-A +A

Herstelvordering en hoedanigheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Datum van de uitspraak: 
din, 21/04/2009

Het Vlaamse gewest heeft geen hoedanigheid om een herstel vordering in te stellen.

De bevoegdheid komt toe aan de stedenbouwkundige inspecteur. Zelfs een vordering door deze inspecteur ingesteld namens het Vlaamse gewest is onontvankelijk
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
1475
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Vlaams Gewest t/ V.

...

II. Relevante elementen van het onderhavige geval

1. De verweerster is eigenaar van een perceel met opstallen te (...), volgens het vigerende Gewestplan Gentse en kanaalzone gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en tevens valleigebied.

Blijkens de reeds gevoerde strafrechtelijke procedure (2000-2006) begaat de verweerster een stedenbouwmisdrijf door, met miskenning van de haar medio 1995 verleende stedenbouwkundige vergunning tot verbouwing van de bestaande woning en tot sloping van de achterbouw/stalling, uiteindelijk de achterbouw/stalling te verbouwen.

De verweerster verkrijgt geen stedenbouwkundige regularisatie.

Tot op heden liggen de litigieuze bouwwerkzaamheden stil.

2. In het raam van voormelde strafrechtelijke procedure wordt, in hoger beroep, besloten dat de (gevorderde) herstelmaatregel strekkende tot afbraak van de nieuwe constructie/verbouwde achterbouw/stalling kennelijk onredelijk is. De nieuwe constructie verschilt immers relatief weinig van hoe de oude constructie, na de vergunde verbouwing, er zou hebben uitgezien; voorts vertoont zij geen dominant karakter in het landschap en vormt zij geen belangrijke bijkomende aantasting van het bedoelde gebied.

III. Vordering

1. De vordering van de eiser strekt, bij wijze van herstelmaatregelen, tot afbraak van de (vooraan gelegen) oude constructie, binnen zes maanden en onder verbeurte van een dwangsom, met machtiging om desnoods van ambtswege tot afbraak te kunnen laten overgaan, met verwijdering van de afbraakmaterialen én tot betaling van de meerwaarde ten bedrage van 193.876,20 euro, die de nieuwe constructie/verbouwde achterbouw/stalling heeft verkregen.

Deze vordering is, met toepassing van art. 160 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (DRO), overgeschreven in de registers van de bevoegde hypotheekbewaarder te Gent (Tweede kantoor – 68 – T 27/8/2008 – 11256).

2. De verweerster neemt conclusie tot afwijzing van deze vordering.

IV. Beoordeling

1. Met de verweerster, in de lijn van wat zij bij (synthese)conclusie van 12 februari 2009 op omstandige wijze uiteenzet, is de rechtbank van oordeel dat voormelde vordering, uitgaande van de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur, bevoegd voor het grondgebied van de provincie Oost-Vlaandeen, “namens het Vlaamse Gewest” niet ontvankelijk is.

2. Krachtens art. 151 DRO kan de stedenbouwkundige inspecteur in het raam van een burgerlijke procedure voor de rechtbank van eerste aanleg de in art. 149, § 1 DRO bedoelde herstelmaatregelen vorderen. Art. 151 DRO verklaart daarbij art. 149, § 1, tweede lid, §§ 3, 4 en 5 DRO van overeenkomstige toepassing.

Het staat buiten kijf dat de decreetgever met deze bepaling de stedenbouwkundige inspecteur in (rechts)persoon de (eigen) publiekrechtelijke bevoegdheid/hoedanigheid verschaft om in het algemeen belang (de verwezenlijking/vrijwaring van een goede ruimtelijke ordening) te voorzien in de bedoelde herstelmaatregelen (zie o.m.: Arbitragehof 26 november 2003, arrest nr. 154). De hoedanigheid van de stedenbouwkundige inspecteur om in eigen naam te voorzien in de bedoelde herstelmaatregelen is duidelijk te onderscheiden van de hoedanigheid van het Vlaamse Gewest (P. Lefranc, “De stedenbouwkundige inspecteur is het gewest niet, valt er niet mee samen en is ervan te onderscheiden. Toch?” (noot onder Rb. Brussel 11 september 2007), TMR 2008, 402-403). Die te onderscheiden hoedanigheid vindt ook bevestiging in (art. 5 van) het Besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Inspectie RWO (waaronder de stedenbouwkundige inspecteur ressorteert). Het Vlaamse Gewest heeft geen hoedanigheid om te voorzien in de bedoelde herstelmaatregelen (zie ook en vergelijk: Cass. 3 december 1996, Arr. Cass. 1996, 1149, Pas. 1996, I, 1221, JT 1997, 482, P&B 1997, 212; Cass. 22 juni 1999, Arr. Cass. 1999, 918, Pas. 1999, 949; Cass. 12 oktober 2001, APT 2002, 88, noot B. Hendrickx, Amén. 2002, 157, Arr.Cass. 2001, 1679, Pas. 2001, 1618; Cass. 9 januari 2002, Arr.Cass. 2002, 47, Pas. 2002, 43, APT 2005, 23, noot N. Van Laer, JLMB 2002, 1076, JT 2002, 604, noot).

Voormelde vordering, die uitgaat van de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur “namens het Vlaamse Gewest”, is derhalve niet ontvankelijk (Rb. Brussel 11 september 2007, TMR 2008, 401, noot P. Lefranc). Een (al was het beweerde) link tussen de partij van wie de vordering (eigenlijk) uitgaat (het Vlaamse Gewest) en de hoedanigheid om in de bedoelde herstelmaatregelen te (doen) voorzien, ontbreekt.

3. Bij (synthese)conclusie van 12 januari 2009 erkent de eiser (in de gedinginleidende dagvaarding) gewag te maken van een verandering van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur “namens het Vlaamse Gewest” en neemt hij aan op die manier onduidelijkheid/verwarring te zaaien. Niettemin zou volgens de eiser aan de bedoelde passage “namens het Vlaamse Gewest” een passende lezing/draagwijdte moeten toekomen...

De rechtbank kan dit verweer, dat gebaseerd is op art. 149, § 2 DRO (aangaande de herstelmaatregel in het raam van een correctionele procedure voor de rechtbank van eerste aanleg), niet bijvallen. Hoewel het voormelde art. 151 DRO (aangaande de herstelmaatregel in het raam van een burgerlijke procedure voor de rechtbank van eerste aanleg) verwijst naar art. 149 DRO, verwijst het niet naar art. 149, § 2 DRO. Hoe dan ook regelt deze bepaling (stellende dat de herstelmaatregel bij het parket wordt ingeleid bij gewone brief) slechts de wijze waarop de gekozen herstelmaatregel kenbaar wordt gemaakt, zonder daarbij procedureregels te bepalen voor de bedoelde (correctionele) rechtbank (zie o.m.: Arbitragehof 28 maart 2002, arrest nr. 57; P. Lefranc, “De stedenbouwkundige inspecteur is het gewest niet, valt er niet mee samen en is ervan te onderscheiden. Toch” (noot onder Rb. Brussel 11 september 2007), TMR 2008, p. 403, nr. 8, die aangeeft dat het vooralsnog niet vaststaat of de stedenbouwkundige inspecteur in het raam van een correctionele procedure voor de rechtbank van eerste aanleg al dan niet in naam van het Vlaamse Gewest optreedt wanneer hij in een herstelmaatregel wil doen voorzien).

...

Noot: 

• T. Vandromme, «Recente ontwikkelingen in de handhaving van de ruimtelijke ordening: de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het arrest-Hamer en de uitgebreide cassatierechtspraak», RW 2010-2011 434 randnrs. 10, 16 en 35.

• G. Debersaques, “De keuze van de herstelmaatregel bij stedenbouwmisdrijven gepleegd in strijd met de bestemmingsvoorschriften van het gebied” (noot onder Gent 16 december 2010, RW 2011-2012, 917),

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 07/04/2012 - 11:47
Laatst aangepast op: za, 07/04/2012 - 11:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.