-A +A

Herstelvordering en schorsing van de strafvordering gedurende de uitoefening van het woonrecht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
vri, 11/12/2009
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2010-2011
Pagina: 
458
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Openbaar ministerie t/ M., Van D. en C.V. V.

...

4.1. De derde beklaagde C.V.V., die onder meer actief is in de vastgoedsector, is sedert 1998 eigenaar van een weekendverblijf te Sint-Gillis-Waas, (...), gelegen in een gebied voor verblijfsrecreatie.

De tweede beklaagde is in het weekendverblijf (permanent) gaan wonen op 3 april 2003, zoals blijkt uit zijn inschrijving op die dag in het bevolkingsregister; hij huurde het goed van de derde beklaagde.

Op 7 augustus 2003 is de eerste beklaagde bij haar toenmalige vriend gaan wonen in het weekendverblijf, zoals blijkt uit haar inschrijving op die dag in het bevolkingsregister; ook zij huurt het goed van de derde beklaagde.

Tot 3 oktober 2003 was een dochter van de tweede beklaagde zaakvoerder van de derde beklaagde; sindsdien of daarna zijn zowel de eerste als de tweede beklaagde zaakvoerder van de C.V.V.

De eerste en de tweede beklaagde zijn sedert 2 juli 2005 echtgenoten.

Op het ogenblik van de dagvaarding voor het hof op 14 september 2009 waren de eerste en de tweede beklaagde niet langer ingeschreven op het adres (...) Sint- Gillis-Waas maar op het adres (...) Sint-Gillis-Waas (deelgemeente Sint-Pauwels).

4.2. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Gillis-Waas heeft bij brieven van 24 maart 2004 met bijlagen bij het parket de vordering tot het staken van het strijdige gebruik ingeleid, krachtens het toen geldende art. 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999. Het college van burgemeester en schepenen vordert tevens de verbeurte van een dwangsom bij niet-naleving van het bevel tot staken van het strijdig gebruik.

De gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur heeft zich bij brief van 10 september 2004 bij de vordering van het college aangesloten.

5. In hoofdstuk IV van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) wordt onder de titel «aanpak permanente bewoning weekendverblijven» onder bepaalde voorwaarden een woonrecht toegekend aan permanente bewoners van weekendverblijven en hun gezinsleden (art. 5.4.3. VCRO).

Art. 5.4.3., § 3, tweede lid, 2o, VCRO bepaalt dat gedurende de uitoefening van het woonrecht worden geschorst «op het strijdig gebruik van het weekendverblijf gesteunde vorderingen op grond van de artikelen 6.1.1. en 6.1.41. tot en met 6.1.43., ontstaan vóór de aanvang van het woonrecht, evenals de verjaring van deze vorderingen». Dit impliceert een schorsing van de strafvordering, met inbegrip van de herstelvordering, die kan duren tot en met 31 december 2029 en in bepaalde gevallen zelfs tot 31 december 2039 (art. 5.4.3., § 1, tweede lid, VCRO).

Art. 6.1. van het EVRM bepaalt onder meer dat bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, eenieder het recht heeft op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.

Dit grondrecht wordt niet op geheel of gedeeltelijk analoge wijze gewaarborgd in een bepaling uit titel II van de Grondwet, zodat het hof zich zonder een prejudiciële vraag te moeten stellen aan het Grondwettelijk Hof (art. 26, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, zoals aangevuld door de bijzondere wet van 12 juli 2009) kan uitspreken over de ambtshalve opgeworpen vraag of art. 5.4.3, § 3, tweede lid, 2o, VCRO het recht op de behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn schendt.

Gelet precies op het feit dat de schorsing kan duren tot 31 december 2039 dient deze vraag positief te worden beantwoord.

Wegens de voorrang op het interne recht van de internationale rechtsregel vervat in art. 6.1. van het door België geratificeerde EVRM is het hof verplicht art. 5.4.3., § 3, tweede lid, 2o, VCRO buiten toepassing te laten.

Zelfs in de veronderstelling dat de beklaagden over een woonrecht beschikken (zie randnummer 10.2), dan staat dit aan de afhandeling van de strafvordering niet in de weg.

Op de terechtzitting van het hof hebben de aanwezige of vertegenwoordigde partijen over dit alles tegenspraak kunnen voeren.

...

8.1.1. Gelet op de gegevens van het vooronderzoek en de behandeling op de terechtzitting van het hof is de telastlegging A.a. ten aanzien van de eerste en de tweede beklaagde bewezen, met uitzondering van de verzwarende omstandigheid; het blijkt immers niet uit het dossier dat op de onderscheiden ogenblikken dat het misdrijf omschreven in de telastlegging A.a. werd gepleegd, deze beklaagden een beroep of activiteit uitoefenden als bedoeld in de aangevoerde verzwarende omstandigheid.

8.1.2. Deze beklaagden hebben wetens en willens een manifest wederrechtelijke toestand tot stand gebracht, door in het weekendverblijf (permanent) te wonen. Het belang van de gemeenschap bij de naleving van de voorschriften die een goede ruimtelijke ordening beogen, hebben zij miskend. Slechts de hierna uitgesproken geldboetes vormen daarom voor deze beklaagden een passende bestraffing, van aard hen te doen inzien dat zij zich in de toekomst aan de decretale voorschriften ter zake dienen te houden. Het hof houdt hierbij in het voordeel van de eerste beklaagde rekening met de afwezigheid van vroegere veroordelingen.

8.2.1. Gelet op de gegevens van het vooronderzoek en de behandeling op de terechtzitting van het hof is de telastlegging B.a. ten aanzien van de derde beklaagde bewezen, met inbegrip van de verzwarende omstandigheid.

De afwezigheid van enig protest van de rechtspersoon wijst op de toestemming van de eigenaar met de functiewijziging door de eerste en de tweede beklaagde, die overigens blijkens de gegevens van het dossier op dat ogenblik feitelijke zeggenschap hadden over de rechtspersoon. De huurovereenkomsten, die voor beide beklaagden een gelijke inhoud hebben, bepalen in art. 5 overigens met zoveel woorden dat het gehuurde als hoofdverblijfplaats van de huurder moet dienen.

8.2.2. De rechtspersoon werkte door zijn toestemming mee aan het creëren van een onwettige toestand; ook de derde beklaagde heeft geen oog gehad voor het belang van de gemeenschap bij het behoud van een goede ruimtelijke ordening. De hierna uit te spreken geldboete is daarom noodzakelijk.

...

10.1. Zoals hiervoor aangestipt, vorderen het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint- Gillis-Waas en de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur het staken van het strijdige gebruik. Zij vorderen tevens de verbeurte van een dwangsom bij niet- naleving van het bevel tot staken. Voor zover zij gebaseerd is op het misdrijf omschreven in de telastlegging A.a., kan het hof, wanneer daartoe grond bestaat, de herstelvordering nog inwilligen.

10.2. Het wordt niet aangevoerd en het blijkt uit het dossier niet dat de eerste en/of de tweede beklaagde over een woonrecht (art. 5.4.3. VCRO) beschikken. De gevorderde herstelmaatregel is wettig.

10.3. Gelet op het talmen van de eerste en de tweede beklaagde in het verleden om het strijdige gebruik te staken, wordt terecht de verbeurte van een dwangsom gevorderd bij niet-naleving van het bevel tot staken. De hierna uitgesproken modaliteiten vormen een gepaste en noodzakelijke aansporing van deze beklaagden om hiertoe zelf over te gaan.

De lange tijd sedert wanneer de eerste en de tweede beklaagde reeds konden overgaan tot het staken van het strijdige gebruik en de ruime termijn die hun thans hiertoe nog wordt verleend, brengen mee dat er geen reden is om met toepassing van art. 1385bis, laatste lid, Ger. W. nog een zekere termijn te bepalen waarna de veroordeelden pas de dwangsom zal kunnen verbeuren.

 

Noot: 

T. Vandromme, «Recente ontwikkelingen in de handhaving van de ruimtelijke ordening: de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het arrest-Hamer en de uitgebreide cassatierechtspraak», R.W. 2010-2011, 434 randnr. 45.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 11/11/2010 - 15:36
Laatst aangepast op: do, 11/11/2010 - 15:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.