat dak;

– het aanpassen van het dak, zodat het aansluit met het dak van de rechterbuur en zodat de hoogte overeenkomt met de goedgekeurde plannen.

a) Dakterras en kroonlijstverhoging

Het dakterras en de kroonlijsthoogte werden inmiddels vergund ingevolge MB van 28 augustus 2007. De stedenbouwkundige inspecteur vermeldt in de inlichtingenfiche voor de Hoge Raad voor het Herstelbeleid (thans Handhavingsbeleid) dat dit onderdeel van de herstelvordering zonder voorwerp is, gelet op de tussengekomen regularisatie.

b) De terreinophoging

Er rest van de herstelvordering enkel nog het ongedaan maken van de ophoging.

1. De rechter is ertoe gehouden de herstelmaatregel te bevelen zoals gevorderd door de herstelvorderende overheid, maar dient deze wel op zijn interne en externe wettigheid te toetsen en te onderzoeken of deze strookt met de wet dan wel op machtsoverschrijding of machtsafwending berust.

De rechter heeft derhalve geen volheid van bevoegdheid. De scheiding der machten verhindert dat de rechter over de opportuniteit van de herstelmaatregel kan oordelen. Alleen de herstelvorderende overheid heeft een appreciatie- en beleidsbevoegdheid. De rechter kan enkel nagaan of de door de herstelvorderende overheid gedane keuze van herstelmaatregel uitsluitend gebaseerd is op motieven van goede ruimtelijke ordening, en eventueel een herstelvordering die zou gebaseerd zijn op motieven vreemd aan de ruimtelijke ordening of die kennelijk onredelijk zou zijn zonder gevolg laten. Daartoe heeft hij enkel een marginaal toetsingsrecht.

Om dezelfde reden kan het hof dan ook geen meerwaarde noch aanpassingswerken opleggen voor de wederrechtelijk uitgevoerde werken en oordelen of een andere herstelmaatregel ook volwaardig is.

Dat in bepaalde gevallen, zoals bij overschrijding van de redelijke termijn, de herstelmaatregel als straf zou dienen te worden beschouwd in de zin van art. 6.1 EVRM en art. 14 BUPO, brengt enkel mee dat de waarborgen van die bepaling moeten worden in acht genomen, zonder dat daardoor de herstelmaatregel in de Belgische rechtsorde en wetgeving als van strafrechtelijke aard zou moeten worden beschouwd waarover de strafrechter met volheid van bevoegdheid zou kunnen oordelen (Cass. 4 november 2008, RW 2008-09, 1352). In deze zaak is evenwel geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De herstelmaatregelen zijn immers geen straffen. Doordat zij afhankelijk zijn van de vaststelling van een misdrijf, is de vordering weliswaar verbonden met de strafvordering, maar vallen zij binnen het concept van teruggave in de zin van art. 44 Sw. De herstelvordering strekt er in deze zaak toe de onrechtmatige toestand ingevolge de bewezen verklaarde misdrijven van oprichting ten aanzien van beklaagden te doen verdwijnen en is noodzakelijk om de gevolgen van deze misdrijven ongedaan te maken.

2. De omstandig gemotiveerde herstelvordering van 19 augustus 2005, zoals bijkomend aangevuld en gepreciseerd door de stedenbouwkundige inspecteur in de analyse voor het advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, is zowel intern als extern wettig en beoogt op gepaste maar noodzakelijke wijze het herstel. Zij is gebaseerd op motieven van een goede ruimtelijke ordening en is niet kennelijk onredelijk, aan welke vaststellingen geen afbreuk wordt gedaan doordat beklaagden daarover een louter andere mening hebben. Deze herstelvordering is tijdig ingesteld en is op afdoende wijze gemotiveerd vanuit de noodwendigheden van een goede ruimtelijke ordening, gelet ook mede op het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid (nu Handhavingsbeleid).

Dit advies is weliswaar niet bindend voor de rechter, hetgeen impliceert dat de rechter de mogelijkheid heeft om de herstelvordering te beoordelen op haar wettigheid, ongeacht of de Hoge Raad een eensluidend dan wel andersluidend advies geeft over het toekennen van de herstelvordering. Dit advies is evenmin bindend voor de herstelvorderende overheid.

Het hof sluit zich echter aan bij de overwegingen zoals geformuleerd in het advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid.

3. Tevergeefs beweren beklaagden dat het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel is geschonden doordat er een wanverhouding zou bestaan tussen de feiten die zijn vastgesteld en de maatregel die de stedenbouwkundige inspecteur oplegt.

De herstelvordering brengt voor beklaagden geen onredelijke last mee die het voordeel, dat voor de ruimtelijke ordening zou ontstaan, zou overstijgen. Beklaagden hebben immers zichzelf in een dergelijke situatie gebracht, goed wetende dat een ophoging van het perceel niet was toegestaan om reden dat het perceel gelegen is in een risicogebied voor wateroverlast.

De ophoging van het perceel is aanzienlijk en niet beperkt zoals beklaagden beweren. De foto’s in het strafdossier tonen aan dat er een bruuske overgang naar de aanpalende percelen is veroorzaakt. De door beklaagden voorgestelde maatregelen, zoals een keermuur en drainage, hebben enkel tot gevolg dat het hemelwater op het eigen perceel wordt opgevangen, maar biedt geen oplossing voor het overstromingswater afkomstig van de Kleine Herk. Door de terreinophoging wordt de ruimte voor dit overstromingswater beperkt en wordt het risico op wateroverlast voor de aanpalende percelen verhoogd. Met andere woorden, door de terreinverhoging gaat de buffercapaciteit voor opvang van water op die plaats verloren ten nadele van de omliggende percelen die in geval van overstroming meer water zullen moeten opvangen.

Bij het beoordelen van de herstelmaatregel dient het hof rekening te houden met de bestaande toestand. De aanleg van het bufferbekken teneinde overstroming in het gebied te vermijden, is tot op heden niet gerealiseerd. De werken zijn zelfs nog niet aangevat, zodat het hof hiermede geen rekening houdt.

De termijn voor het herstel dient te worden bepaald op twee jaar vanaf het in kracht van gewijsde gaan van huidig arrest om de beklaagden de nodige tijd te verschaffen om zich aan de hun bij dit arrest opgelegde verplichtingen te conformeren.

Het is gepast om een dwangsom op te leggen waarvan het bedrag wordt bepaald op 125 euro per dag vertraging indien niet vrijwillig door beklaagden wordt overgegaan tot het herstel van de plaats in zijn vorige toestand, zoals hierboven aangegeven, en dit binnen de opgelegde hersteltermijn, met dien verstande dat die dwangsom zal verbeurd zijn vanaf de eerste dag na de hierboven vermelde hersteltermijn in zoverre het huidig arrest vooraf werd betekend. Het opleggen van een dwangsom is noodzakelijk om reden dat beklaagden van bij de aanvang van de bouw van hun woning wisten dat er geen ophoging van het perceel mocht worden doorgevoerd en tot op heden niet zijn overgegaan tot verwijdering. Het hof legt geen dwangsomtermijn op en acht het eveneens niet opportuun om deze dwangsom te beperken in de tijd, aangezien beklaagden over voldoende tijd beschikken om zich te conformeren met de opgelegde herstelmaatregel.

3. De burgerlijke vordering

a) De vordering van de h. en mevr. L.-J.

Deze burgerlijke partij is de naaste buur van beklaagden en heeft derhalve een belang om het herstel van de plaats in de vorige toestand te vorderen, weliswaar met dien verstande dat dit herstel betrekking heeft op de ten aanzien van beklaagde bewezen verklaarde misdrijven. De herstelvordering van de burgerlijke partij kan bestaan naast die van de stedenbouwkundige inspecteur waarbij de aard van het herstel verschillend kan zijn. Op grond van art. 150 DRO dient het hof dan te oordelen welke herstelmaatregel het passend acht, rekening houdend met het algemeen stedenbouwkundig belang.

De burgerlijke partij vordert naast een schadevergoeding van 1000 euro, moreel en materieel vermengd en naar billijkheid begroot, het hiernavolgend herstel:

– het ongedaan maken van de ophoging van het terrein en het verwijderen van de aangevoerde grond zodat het oorspronkelijk maaiveldniveau wordt hersteld en het reliëf met de aanpalende percelen gelijk is;

– het ongedaan maken van de verhardingen die niet vergund zijn volgens het vergunde plan van 12 november 2003,

met dien verstande dat het herstel binnen drie maanden na het in kracht van gewijsde zijn van huidig arrest moet uitgevoerd zijn op straffe van een dwangsom van 250 euro per dag vertraging.

Het onderdeel van de vordering m.b.t. de verhardingen is ongegrond, om reden dat beklaagden hiervoor niet werden vervolgd.

Wat betreft het ongedaan maken van de ophoging van het terrein en het verwijderen van de aangevoerde grond, stemt deze vordering grotendeels overeen met die van de stedenbouwkundige inspecteur, met dien verstande dat ze nog bijkomend wordt gespecificeerd als volgt: “zodat het oorspronkelijke maaiveldniveau wordt hersteld en het reliëf met de aanpalende percelen gelijk is”.

Uit de gegevens van het strafdossier is niet aangetoond dat oorspronkelijk het reliëf van het perceel van beklaagden gelijk lag met het reliëf van de aanpalende percelen. Ook de stedenbouwkundige inspecteur vermeldt dit niet uitdrukkelijk in zijn vordering. Vandaar dat het hof een herstel toekent als volgt: “het ongedaan maken van de ophoging van het terrein en het verwijderen van de aangevoerde grond zodat het oorspronkelijke maaiveldniveau wordt hersteld”.

Om redenen zoals reeds uiteengezet onder de rubriek “de herstelvordering van de stedenbouwkundige inspecteur” brengt dit herstel zoals door het hof toegekend voor beklaagden geen onredelijke last mee die het voordeel dat voor de ruimtelijke ordening zou ontstaan zou overstijgen. De uitoefening ervan maakt dan ook voor de burgerlijke partij geen rechtsmisbruik uit.

De termijn voor het herstel dient te worden bepaald op twee jaar vanaf het in kracht van gewijsde gaan van huidig arrest, om de beklaagden de nodige tijd te verschaffen om zich aan de hun bij dit arrest opgelegde verplichtingen te conformeren. Een termijn van herstel van drie maanden acht het hof onvoldoende, gelet op de aard en de omvang van de uit te voeren herstelwerkzaamheden.

Het hof acht het niet opportuun een dwangsom op te leggen, omdat reeds een dwangsom is opgelegd ten voordele van de stedenbouwkundige inspecteur wiens herstelvordering overeenstemt met die van de burgerlijke partij.

De burgerlijke partij beweert dat zij ingevolge de wederrechtelijke reliëfwijziging regelmatig te kampen had en nog heeft met grote plassen water op haar perceel. De burgerlijke partij toont dit onvoldoende aan. De neergelegde foto’s geven hieromtrent geen uitsluitsel. De aanwezige plassen kunnen te wijten zijn aan een eenmalige hevige regenbui. Er zijn geen objectieve vaststellingen dat de burgerlijke partij op regelmatige basis te kampen had en heeft met wateroverlast. De burgerlijke partij laat na schade ingevolge het bewezen verklaard misdrijf aan te tonen.

Het hof stelt vast dat sinds de bouw van de woning van beklaagden in 2003 er zich nog geen overstroming heeft voorgedaan. De foto’s gevoegd door de burgerlijke partij hebben betrekking op de overstroming die zich voordeed in 1998, vóór de aanbouw van de woning.

Derhalve is er geen materiële schade aangetoond. Wel aanvaardt het hof dat de burgerlijke partij morele schade heeft geleden doordat beklaagden de regels van de ruimtelijke ordening hebben overtreden waardoor zij diverse bezwaarschriften bij het college van burgemeester en schepenen indiende. Het hof begroot deze schade naar billijkheid op 1 euro morele schadevergoeding.

b) De vordering van de h. en mevr. ’t J.-W.

Deze burgerlijke partij is de rechterbuur van beklaagden en heeft derhalve een belang om het herstel van de plaats in de vorige toestand te vorderen, weliswaar met dien verstande dat dit herstel betrekking heeft op de ten aanzien van beklaagden bewezen verklaarde misdrijven.

De burgerlijke partij vordert naast een schadevergoeding van 1000 euro, hiernavolgend herstel:

– het ongedaan maken van de ophoging van het terrein en het verwijderen van de aangevoerde grond;

– het verwijderen van het terras op het plat dak;

– het aanpassen van het dak, zodat het aansluit met het dak van de rechterbuur, zodat de hoogte overeenkomt met de goedgekeurde plannen;

– de vervanging van de schuiframen op de eerste verdieping, uitgevend op het platte dak waar thans het wederrechtelijk opgerichte terras is, door vaste ramen;

– het naleven van de grondoppervlakte van de burgerlijke partij,

met dien verstande dat het herstel binnen drie maanden na het in kracht van gewijsde zijn van huidig arrest wordt uitgevoerd op straffe van een dwangsom van 125 euro per dag vertraging.

Subsidiair vordert de burgerlijke partij wanneer het hof de regularisatie van het dakterras en verhoging van de kroonlijst aanvaardt:

– de verhoging van de schouw van de burgerlijke partij met een lengte van 1,20 m op kosten van beklaagden na voorlegging van de factuur;

– vervanging van het groenscherm door een ondoorzichtig glasscherm.

Het hof stelt derhalve vast dat de vordering van de stedenbouwkundige inspecteur niet helemaal overeenstemt met die van de burgerlijke partij die uitgebreider is. Op grond van art. 150 DRO dient het hof de herstelmaatregel te bevelen die het passend acht en moet het onderzoeken of deze herstelmaatregel is genomen vanuit een algemeen stedenbouwkundig belang.

Wat betreft het ongedaan maken van de ophoging van het terrein en het verwijderen van de aangevoerde grond, acht het hof dit onderdeel van het herstel gegrond om de redenen hierboven uiteengezet onder titel 2 “de herstelvordering van de stedenbouwkundige inspecteur”.

Wat betreft het dakterras en het aanpassen van de hoogte van het dak conform de vergunde plannen, vordert de burgerlijke partij aanpassingswerken, in tegenstelling tot de stedenbouwkundige inspecteur die, gelet op de regularisatie, dit onderdeel van zijn herstelvordering zonder voorwerp verklaart.

De burgerlijke partij erkent zelf in conclusies dat de ruimtelijke impact van deze overtredingen gering is, maar dat de privacy van de burgerlijke partij ernstig verstoord is door het aanleggen van het dakterras, ook al is er een groenscherm aangebracht.

Het hof is enkel bevoegd de herstelmaatregel te toetsen in het raam van het algemeen stedenbouwkundig belang:

– het hof acht het vanuit stedenbouwkundig algemeen belang niet opportuun om het dakterras met groenscherm op 1,90 m van de perceelsgrens te verwijderen, gelet op de geringe ruimtelijke impact waardoor de privacy ten aanzien van de burgerlijke partij op voldoende wijze werd gewaarborgd. Het subsidiair gevorderde herstel, namelijk het groenscherm te vervangen door het glasscherm, wijst het hof om dezelfde reden af. Deze toestand werd overigens bij MB van 28 augustus 2007 geregulariseerd.

– wat betreft het herstel van het verhoogde dakprofiel, is vastgesteld dat het een zeer beperkte afwijking is van de vergunde toestand die ruimtelijk geen impact heeft op de omgeving. Om dezelfde reden werd bij hetzelfde MB van 28 augustus 2007 de toestand geregulariseerd. Met betrekking tot het subsidiair gevorderde herstel, namelijk dat beklaagden ertoe gehouden zijn de schouw van beklaagden te verhogen op hun kosten, stelt het hof vast dat op de vergunde plannen een hogere nokhoogte was aangegeven dan het dakprofiel van de aanpalende woning van de burgerlijke partij. De burgerlijke partij toont alleszins niet aan dat ingevolge de beperkte afwijking van de vergunde toestand hierdoor de bestaande schouw van de burgerlijke partij onvoldoende zou functioneren. Ten onrechte beweert de burgerlijke partij dat de verhoging van de schouw ten belope van 1,20 m als voorwaarde is gevoegd in de regularisatievergunning zoals toegekend bij beslissing van de bestendige deputatie van 5 oktober 2006 (bekrachtigd bij MB van 28 augustus 2007). Integendeel, de bestendige deputatie stelt vast dat in de oorspronkelijke vergunning de nokhoogte van de woning van beklaagden hoger was dan die van de burgerlijke partij en bouwtechnisch kan worden verholpen volgens de regels van de kunst. Het subsidiair gevorderde herstel met betrekking tot het verhoogde dakprofiel wijst het hof derhalve af.

Vervolgens vordert de burgerlijke partij dat beklaagden de grondoppervlakte naleven. De burgerlijke partij voert aan dat beklaagden een muur bouwden die deels op hun perceel staat. Het hof stelt vast dat dit onderdeel van het herstel geen voorwerp uitmaakt van het misdrijf waarvoor beklaagden werden vervolgd, zodat dit onderdeel van herstel ongegrond is.

De vervanging van de schuiframen op de eerste verdieping, uitgevend op het platte dak waar thans het wederrechtelijk opgerichte terras is, door vaste ramen, maakt evenmin het voorwerp uit van het misdrijf waarvoor beklaagden werden vervolgd, zodat dit onderdeel van het herstel ongegrond is.

Om redenen zoals reeds uiteengezet onder de rubriek 2 “de herstelvordering van de stedenbouwkundige inspecteur” brengt dit herstel zoals door het hof toegekend voor beklaagden geen onredelijke last mee die het voordeel dat voor de ruimtelijke ordening zou ontstaan zou overstijgen. De uitoefening ervan maakt dan ook voor de burgerlijke partij geen rechtsmisbruik uit.

De termijn voor het herstel dient te worden bepaald op twee jaar vanaf het in kracht van gewijsde gaan van huidig arrest, om de beklaagden de nodige tijd te verschaffen om zich aan de hen bij dit arrest opgelegde verplichtingen te conformeren. Een termijn van herstel van drie maanden acht het hof onvoldoende, gelet op de aard en de omvang van de uit te voeren herstelwerkzaamheden.

Het hof acht het niet opportuun een dwangsom op te leggen, omdat reeds een dwangsom is opgelegd ten voordele van de stedenbouwkundige inspecteur wiens herstelvordering overeenstemt met die van de burgerlijke partij.

Bijkomend vordert de burgerlijke partij een schadevergoeding gelijk aan 1000 euro zonder enige specificatie van welke schade zij heeft geleden ingevolge de bewezen verklaarde misdrijven van beklaagden.

Er is geen materiële schade aangetoond. Wel aanvaardt het hof dat de burgerlijke partij morele schade heeft geleden doordat beklaagden de regels van de ruimtelijke ordening hebben overtreden waardoor zij diverse bezwaarschriften bij het college van burgemeester en schepenen indiende. Het hof begroot deze schade naar billijkheid op 1 euro morele schadevergoeding.

NOOT – Onder dit arrest in het RW, Tom Van Dromme, De privatisering van de handhaving ruimtelijke ordening: de benadeelde derde moet zelf de handen uit de mouwen steken

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 14/04/2016 - 12:43
Laatst aangepast op: do, 14/04/2016 - 12:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.