-A +A

Herstelvordering en evenredigheid toetsing aan het EVRM

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 24/11/2009
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2010-2011
Pagina: 
453
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Hof van Cassatie 2e Kamer – 24 november 2009

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 14 januari 2009.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Tweede middel

8. Het middel voert schending aan van art. 6.1. EVRM: de omstandigheid dat de procedure vanaf het indienen van de herstelvordering van de stedenbouwkundig inspecteur op 19 juni 2003 een normaal verloop heeft gekend, verantwoordt niet de daaraan voorafgaande leemtes van tweemaal meer dan vier jaar te verklaren; minstens met betrekking tot de feiten van instandhouding van de uitbreiding van het woongedeelte die reeds in augustus 1993 was vastgesteld, kon derhalve niet geoordeeld worden dat de redelijke termijn niet was overschreden.

9. De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke termijn voor de berechting van de zaak, waarop elke beklaagde recht heeft, al dan niet is overschreden.

Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de feiten en omstandigheden die hij vaststelt, wettig heeft kunnen afleiden dat die redelijke termijn al of niet is overschreden.

10. De appelrechters stellen vast dat:

– het tijdsverloop tussen de vaststellingen en het indienen van de herstelvordering door de stedenbouwkundig inspecteur te wijten is aan de houding van de eisers zelf die telkens opnieuw andere werken uitvoerden zonder te beschikken over een vergunning;

– de eisers zelf verklaren dat zij de werken uitvoerden tussen 1992 en 2002.

11. Met de redenen die betrekking hebben op de redelijke termijn, hebben de appelrechters wettig kunnen oordelen dat die redelijke termijn niet is overschreden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

...

Derde onderdeel

17. Het onderdeel voert schending aan van art. 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999: het arrest willigt een herstelmaatregel in die verder strekt dan het herstel in de oorspronkelijke staat.

18. De herstelmaatregel, bedoeld in art. 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999, bepaalt dat de rechtbank benevens de straf, op vordering van de gemachtigde ambtenaar, thans stedenbouwkundig inspecteur, of van het college van burgemeester en schepenen beveelt de plaats in de vorige toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken.

Die bepaling houdt niet in dat de plaats moet worden hersteld in een materiële toestand die identiek is aan de toestand die vóór de bouwovertreding bestond. Het herstel van de plaats in de vorige toestand kan ook inhouden dat de illegale constructie volledig of gedeeltelijk wordt afgebroken zonder dat de constructie die er vóór de bouwovertreding op die plaats stond, behouden blijft.

Het onderdeel faalt naar recht.

Vierde onderdeel

19. Het onderdeel voert schending aan van art. 6 en 7 EVRM en art. 149 Stedenbouwdecreet 1999: het arrest miskent het strafrechtelijk karakter van de herstelmaatregel en de hieraan gekoppelde gevolgen op het vlak van de rechtsmacht van de rechter door de gevorderde herstelmaatregel in te willigen zonder na te gaan of de concrete omstandigheden van de zaak geen minder ingrijpend herstel noodzakelijk maakten of verantwoordden.

20. Art. 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt: «Naast de straf kan de rechtbank bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Dit gebeurt op de vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen, bedoeld in artikel 146, werden uitgevoerd. Indien deze inbreuken dateren van (...) is voorafgaand een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist».

21. De vaststelling dat het herstel in de oorspronkelijke toestand een «straf» is in de zin van art. 6.1. EVRM, brengt enkel mee dat de waarborgen van die bepaling moeten worden in acht genomen.

Zij heeft niet tot gevolg dat die maatregel in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard is zodat de algemene bepalingen van het Belgische strafrecht en strafprocesrecht erop toepassing moeten vinden.

22. Wanneer de beklaagde (evenwel) de gevolgen van het stedenbouwmisdrijf voor zijn eigendom betwist, meer bepaald wat de evenredigheid van de aan dat misdrijf te verbinden herstelmaatregel betreft, moet deze maatregel in ieder geval worden beoordeeld in het licht van art. 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM.

23. De wettigheid van de herstelvordering wordt mede bepaald door artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM waarvan het tweede lid bepaalt dat het recht op ongestoord genot van een eigendom op geen enkele wijze het recht aantast dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang.

De Staat geniet een ruime appreciatiebevoegdheid bij het treffen van maatregelen met betrekking tot de ruimtelijke ordening en de milieubescherming. Het komt aan de overheden toe in te grijpen om te voorkomen dat de maatregelen die ze hebben getroffen ter bescherming van de ruimtelijke ordening en het milieu, hun nut verliezen. Daartoe is het mogelijk dat het eigendomsrecht beperkt wordt. Het gunstig gevolg van de maatregel voor een goede ruimtelijke ordening dient echter evenredig te zijn met de last die eruit voortvloeit voor de overtreder.

24. De decreetgever heeft de vordering tot het nemen van de in art. 149 Stedenbouwdecreet 1999 voorgeschreven herstelmaatregelen ingevoerd met het oog op de vrijwaring van een goede ruimtelijke ordening. Hij heeft het van essentieel belang geacht dat de keuze van de gepaste maatregel wordt overgelaten aan de overheid die oordeelt op grond van het algemeen belang. Daarom kunnen de herstelmaatregelen slechts worden bevolen op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of het college van burgemeester en schepenen. Hun optreden is gebaseerd op hun wettelijke opdracht om het algemeen stedenbouwkundig belang te behartigen.

25. Art. 149 Stedenbouwdecreet 1999 geeft het bestuur de bevoegdheid een herstelbeleid te voeren: het bestuur beslist of het al dan niet een herstelmaatregel zal vorderen; indien het beslist een herstelmaatregel te vorderen, beschikt het over de keuze tussen drie mogelijke herstelmaatregelen binnen de grenzen en de modaliteiten die nader bij voornoemd art. 149 zijn bepaald.

Deze wettelijk bepaalde keuzemogelijkheid houdt een appreciatie- en beleidsbevoegdheid in voor het bestuur. De rechter moet die krachtens het beginsel van de scheiding der machten, zoals vervat in art. 36, 37 en 40 van de Grondwet, eerbiedigen.

26. Krachtens art. 159 Grondwet moet de rechter nagaan of de beslissing van de stedenbouwkundig inspecteur om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen, uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen. Wanneer de wettigheid van de herstelvordering wordt aangevochten, moet de rechter in het bijzonder nagaan of die vordering niet kennelijk onredelijk is, meer bepaald of het voordeel van de gevorderde herstelmaatregel tot behoud van een goede ruimtelijke ordening opweegt tegen de last die daaruit voor de overtreder voortvloeit.

De rechter kan niet zelf de redelijke herstelmaatregel bepalen maar enkel oordelen of het bestuur in redelijkheid is kunnen komen tot de beslissing een bepaalde wijze van herstel te vorderen. Rekening houdend met de appreciatie- en beleidsbevoegdheid van het bestuur, kan de rechter die beslissing slechts marginaal toetsen. Aldus wijst hij de herstelvordering slechts af indien zij kennelijk onredelijk is. Het begrip «kennelijke onredelijkheid» is daarbij niet het criterium op basis waarvan de gevorderde herstelmaatregel wordt beoordeeld. Het brengt daarentegen de wijze tot uitdrukking waarop de rechter de bestuurlijke beslissing op haar redelijkheid beoordeelt, namelijk met de terughoudendheid die de discretionaire bevoegdheid van het bestuur vereist.

27. De rechter die overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel van art. 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM vaststelt dat het door de overheid gevorderde herstel beantwoordt aan het vereiste rechtmatig evenwicht tussen een goede ruimtelijke ordening en het recht op ongestoord genot van de eigendom door de overtreder, vermag niet op grond van art. 6 EVRM zich in te laten met het beleid van het bestuur door niettemin diens redelijk verantwoorde herstelvordering te verwerpen om de enkele reden dat een andere maatregel hem persoonlijk beter aangepast lijkt.

Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de rechter krachtens zijn volle rechtsmacht zelf de toe te passen herstelmaatregel vrij moet kunnen bepalen en, ongeacht de beleidsruimte van het bestuur, de zelfs redelijke herstelvordering van het bevoegde bestuur moet kunnen hervormen, faalt naar recht.

...

 

Noot: 

T. Vandromme, «Recente ontwikkelingen in de handhaving van de ruimtelijke ordening: de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het arrest-Hamer en de uitgebreide cassatierechtspraak», RW 2010-2011 434 randnrs. 10, 16 en 35.
 

zie ook Cassatie 25 januari 2011, RW 2012-2013, 1211

AR nr. P.10.0369.N

J.L.K. t/ Openbaar ministerie

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer, van 26 januari 2010, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 2 februari 1999.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van art. 6.1. EVRM, art. 65 Stedenbouwwet, art. 68 Stedenbouwdecreet 1996, art. 149, § 1 Stedenbouwdecreet 1999 en art. 6.4.41, § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: ten onrechte weigeren de appelrechters enig gevolg te verbinden aan de overschrijding van de redelijke termijn en beschouwen zij het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand als een noodzakelijke en verplichte maatregel die niet kan worden beïnvloed door de overschrijding van de redelijke termijn; de maatregel van herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand moet worden beschouwd als een straf in de zin van art. 6.1. EVRM, zodat de strafrechter, eens dat de overschrijding van de redelijke termijn is vastgesteld, verplicht is in een passend herstel voor deze overschrijding te voorzien, wat ook geldt voor de herstelvordering; ook wanneer de strafrechter wegens verjaring van de strafvordering geen gevangenis- of werkstraf, geldboete of eventuele bijkomende straffen kan uitspreken en enkel nog de herstelvordering aan de orde is, moet hij aan de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn een gevolg koppelen en kan hij geen herstel meer bevelen, minstens moet hij deze herstelmaatregel milderen op een wijze die reëel en meetbaar is.

3. De vaststelling dat het herstel in de oorspronkelijke staat een “straf” is in de zin van art. 6.1. EVRM, brengt enkel mee dat de waarborgen van die bepaling moeten worden in acht genomen, waaronder de behandeling van de vordering binnen een redelijke termijn.

Voormelde vaststelling heeft niet tot gevolg dat die maatregel in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard is, zodat de algemene bepalingen van het Belgisch strafrecht en strafprocesrecht, inzonderheid wat betreft het milderen van de straf of zelfs de eenvoudige schuldigverklaring, erop toepassing moeten vinden.

4. Bij de straftoemeting in de zin van het Strafwetboek vormen de ernst van het bewezen verklaarde misdrijf en de schuld van de beklaagde de grond waarop de rechter binnen de door de wet gestelde perken de strafmaat en de soort straf bepaalt. Binnen die beleidsruimte is er plaats voor mildering wegens de onzekerheid die de betrokkene door de langdurige vervolging heeft moeten doorstaan.

5. Daarentegen biedt de noodzaak om de goede ruimtelijke ordening te handhaven en waar nodig te herstellen, wegens de aard zelf van de herstelvordering die ertoe strekt de gevolgen van het misdrijf ongedaan te maken, geen ruimte tot mildering om redenen die enkel de persoonlijkheid van de dader betreffen en onverenigbaar zijn met de doelstellingen van de wet. De noodzaak van een passend herstel wegens de overschrijding van de redelijke termijn wordt daarenboven beïnvloed door de omstandigheid dat de betrokkene in afwachting van de uitspraak langdurig voordeel heeft kunnen halen uit de door hemzelf gecreëerde onwettige toestand.

6. Teneinde te voldoen aan het bepaalde in art. 6.1. en 13 EVRM, kan de strafrechter, binnen de bevoegdheden die art. 149, § 1 Stedenbouwdecreet 1999 hem toekent, en onverminderd de door hem te verrichten legaliteitstoets krachtens art. 159 Grondwet, zich ertoe beperken als passend herstel enkel de overschrijding van de redelijke termijn op authentieke wijze vast te stellen.

Het middel faalt naar recht.

Tweede middel

7. Het middel voert schending aan van art. 6.1. EVRM, art. 65 Stedenbouwwet, art. 68 Stedenbouwdecreet 1996, art. 149, § 1 Stedenbouwdecreet 1999 en art. 6.4.41, § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: de omstandigheid dat de maatregel van herstel in de oorspronkelijke toestand een intrinsiek strafrechtelijk karakter heeft in de zin van art. 6.1. EVRM, impliceert dat er sprake moet zijn van een rechterlijke controle met volle rechtsmacht, zodat de rechter deze kan beoordelen en hervormen op alle punten, zowel in rechte als in feite; het komt de strafrechter derhalve toe om zich, ook op het vlak van de opportuniteit, uit te spreken over de keuze die de administratie heeft gemaakt, zodat het bestreden arrest ten onrechte oordeelt dat de oplegging van de herstelvordering verplicht is en dat geen opportuniteitsoordeel hierover kan worden uitgesproken (eerste onderdeel); ongeacht de intrinsiek strafrechtelijke aard van de maatregel van herstel in de oorspronkelijke toestand, dienen herstelmaatregelen inzake stedenbouw, in zoverre zij betwistingen betreffen over eigendomsgebruik, beschouwd te worden als betwistingen over de burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van art. 6 EVRM, zodat daaruit volgt dat een persoon die het verwijt wordt gemaakt de stedenbouwkundige reglementering niet te hebben nageleefd, het recht heeft toetsing met volle rechtsmacht te laten geschieden ten aanzien van de door de stedenbouwkundig inspecteur gevorderde herstelvordering, wat impliceert dat de strafrechter ook de bevoegdheid moet hebben de opportuniteit van de gevorderde maatregel te beoordelen (tweede onderdeel).

8. De omstandigheid dat het herstel in de oorspronkelijke staat een “straf” is in de zin van art. 6 EVRM, heeft tot gevolg dat de waarborgen van deze verdragsbepaling, zoals de eerbiediging van de redelijke termijn, moeten worden in acht genomen.

Wanneer de betrokkene evenwel de gevolgen van het stedenbouwmisdrijf voor zijn eigendom betwist, inzonderheid de evenredigheid van de daaraan te verbinden herstelmaatregel, moet deze in ieder geval worden beoordeeld in het licht van art. 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM.

9. De vrijwaring van een goede ruimtelijke ordening maakt deel uit van het algemeen belang, tot verwezenlijking waarvan de Staat overeenkomstig voormeld art. 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM het recht op eigendom mag beperken en daarbij onder meer met betrekking tot de te vorderen herstelmaatregel een beleids- en appreciatiebevoegdheid vermag toe te vertrouwen aan het bestuur. Het komt immers aan de overheden toe in te grijpen om te voorkomen dat de maatregelen die ze hebben genomen ter bescherming van de ruimtelijke ordening en het milieu, hun nut verliezen.

10. Daarbij moet evenwel krachtens art. 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM tussen de betrokken algemene en particuliere belangen een rechtmatig evenwicht worden geëerbiedigd.

11. Krachtens art. 149 Stedenbouwdecreet 1999 beschikt het bevoegde bestuur aldus over een beleids- en appreciatiebevoegdheid die de rechter moet eerbiedigen. De rechter die overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel dat besloten is in art. 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en art. 159 Grondwet, vaststelt dat het gevorderde herstel beantwoordt aan het vereiste van een rechtmatig evenwicht tussen de goede ruimtelijke ordening en de eigendom van betrokkene, vermag op grond van art. 6 EVRM niet zich te mengen in het beleid van het bestuur door diens redelijk verantwoorde herstelvordering te verwerpen, alleen omdat een andere maatregel hem meer aangepast lijkt.

Het middel faalt naar recht.


Cassatie 24/04/2012, AR P.11.1061.N, juridat

Samenvatting

De rechter die overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM vaststelt dat het door de overheid gevorderde herstel beantwoordt aan het vereiste rechtmatig evenwicht tussen een goede ruimtelijke ordening en het recht op ongestoord genot van de eigendom door de overtreder, vermag niet op grond van artikel 6 EVRM zich in te laten met het beleid van het bestuur door niettemin diens redelijk verantwoorde herstelvordering te verwerpen om de enkele reden dat een andere maatregel hem persoonlijk beter aangepast lijkt (1). (1) Cass. 24 nov. 2009, AR P.09.0278.N, AC 2009, nr. 689.

tekst arrest

Nr. P.11.1061.N
I
D. J. V.,
beklaagde,
eiser,

II
AUTOBEDRIJF VIAENE nv, met zetel te 8610 Kortemark, Torhoutstraat 88, vertegenwoordigd door Kristof Viaene in zijn hoedanigheid van lasthebber ad hoc.
beklaagde,
eiseres.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 6 mei 2011.
...
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR: uit de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens volgt dat een maatregel van afbraak kan beschouwd worden als een "straf" in de zin van artikel 6 EVRM; het recht op een eerlijk proces, zoals vervat in artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, houdt in dat een beklaagde alle mogelijke middelen moet kunnen aanwenden om die "straf" te vermijden, met name om de herstelvordering van het bestuur te betwisten en de correctheid ervan aan te vechten, zonder enigszins door deze vordering van het bestuur gebonden te zijn; het recht op een eerlijk proces wordt miskend wanneer de eiser bepaalde materiële aspecten welke dienend zijn voor zijn verdediging niet meer zou kunnen betwisten; het arrest oordeelt bijgevolg onterecht dat het enkel de wettigheid, maar niet de opportuniteit van de herstelmaatregel waarvoor het bestuur heeft gekozen, kan beoordelen.

2. Krachtens artikel 159 Grondwet moet de rechter nagaan of de beslissing van de stedenbouwkundige inspecteur om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen, uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen.

Wanneer de wettigheid van de herstelvordering wordt aangevochten, moet de rechter in het bijzonder nagaan of die vordering niet kennelijk onredelijk is, meer bepaald of het voordeel van de gevorderde herstelmaatregel ter behoud van een goede ruimtelijke ordening opweegt tegen de last die daaruit voor de overtreder voortvloeit. De rechter kan niet zelf de redelijke herstelmaatregel bepalen, maar enkel oordelen of het bestuur in redelijkheid is kunnen komen tot de beslissing een bepaalde wijze van herstel te vorderen.

Rekening houdend met de appreciatie- en beleidsbevoegdheid van het bestuur kan de rechter die beslissing slechts marginaal toetsen.

Aldus wijst hij de herstelvordering slechts af indien zij kennelijk onredelijk is. Het begrip ‘kennelijke onredelijkheid' is daarbij niet het criterium op basis waarvan de gevorderde herstelmaatregel wordt beoordeeld. Het brengt daarentegen de wijze tot uitdrukking waarop de rechter de bestuurlijke beslissing op zijn redelijkheid beoordeelt, namelijk met de terughoudendheid die de discretionaire bevoegdheid van het bestuur vereist.

3. De rechter die overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM vaststelt dat het door de overheid gevorderde herstel beantwoordt aan het vereiste rechtmatig evenwicht tussen een goede ruimtelijke ordening en het recht op ongestoord genot van de eigendom door de overtreder, vermag niet op grond van artikel 6 EVRM zich in te laten met het beleid van het bestuur door niettemin diens redelijk verantwoorde herstelvordering te verwerpen om de enkele reden dat een andere maatregel hem persoonlijk beter aangepast lijkt.
Het middel faalt naar recht.

Tweede middel
Eerste onderdeel
4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 14.2 IVBPR, artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999, artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat de straf persoonlijk is: de eisers worden ten onrechte veroordeeld tot het verwijderen van de verharding in steenslag en het aanvoeren van teelaarde teneinde de grond opnieuw een agrarische bestemming te geven; de verharding bestond reeds deels vóór eisers' strafbare daad en de aanvoer van teelaarde teneinde agrarisch gebruik was niet meer mogelijk; de eisers worden aldus bestraft in de zin van artikel 6.1 EVRM voor andermans daad, hetgeen strijdig is met het in artikel 6.2 EVRM vervatte algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf, dat verbiedt dat een straf wordt opgelegd, ook al is er geen verband tussen de te straffen persoon en de strafbare gedraging.

5. De vaststelling dat het herstel in de oorspronkelijke staat een "straf" is in de zin van artikel 6.1 EVRM, heeft niet tot gevolg dat die maatregel in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard is zodat de algemene bepalingen van het Belgisch strafrecht en strafprocesrecht, met name het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf erop toepassing moet vinden.

6. Bij de straftoemeting in de zin van het Strafwetboek vormen de ernst van het bewezen verklaarde misdrijf en de schuld van de beklaagde de grond waarop de rechter binnen de door de wet gestelde perken de strafmaat en de soort straf bepaalt. Binnen die beleidsruimte is er plaats voor bestraffing in verhouding tot het aandeel van de beklaagde in de onwettig gecreëerde toestand.

7. Daarentegen biedt de noodzaak om de goede ruimtelijke ordening te handhaven en waar nodig te herstellen, wegens de aard zelf van de herstelvordering die ertoe strekt de gevolgen van het misdrijf ongedaan te maken, geen ruimte tot straftoemeting om redenen die enkel de persoonlijkheid van de dader betreffen en die onverenigbaar zijn met de doelstelling van de wet.

8. De deels vooraf bestaande verstoring van de goede ruimtelijke ordening door andermans daad doet geen afbreuk aan de verplichting van de beklaagde tot een volledig herstel van de toestand waaraan hijzelf door zijn illegale werkzaamheden bijdraagt.
Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel
9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 14.2 IVBPR, artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999, artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en de artikelen 1319, 1320, 1322, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat de straf persoonlijk is: de eisers worden ten onrechte veroordeeld tot het verwijderen van de verharding in steenslag en het aanvoeren van teelaarde teneinde de grond opnieuw een agrarische bestemming te geven; het arrest houdt geen rekening met de verplichting die de bevoegde minister aan een derde oplegde om na de uitvoering van bepaalde graafwerken tot openbaar nut, een deel van het betrokken perceel opnieuw te verharden, waarbij het ministerieel besluit als een regularisatie is te beschouwen; de appelrechters miskennen de bewijskracht van dit besluit; de eisers kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor de heraanleg van een gedeelte van de verharding, werk dat zijzelf niet hebben uitgevoerd.

10. Het staat aan de rechter bij de beoordeling van het gevorderde herstel te onderzoeken in welke mate een einde werd gesteld aan de wederrechtelijke toestand die uit het stedenbouwmisdrijf is ontstaan, en daarbij rekening te houden met de intussen verleende stedenbouwkundige vergunningen.

11. Een ministeriële beslissing tot vestiging van een erfdienstbaarheid van openbaar nut is geen regularisatievergunning die een einde stelt aan de uit het stedenbouwmisdrijf ontstane verstoring van de ruimtelijke ordening.
Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.

12. Met hun oordeel dat de verleende erfdienstbaarheid enkel het tijdelijk wegbreken en, na uitvoering van de grondwerken, het opnieuw herstellen van de door de eisers verwezenlijkte verharding voor het parkeren van voertuigen omvat, alsook dat de bedingen van de overeenkomst tot vestiging van de erfdienstbaarheid het herstel van het gebruik van het goed in overeenstemming met de agrarische bestemming niet eraan in de weg staan, geven de appelrechters aan het ministerieel besluit van 6 februari 2007 "dat het de opdracht van de aannemer is om de terreinen na de werken in de oorspronkelijke staat te herstellen en dat de afsluiting in goede staat dient te worden teruggeplaatst" een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. (p. 4)
In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing
13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.
Bepaalt de kosten in het geheel op 124,60 euro, waarvan de eiser I en de eiseres II elk 62,30 euro verschuldigd zijn.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer,

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 11/11/2010 - 14:17
Laatst aangepast op: za, 14/09/2013 - 17:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.