-A +A

Herstelvordering dwanguitvoering, dwangsom en vereiste van betekening

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 14/01/2010
A.R.: 
C09.0029N
Publicatie
tijdschrift: 
Juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.09.0029.N
GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van de Provincie Oost-Vlaanderen, met kantoor te 9000 Gent, Gebr. Van Eyckstraat 4-6,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,
tegen
1. S. E., en,
2. A. M.,
verweerders,
vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de verweerders woonplaats kiezen.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 2 oktober 2007 gewezen door het hof van beroep te Gent.
Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.
II. FEITEN
Uit het bestreden arrest en de voorziening blijken de volgende feiten en procedurevoorgaanden:
1. De verweerders worden bij vonnis van 18 januari 2005 van de correctionele rechtbank te Gent strafrechte¬lijk veroordeeld wegens inbreuken op de stedenbouwreglementering en tot herstel als volgt: "Beveelt (de verweerders) over te gaan tot het herstel van de plaats te (...) in de oorspronkelijke toestand door het verwijderen van de trainingspiste en het nivelleren van het terrein, alsook de afbraak van alle wederrechtelijk opgerichte schuilhokken en stallingen vermeld op de stukken 11 en 12 van het strafdossier onder referte I binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag waarop dit vonnis in kracht van gewijsde zal treden. Beveelt aan (de verweerders) over te gaan tot het herstel van de plaats te (...) in de oorspronkelijke toestand door het verwijderen van de open loopstal voor vee en de voederkribbe met aanrijverharding, betonplateau en afsluiting uit vangrails en het nivelleren van het terrein, het herstel van het maaiveld en de verwijdering van alle materialen van het terrein, binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag waarop dit vonnis in kracht van gewijsde zal treden.
Zegt voor recht dat op vordering van het openbaar ministerie en de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur door (de verweerders) een dwangsom verbeurd zal worden van 500 euro per dag vertraging in de nakoming van deze bevelen."
2. Dit vonnis treedt in kracht van gewijsde op 2 februari 2005. Het wordt betekend aan de verweerders op 5 oktober 2005.
3. Op 22 maart 2006 wordt aan verweerders bevel tot betaling betekend voor een bedrag van 83.479,98 euro voor dwangsommen verbeurd voor de periode van 6 oktober 2005 tot 20 maart 2006, meer kosten.
4. Hiertegen wordt door de verweerders op 6 april 2006 verzet aange¬tekend voor de beslagrechter te Gent, die het, zowel bij verstek als bij verzet, inwilligt.
5. Deze beslissing wordt door het thans bestreden arrest bevestigd.
III. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 65, §1 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw;
- artikel 68, §1 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet op de ruimtelijke ordening;
- de artikelen 149, §1, in zijn versie zoals van toepassing zowel vóór de wijziging bij decreet van 4 juni 2003 als in deze na de wijziging bij het decreet van 4 juni 2003 en in deze na de wijziging bij decreet van 21 november 2003, §2 en §3, zowel in zijn versie zoals van toepassing vóór de wijziging bij decreet van 4 juni 2003 als in zijn huidige versie, 152 en 153 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening;
- de artikelen 19, 23, 24, 25, 26, 28 en 1495 van het Gerechtelijk Wetboek;
- artikel 203, §§1 en 3, van het Wetboek van Strafvordering;
- artikel 44 van het Strafwetboek;
- het algemeen rechtsbeginsel inzake de kracht van gewijsde in strafzaken;
- het algemeen rechtsbeginsel inzake het gezag van gewijsde in strafzaken.
Aangevochten beslissing
Bij het bestreden arrest van 2 oktober 2007 verklaart het hof van beroep te Gent eisers hoger beroep tegen het vonnis van 31 oktober 2006 van de beslagrechter, dat zijn verzet als ongegrond verwierp tegen het verstekvonnis van 2 mei 2006, waarbij de vordering van verweerder ontvankelijk en gegrond werd verklaard en werd gezegd voor recht dat de bij bevel van 22 maart 2006 gevorderde dwangsommen niet verschuldigd waren, ontvankelijk, doch ongegrond en bevestigde de bestreden beschikking, weze het deels op grond van andersluidende motieven.
Deze beslissing is gesteund op volgende overwegingen:
"2.3. De eerste rechter overweegt verder dat, aangezien de opgelegde her¬stelmaatregel een maatregel van burgerrechtelijke aard is, dit hoe dan ook - en zelfs afgezien van de vraag of er al dan niet een afzonderlijke respijttermijn naast de uitvoeringstermijn werd toegestaan - voor gevolg heeft dat de regels van het civiele procesrecht moeten gevolgd worden en een voorafgaandelijke betekening derhalve noodzakelijk blijft om de uitvoeringstermijn een aanvang te doen nemen.
Het feit dat de herstelmaatregel tot de strafvordering behoort en hieruit voortvloeit, staat er niet aan in de weg dat de maatregel intrinsiek een civielrechte¬lijk karakter heeft.
In diverse arresten oordeelde het Grondwettelijk Hof (voorheen Arbitragehof) immers dat herstelmaatregelen geen straf zijn, doch, doordat zij afhankelijk zijn van de vaststellingen van een misdrijf en uitsluitend kunnen opgelegd worden in het belang van een goede ruimtelijke ordening, wel verbonden zijn met de publieke vordering en als dusdanig binnen het concept van artikel 44 van het Strafwetboek vallen (...). Ook het Hof van Cassatie bevestigt zulks in diverse arresten (...).
Vanuit deze optiek dient dan ook vooropgesteld dat inzake uitvoering de bur¬gerlijke procesregels van toepassing zijn en dus ook artikel 1495 Ger. W. krachtens hetwelk geen veroordelende beslissing kan worden ten uitvoer ge¬legd dan nadat zij aan de partij is betekend.
Dit impliceert evenzeer, zoals de eerste rechter terecht overwoog, dat de in het veroordelend vonnis opgelegde uitvoeringstermijn pas kan beginnen lopen na betekening van het vonnis aan degene aan wie de herstelmaatregel is opgelegd.
Waar deze betekening ter zake plaatsvond op 5 oktober 2005, nam de uitvoe¬ringstermijn aldus pas een aanvang op 6 oktober 2005 om te eindigen op 06 april 2006. Waar in casu het bevel tot betalen enkel betrekking heeft op de dwangsommen voor de periode vanaf 06 oktober 2005 tot 20 maart 200(6), was het initieel verzet van (de verweerders) aldus terdege gegrond.
3. Gelet op voorgaande overwegingen komt het hoger beroep ongegrond voor en dringt zich een bevestiging van de bestreden beschikking op.
De eerste rechter oordeelde op gepaste wijze omtrent de gedingkosten van de eerste aanlegprocedure. De gedingkosten van het hoger beroep dienen lastens (de eiser) te worden gelegd".
Grieven
Eerste onderdeel
(...)
Tweede onderdeel
Krachtens artikel 1495 van het Gerechtelijk Wetboek kan in bur¬gerlijke aangelegenheden geen veroordelende beslissing ten uitvoer worden gelegd dan nadat zij aan de partij is betekend.
In het tweede lid van voormelde wetsbepaling wordt bepaald dat onverminderd het bewarend beslag bedoeld in artikel 1414, de veroordeling tot betaling van een som geld, die het voorwerp is van een beslissing waartegen nog gewone rechtsmiddelen openstaan, niet kan worden ten uitvoer gelegd voor het verstrijken van de termijn van een maand na de betekening van de beslissing tenzij voorlopige tenuitvoerlegging daarvan is gelast.
Die bepalingen gelden blijkens het derde lid van deze wetsbepa¬ling op straffe van nietigheid van de daden van tenuitvoerlegging.
De voorafgaande betekening is zodoende een vereiste waaraan in burgerlijke aangelegenheden moet zijn voldaan vooraleer de partij, die een veroordeling ten laste van een andere partij heeft bekomen, tot gedwongen tenuitvoerlegging kan overgaan.
Zij is de eerste stap in de procedure van de gedwongen tenuit¬voerlegging, waartoe de schuldeiser evenwel slechts dan zal dienen over te gaan wanneer de andere partij niet vrijwillig tot uitvoering overgaat en is dan ook alleen vereist voor zover en in de mate dat er sprake is van een procedure tot gedwongen tenuitvoerlegging.
Bij toepassing van artikel 65, §1 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, nadien artikel 68, §1, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet op de ruimtelijke ordening en thans artikel 149, §1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening beveelt de rechtbank, recht doende in stedenbouwzaken, ofwel de plaats in de vorige staat te herstellen, ofwel bouwwerken of aanpassingswerken uit te voeren. De rechtbank bepaalt daarvoor een termijn die, tot de wijziging van het decreet van 18 mei 1999 bij het decreet van 4 juni 2003, een jaar niet mocht overschrijden.
De bepaling van een termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregel in stedenbouwzaken is zodoende bij de wet opgelegd en komt verplicht voor in iedere beslissing waarbij een dergelijke herstelmaatregel wordt bevolen.
Het betreft hier een termijn waarover de veroordeelde beschikt om zelf vrijwillig, zonder daartoe door de andere partij gedwongen te kunnen worden, tot de uitvoering van de herstelmaatregel over te gaan en zodoende iedere gedwongen uitvoering overbodig te maken.
Hij neemt wettelijk een aanvang bij het in kracht van gewijsde tre¬den van de beslissing, hetzij, wanneer de beslissing door de strafrechter in eerste aanleg werd gewezen, bij het verstrijken van de termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de uitspraak, om hoger beroep in te stellen, zoals be¬paald bij artikel 203 van het Wetboek van Strafvordering, zonder dat daartoe enig initiatief van degene die de veroordeling bekomen heeft, is vereist.
Bij toepassing van artikel 152 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening zal de overtreder trouwens zelf de stedenbouwkundige inspecteur en het college van burgemeester en schepenen onmiddellijk bij aangetekend schrijven of bij afgifte tegen ontvangstbewijs, op de hoogte stellen dat hij de opgelegde herstelmaatregel vrijwillig heeft uitgevoerd.
Het is slechts bij gebrek aan herstel van de plaats in de vorige staat binnen de termijn die bij dat vonnis overeenkomstig de wet werd bepaald en die een aanvang neemt vanaf het in kracht van gewijsde treden van de be¬slissing, dat de stedenbouwkundige inspecteur zelf tot de gedwongen tenuit¬voerlegging van die beslissing zal kunnen overgaan en de nodige stappen zal kunnen ondernemen teneinde de dwangsom te laten verbeuren.
Uit een en ander volgt dat voor het doen lopen van de termijn, waarover de veroordeelde beschikt om vrijwillig tot uitvoering over te gaan, geen enkele betekening vereist is.
Besluit
Waar het hof van beroep oordeelt dat bij toepassing van artikel 1495 van het Gerechtelijk Wetboek de beslissing, waarbij een herstelmaatre¬gel werd opgelegd, voorafgaand aan de veroordeelde moet zijn betekend geworden opdat de uitvoeringstermijn, die bij deze beslissing wordt verleend aan de beklaagde, zou kunnen beginnen te lopen, met als gevolg dat er op datum van betekening van het exploot van betekeningbevel geen dwangsommen zijn beginnen te lopen, miskent het de specifieke aard van de termijn die aldus aan de veroordeelde van een stedenbouwmisdrijf wordt verleend, zijnde een termijn waarbinnen de betrokkene het vonnis vrijwillig kan uitvoeren, en die derhalve de gedwongen uitvoering uitsluit zolang deze termijn niet is verstreken (schending van artikelen 65, §1, van de wet van 29 maart 1962 houdende or¬ganisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, 68, §1, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet op de ruimtelijke ordening en 149, §1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimte¬lijke ordening, zoals van toepassing vóór de wijziging bij decreet van 4 juni 2003 en zoals van toepassing in zijn huidige versie) en maakt het een onjuiste toepassing van artikel 1495 van het Gerechtelijk Wetboek, waaruit volgt dat de betekening van het vonnis enkel een voorwaarde is om tot gedwongen uitvoe¬ring over te gaan (schending van artikel 1495 van het Gerechtelijk Wetboek).
Derde onderdeel
(...)
IV. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ontvankelijkheid van het middel
1. De verweerders werpen op dat het middel niet ontvankelijk is omdat het arrest verantwoord is op grond van te substitueren motieven: indien de rechter aan de veroordeelde een zekere termijn heeft toegekend voor de uitvoering van de veroordeling, loopt die termijn, wat de dwangsom betreft, in toepassing van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, pas vanaf de betekening van de uitspraak.
2. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid van het middel is niet te scheiden van het onderzoek van het middel.
De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.
Middel zelf
Tweede onderdeel
3. Krachtens artikel 1495, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek kan in burgerlijke zaken in de regel geen veroordelende beslissing worden ten uitvoer gelegd dan nadat zij aan de partij is betekend.
Krachtens lid 3 van dit artikel gelden die bepalingen op straffe van nietigheid van de daden van tenuitvoerlegging.
4. Uit deze bepaling volgt dat de betekening een vereiste is voor de gedwongen tenuitvoerlegging in civiele zaken.
5. Krachtens artikel 65, §1, eerste lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw en artikel 68, §1, eerste lid, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening, beveelt de rechtbank benevens de straf, op vordering van de gemachtigde ambtenaar of van het college van burgemeester en schepenen, maar met hun gezamenlijk akkoord in de sub b en c bedoelde gevallen: a. Ofwel de plaats in de vorige staat te herstellen; b. Ofwel bouwwerken of aanpassingswerken uit te voeren; c. Ofwel een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen.
Krachtens het tweede lid van die wetsbepalingen bepaalt de rechtbank een termijn die in de sub a en b bedoelde gevallen een jaar niet mag overschrijden.
Krachtens artikel 149, §1, eerste lid, van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, in zijn opeenvolgende versies, wordt een zelfde herstelmaatregel naast de straf bevolen op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen bedoeld in artikel 146, werden uitgevoerd.
Krachtens het laatste lid van §1 van voormeld artikel bepaalt de rechtbank een termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen.
Het artikel 152 van voormeld decreet voorziet verder dat de overtreder onmiddellijk bij aangetekende brief of bij afgifte tegen ontvangstbewijs de stedenbouwkundig inspecteur en het college van burgemeester en schepenen op de hoogte brengt indien hij de opgelegde herstelmaatregel vrijwillig heeft uitgevoerd.
Artikel 153 van voormeld decreet bepaalt dat, voor het geval dat de plaats niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn in de vorige staat wordt hersteld, het vonnis beveelt dat de stedenbouwkundig inspecteur, het college van burgemeester en schepenen en eventueel de burgerlijke partij, ambtshalve in de uitvoering ervan kunnen voorzien.
6. Uit deze bepalingen volgt dat de termijn die door de strafrechter in stedenbouwzaken wordt bepaald om de overtreder toe te laten de plaats in de vorige staat te herstellen, geen gedwongen tenuitvoerlegging uitmaakt in de zin van artikel 1495 van het Gerechtelijk Wetboek waarvoor een voorafgaande betekening in de regel vereist is.
7. De appelrechter stelt vast dat volgens de bewoordingen van de dwangsomrechter de twee opgelegde herstelmaatregelen uitgevoerd dienden te worden "binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag waarop dit vonnis in kracht van gewijsde zal treden".
Hij oordeelt:
- het feit dat de herstelmaatregel tot de strafvordering behoort en hieruit voortvloeit, staat er niet aan in de weg dat de maatregel intrinsiek een civielrechtelijk karakter heeft;
- vanuit deze optiek dient dan ook vooropgesteld dat inzake de uitvoering de burgerlijke procesregels van toepassing zijn en dus ook artikel 1495 van het Gerechtelijk Wetboek;
- dit impliceert dat de in het veroordelend vonnis opgelegde uitvoeringstermijn pas kan beginnen lopen na betekening van het vonnis aan degene aan wie de herstelmaatregel is opgelegd.
8. Door aldus te oordelen en de uitvoeringstermijn die de dwangsomrechter te dezen toekent om de herstelmaatregel uit te voeren als een gedwongen tenuitvoerlegging te beschouwen in de zin van artikel 1495 van het Gerechtelijk Wetboek die een voorafgaandelijke betekening vereist van de veroordelende beslissing, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht.
Het middel is in zoverre gegrond.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 14 januari 2010 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.
 

Noot: 

PARKET VAN HET
HOF VAN CASSATIE
_____
C.09.0029.N

Conclusie van advocaat-generaal Chr. Vandewal:

Feitelijke gegevens en procedurevoorgaanden
Blijkens de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan werden verweerders bij vonnis van de correctionele rechtbank te Gent van 18 januari 2005 wegens een stedenbouwmisdrijf veroordeeld om"over te gaan tot het herstel van de plaats (...), in de oorspronkelijke toestand door het verwijderen van de trainingspiste en het nivelleren van het terrein, alsook de afbraak van alle wederrechtelijk opgerichte schuilhokken en stallingen vermeld op de stukken 11 en 12 van het strafdossier onder referte I binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag waarop dit vonnis in kracht van gewijsde zal treden", en tevens om "over te gaan tot het herstel van de plaats (...), in de oorspronkelijke toestand door het verwijderen van de open loopstal voor vee en de voederkribbe met aanrijverharding, betonplateau en afsluiting uit vangrails en het nivelleren van het terrein, het herstel van het maaiveld en de verwijdering van alle materialen van het terrein binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag waarop dit vonnis in kracht van gewijde zal treden."
Bovendien zegde de rechtbank voor recht dat op vordering van het openbaar ministerie en de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur door verweerders een dwangsom verbeurd zal worden van 500 euro per dag vertraging in de nakoming van deze bevelen.
Dit vonnis werd aan verweerders betekend op 5 oktober 2005.
Op 22 maart 2006 werd hen een bevel tot betaling van het bedrag van 83.479,98 euro uit hoofde van verbeurde dwangsommen voor de periode van 6 oktober 2005 tot 20 maart 2006, meer kosten, betekend.
Verweerders tekenden tegen dit exploot van betekening-bevel van 22 maart 2006 verzet aan. Zij vorderden dat zou worden gezegd voor recht dat het bevel tot betalen van 22 maart 2006 onrechtmatig was en dat de erbij gevorderde sommen onverschuldigd zijn.
Bij verstekvonnis van 2 mei 2006, gewezen door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent, werd deze vordering ontvankelijk en gegrond verklaard en gezegd voor recht dat de bij bevel van 22 maart 2006 gevorderde dwangsommen niet verschuldigd waren.
Eiser stelde tegen deze beslissing verzet in bij exploot van 30 mei 2006. Dit verzet werd ongegrond verklaard bij vonnis van de beslagrechter te Gent van 3 oktober 2006.
Bij arrest van 2 oktober 2007 verklaarde het hof van beroep te Gent het hoger beroep van eiser ontvankelijk doch ongegrond en bevestigde het de beroepen beschikking, weze het deels op andersluidende motieven.
Eiser tekende cassatieberoep aan tegen dit arrest, welk cassatieberoep het voorwerp uitmaakt van de huidige procedure.
Het cassatiemiddel
Eiser voert in zijn enig cassatiemiddel schending aan van de artikelen 65, §1 van de Stedenbouwwet 1962, 68, §1 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet op de ruimtelijke ordening, artikel 149, §1, in zijn versie zoals van toepassing zowel voor de wijziging bij decreet van 4 juni 2003 als in deze na de wijziging bij het decreet van 4 juni 2003 en in deze na de wijziging bij decreet van 21 november 2003, §2 en 3, zowel in zijn versie zoals van toepassing voor de wijziging bij decreet van 4 juni 2003 als in zijn huidige versie, 152 en 153 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, 19, 23, 24, 25, 26, 28 en 1495 van het Gerechtelijk Wetboek, 203, §§1 en 3 van het Wetboek van Strafvordering, 44 van het Strafwetboek, en van de algemene rechtsbeginselen inzake de kracht van gewijsde in strafzaken en van het gezag van gewijsde in strafzaken.
Het middel wordt ontwikkeld in drie onderdelen.
In het eerste onderdeel voert eiser aan dat waar het hof van beroep in het bestreden arrest stelt dat er voor de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregel, die blijkens de eigen vaststellingen diende te worden uitgevoerd binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum waarop het vonnis in kracht van gewijsde zou treden, een voorafgaande betekening van het vonnis vereist was, het op onwettige wijze de door de strafrechter opgelegde hersteltermijn van zes maanden verlengt. Bovendien miskent het hof van beroep aldus volgens eiser tevens de wettelijke bepalingen die voorzien dat de termijn niet meer kan bedragen dan een jaar, vanaf het tijdstip waarop de beslissing in kracht van gewijsde is getreden. Ten slotte doet het volgens eiser uitspraak in miskenning van de kracht van gewijsde, gehecht aan het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, rechtdoende in correctionele zaken, van 18 januari 2005, waarbij uitdrukkelijk werd beslist dat de termijn een aanvang nam op het tijdstip van het in kracht van gewijsde treden van de beslissing, door te beslissen dat de termijn eerst op datum van de betekening een aanvang nam.
In het tweede onderdeel voert eiser aan dat waar het hof van beroep oordeelt dat bij toepassing van artikel 1495 van het Gerechtelijk Wetboek de beslissing, waarbij een herstelmaatregel werd opgelegd, voorafgaand aan de veroordeelde moet zijn betekend geworden opdat de uitvoeringstermijn, die bij deze beslissing werd verleend aan de beklaagde, zou kunnen beginnen te lopen, het de specifieke aard miskent van de termijn die aan de veroordeelde van een stedenbouwmisdrijf wordt verleend, zijnde een termijn waarbinnen de betrokkene het vonnis vrijwillig kan uitvoeren, en die derhalve de gedwongen uitvoering uitsluit zolang deze termijn niet is verstreken, en tevens dat het hof van beroep een onjuiste toepassing maakt van artikel 1495 van het Gerechtelijk Wetboek, waaruit volgt dat de betekening van het vonnis enkel een voorwaarde is om tot gedwongen uitvoering over te gaan.
In het derde onderdeel tenslotte voert eiser aan dat de betekeningsvereiste waarvan sprake in artikel 1495 van het Gerechtelijk Wetboek vooronderstelt dat de partij die de veroordeling bekwam beschikt over de mogelijkheid om vooralsnog van de uitvoering van de bekomen veroordeling af te zien en dat deze formaliteit dan ook geen enkel voorwerp heeft wanneer de partij die de veroordeling bekwam over geen enkele appreciatiebevoegdheid beschikt om de bekomen beslissing al dan niet uit te voeren, zoals in casu, vermits eens de herstelmaatregel is bevolen aan de uitvoering niet meer kan worden verzaakt, nu de maatregel zich opdringt in het algemeen belang en op de overheid, in casu de stedenbouwkundig inspecteur, de verplichting rust over de uitvoering van de herstelmaatregel toe te zien. Eiser acht dan ook art. 149, §1, 152 en 153 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en 1495 van het Gerechtelijk Wetboek geschonden.
Ontvankelijkheid van het middel
Verweerders nodigen uw Hof uit tot een substitutie van motieven en menen dat het arrest wettelijk verantwoord blijft op grond van volgende motieven die uw Hof in de plaats kan stellen van de door eiser bekritiseerde motivatie:
Dwangsommen kunnen pas verbeuren na betekening van de uitspraak waarbij zij zijn opgelegde. Indien evenwel de rechter aan de veroordeelde een zekere termijn heeft toegekend voor de uitvoering van de veroordeling, loopt die termijn, wat de dwangsom betreft, vanaf de betekening van de uitspraak.
In casu heeft de strafrechter, die een dwangsom aan verweerders oplegde, aan verweerders een termijn van zes maanden toegekend voor het herstel in de oorspronkelijke toestand, termijn die volgens het strafvonnis een aanvang neemt vanaf het ogenblik waarop dit vonnis in kracht van gewijsde zal treden. Wat de dwangsom betreft loopt die termijn evenwel, in toepassing van artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek pas vanaf de betekening van het strafvonnis, zelfs indien de dwangsomrechter dit niet uitdrukkelijk heeft bepaald.
Het feit dat het bestreden arrest de stelling verwerpt volgens dewelke de termijn die het strafvonnis van 18 januari 2005 bepaalde een termijn zou zijn in de zin van art(ikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, belet volgens verweerders uw Hof niet om op basis van de gegevens van de zaak waarop het acht vermag te slaan, in rechte het tegendeel te beslissen en op grond hiervan het bestreden arrest als wettelijk verantwoord te beschouwen, zodat de kritieken van het enig cassatiemiddel niet tot cassatie kunnen leiden en het middel dienvolgens niet ontvankelijk is.
Ik meen dat de motieven die verweerders aan Uw Hof voorstellen in de plaats te stellen van de door eiser bekritiseerde motivatie, berusten op een verkeerde rechtsopvatting.
Meer bepaald is hier de problematiek aan de orde van het al dan niet duale karakter van de door de rechter toegekende termijn. Deze problematiek doet meer bepaald de vraag rijzen of de dwangsomrechter die een dwangsomveroordeling uitspreekt en die hierbij enkel een uitvoeringstermijn bepaalt, automatisch en zonder meer ook een respijttermijn bepaalt.
Deze vraag is belangrijk omdat uitvoerings- en respijttermijn immers twee onderscheiden begrippen zijn die wezenlijk verschillend zijn van juridische aard en strekking.
Het onderscheid tussen beide termijnen werd reeds benadrukt in 's Hofs arrest van 9 juni 1998, waarin Uw Hof liet opmerken dat het ogenblik waarop de hoofdveroordeling moet worden uitgevoerd en het ogenblik waarop de veroordeling tot betaling van een dwangsom uitwerking zal hebben niet noodzakelijk samenvallen met het ogenblik waarop de dwangsom wordt verbeurd(1).
Ook het Benelux-Gerechtshof benadrukte in zijn arrest van 25 juni 2002, gewezen op twee prejudiciële vragen gesteld door Uw Hof bij arresten van 16 juni 2000, het onderscheid tussen beide termijnen; het verklaarde immers voor recht dat de termijn die de dwangsomrechter aan de veroordeelde verleent om een hoofdveroordeling uit te voeren geen termijn is in de zin van artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet(2). Het Benelux-Gerechtshof benadrukte in overweging 9 dat de beide termijnen van verschillende juridische aard en strekking zijn(3).
De uitvoeringstermijn is immers de termijn die de rechter toekent om aan de schuldenaar de gelegenheid te geven de tegen hem uitgesproken veroordeling na te komen.
Specifiek in stedenbouwzaken is dergelijke termijn voorzien in art. 149, §1, vijfde lid, van het Decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening. Art. 149, §1, eerste lid, bepaalt dat de rechtbank, naast de straf, kan bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat de rechtbank een termijn voor het uitvoeren van de herstelmaatregelen bepaalt en, op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen, een dwangsom kan bepalen per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregelen. De vraag rijst dan ook hoe deze specifieke dwangsomvordering zich verhoudt tot het gemene dwangsomrecht.
De zinsnede "de rechtbank bepaalt een termijn voor het uitvoeren van de herstelmaatregel" wijst naar mijn oordeel duidelijk op een uitvoeringstermijn van de hoofdveroordeling. Het is een termijn die noodzakelijk wordt geacht voor de uitvoering van het herstel. De uitvoering van de hoofdveroordeling zal immers noodzakelijkerwijze materieel enige tijd in beslag nemen.
Artikel 153 van voornoemd Decreet voorziet overigens dat, voor het geval de plaats niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn in de vorige staat wordt hersteld, dat het strijdige gebruik niet binnen die termijn wordt gestaakt of dat de bouw- en aanpassingwerken niet binnen deze termijn worden uitgevoerd, het vonnis van de rechter, bedoeld in de artikelen 149 en 151, beveelt dat de stedenbouwkundige inspecteur, het college van burgemeester en schepenen en eventueel de burgerlijke partij ambtshalve in de uitvoering kunnen voorzien.
Uw Hof oordeelde in zijn arrest van 31 januari 1995 dat de door rechter toegestane termijn voor vrijwillig herstel bedoeld in artikel 65 §1, eerste en tweede lid, van de Stedenbouwwet 1962, wettelijk ingaat op het ogenblik dat het vonnis of het arrest in kracht van gewijsde gaat(4). Dit lijkt mij niet anders te zijn voor de hersteltermijn voorzien in artikel 149, §1, vijfde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening.
Het is de strafrechter aldus mogelijk om de termijn voor uitvoering van de veroordeling een aanvang te laten nemen vanaf het ogenblik waarop de beslissing in kracht van gewijsde zal zijn getreden. De strafrechter die een termijn in voornoemde zin oplegt, stelt dus geenszins het tijdstip van de verbeurte van een dwangsom uit, doch bepaalt dat de hoofdveroordeling binnen die termijn moet voldaan zijn. Hij bepaalt de termijn die volgens hem nodig is om de herstelmaatregel uit te voeren.
De respijttermijn daarentegen, voorzien in art. 1385bis, vierde lid, Ger.W. en in art. 1, lid 4, van de Eenvormige Wet, strekt ertoe de schuldenaar nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van een dwangsom tot gevolg heeft.
Artikel 1385bis, derde lid, Ger.W., dat overeenstemt met artikel 1, lid 3, van de Eenvormige Wet, bepaalt dat de dwangsom niet kan worden verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij ze is vastgesteld.
Artikel 1385bis, vierde lid, Ger.W., dat overeenstemt met artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet, bepaalt dat de rechter kan bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren.
De rechter kan aldus het tijdstip van de verbeurte uitstellen en heeft de mogelijkheid aan de debiteur nog enig respijt te gunnen om zich naar het vonnis te schikken en de nodige maatregelen te treffen om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Er wordt aldus een termijn verbonden aan de accessoire veroordeling die de dwangsom is.
Dit betekent meteen dat de respijttermijn dan ook slechts een aanvang kan nemen bij de betekening van de beslissing van de dwangsomrechter.
Het Benelux-Gerechtshof besliste in het voormeld arrest van 25 juni 2002 dat "de betekening tot doel heeft ter kennis van de schuldenaar te brengen dat de schuldeiser nakoming van de rechterlijke uitspraak verlangt" en "dat de schuldenaar mitsdien ook ervan op de hoogte gesteld moet worden dat de dwangsomrechter hem nog een bepaalde termijn heeft vergund om aan de veroordeling te voldoen voordat een dwangsom wordt verbeurd" en dat daaruit volgt "dat de termijn als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet pas ingaat op het moment van de betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is bepaald."
Uw Hof besliste in zijn arresten van 28 maart 2003 dat hieruit volgt dat wanneer de dwangsomrechter een termijn bepaalt voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en oordeelt dat de opgelegde dwangsom eerst zal verschuldigd zijn na verloop van die termijn, deze termijn, wat de dwangsom betreft, de strekking heeft aan de veroordeelde nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft, en dat deze termijn wat de dwangsom betreft, dient beschouwd te worden als een termijn als bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek(5).
Uw Hof oordeelde dat de appelrechter, die oordeelde dat de dwangsom kan worden verbeurd vooraleer de termijn die was toegekend om aan de veroordeling te voldoen voordat de dwangsom wordt verbeurd, is verstreken sedert de betekening van de beslissing waarbij de dwangsom werd opgelegd, door die beslissing artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek had geschonden(6).
Deze arresten van Uw Hof van 28 maart 2003 hebben in de rechtsleer blijkbaar geen einde gesteld aan de controverse en de doctrine blijkt ook na deze arresten zwaar verdeeld te zijn gebleven. Sommige auteurs stellen zelfs dat deze arresten niet te verklaren zijn door de arresten van het Benelux-Gerechtshof(7), terwijl anderen dan weer stellen dat het Hof van Cassatie niet anders heeft geoordeeld dan het Benelux-Gerechtshof, maar wel de juiste en beperkte strekking ervan heeft aangegeven(8). Er wordt eveneens opgeworpen dat in deze arresten het niet geheel duidelijk is of naar de mening van Uw Hof het enkele feit dat in een termijn voor uitvoering van de hoofdveroordeling wordt voorzien al dan niet volstaat om tevens een dwangsomtermijn in de zin van art. 1385bis, vierde lid, Ger.W. te onderkennen(9).
De vraag of de dwangsomrechter die enkel een uitvoeringstermijn uitspreekt, noodzakelijk tevens een dwangsomtermijn/respijttermijn oplegt, lijkt mij onder een nieuwe invalshoek te moeten worden bekeken ingevolge het arrest van het Benelux-Gerechtshof van 16 december 2004(10).
Dit arrest stelt immers uitdrukkelijk: "de rechter die een dwangsom oplegt, heeft de vrijheid aan de dwangsomveroordeling al dan niet een respijttermijn als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Wet te verbinden."
Ook advocaat-generaal LECLERCQ benadrukte in zijn conclusie: "zoals gezegd, staat het de dwangsomrechter vrij dergelijke respijttermijn op te leggen. Het is echter geen vanzelfsprekendheid. Het toekennen ervan behoort tot de modaliteiten van de dwangsom waarover de rechter onaantastbaar oordeelt."
Dit betekent dan ook naar mijn mening dat het opleggen van een dwangsomtermijn/respijttermijn, die eerst begint te lopen na het betekenen van het vonnis van de dwangsomrechter, noch een verplichting noch een vanzelfsprekendheid is.
"Bij het opleggen ervan beschikt de dwangsomrechter over een onaantastbare beoordelingsbevoegdheid. Waar enkel de soevereine wil van de rechter van tel is, kan de loutere werking van art. 1385bis Ger.W. onmogelijk tot gevolg hebben dat een dergelijke termijn aan de rechterlijke beslissing wordt toegevoegd, evenals 'belangrijke beginselen' de modaliteiten ervan per definitie (mede) zouden bepalen. Zoals advocaat-generaal Leclercq terecht opwerpt, maakt de doctrine die dit voorhoudt verkeerdelijk abstractie van de eigenheid die elke dwangsomveroordeling (met een respijttermijn) kenmerkt. Zij gaat al te zeer voorbij aan voormelde onaantastbare beoordelingsbevoegdheid van de dwangsomrechter bij het opleggen van een respijttermijn."(11)
Opdat er sprake kan zijn van een respijttermijn moet deze dan ook uitdrukkelijk zijn toegestaan. Uit voornoemd arrest van het Benelux-Gerechtshof van 16 december 2004 lijkt mij dan ook te volgen dat de rechter, die een respijttermijn verleent, dit ook uitdrukkelijk dient te bepalen in zijn beslissing. Het opleggen van een uitvoeringstermijn, die in stedenbouwzaken uitdrukkelijk is voorzien in voormeld artikel 149, §1, vijfde lid, van het Decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, kan niet volstaan om te kunnen besluiten tot het bestaan van een respijttermijn.
Om uit te maken of er sprake is van een respijttermijn zal dan ook de bedoeling van de rechter moeten worden achterhaald.
"Wanneer de rechter bepaalt dat de dwangsom eerst kan worden verbeurd na de termijn voor het uitvoeren van de hoofdveroordeling, verwoordt hij enkel een logisch gevolg, voortvloeiend uit het gegeven dat de dwangsom enkel kan worden opgelegd voor het geval de hoofdveroordeling niet of niet tijdig wordt nagekomen. Uit een dergelijke zinsnede kan dan ook niet zomaar de wil van de rechter worden afgeleid om (tevens) een dwangsomtermijn/respijttermijn in de zin van art. 1385bis Ger.W. op te leggen."(12)
Wanneer enkel een uitvoeringstermijn voor herstelmaatregelen wordt toegekend door de strafrechter/dwangsomrechter vanaf het in kracht van gewijsde treden van de uitspraak, kan de dwangsom dan ook verbeuren zodra deze uitvoeringstermijn na het in kracht van gewijsde treden van die uitspraak is verlopen, en mits betekening, doch zonder dat de betekening een nieuwe termijn, in casu een respijttermijn gelijk aan de uitvoeringstermijn, doet lopen.
Nu de motieven die verweerders Uw Hof voorstellen in de plaats te stellen van de door eiser bekritiseerde motieven uitgaan van een tegenovergestelde opvatting, lijken zij mij het bestreden arrest niet wettelijk te kunnen verantwoorden.
Het middel van niet-ontvankelijkheid lijkt mij niet aangenomen te kunnen worden.
Bespreking van het tweede onderdeel van het middel
Krachtens artikel 149, §1, eerste lid, van het Stedenbouwdecreet 1999 kan de rechtbank naast de straf bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen.
Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat de rechtbank een termijn voor het uitvoeren van de herstelmaatregelen bepaalt en, op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen, een dwangsom kan bepalen per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregelen.
Tot de wijziging van het Stedenbouwdecreet 1999 bij decreet van 4 juni 2003 mocht deze termijn één jaar niet overschrijden.
De zinsnede "de rechtbank bepaalt een termijn voor het uitvoeren van de herstelmaatregel" wijst zoals hoger gesteld naar mijn oordeel duidelijk op een uitvoeringstermijn van de hoofdveroordeling. Het is een termijn die noodzakelijk wordt geacht voor de uitvoering van het herstel. De uitvoering van de hoofdveroordeling zal immers noodzakelijkerwijze materieel enige tijd in beslag nemen. Aan de veroordeelde dient dus een termijn toegekend te worden om vrijwillig het herstel uit te voeren.
Artikel 153 van voornoemd Decreet voorziet overigens dat, voor het geval de plaats niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn in de vorige staat wordt hersteld, dat het strijdige gebruik niet binnen die termijn wordt gestaakt of dat de bouw- en aanpassingwerken niet binnen deze termijn worden uitgevoerd, het vonnis van de rechter, bedoeld in de artikelen 149 en 151, beveelt dat de stedenbouwkundige inspecteur, het college van burgemeester en schepenen en eventueel de burgerlijke partij ambtshalve in de uitvoering kunnen voorzien.
De hierboven genoemde herstelmaatregelen hebben een civielrechtelijk karakter. Als bijzondere vorm van vergoeding of teruggave strekken zij ertoe een einde te maken aan de met de wet strijdige toestand die uit het misdrijf is ontstaan en waardoor het algemeen belang wordt geschaad.(13)
De herstelvordering bepaald in artikel 149, §1, van het Stedenbouwdecreet 1999 beoogt aldus het doen verdwijnen van een met de strafwet strijdige toestand, meer bepaald het doen verdwijnen van de aantasting van de goede ruimtelijke ordening die door het stedenbouwmisdrijf is ontstaan.(14)
Van zodra het rechterlijk bevel tot herstel definitief is, vereist het algemeen belang, onafhankelijk van de houding van de burgerlijke partij of de bevoegde overheid, dat de veroordeelde binnen het door de rechter bepaalde tijdsbestek tot uitvoering overgaat.
Uw Hof besliste in zijn arrest van 31 januari 1995 dat de door rechter toegestane termijn voor vrijwillig herstel wettelijk ingaat op het ogenblik dat het vonnis of het arrest in kracht van gewijsde gaat.(15)
Het activeren van de termijn voor vrijwillig herstel vereist dus geen actieve daad vanwege de gemachtigde overheden en/of burgerlijke partij, maar is (in strafzaken) een automatisch gevolg van het verstrijken van de termijnen voor het instellen van een gewoon rechtsmiddel dan wel de uitputting van dergelijke rechtsmiddelen(16).
Bijgevolg is de betekening van de titel door één van de gemachtigde partijen op geen enkele wijze relevant voor de aanvang van de termijn voor vrijwillig herstel, die zoals hierboven uiteengezet te onderscheiden is van de respijttermijn als bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.(17)
Voor het doen lopen van de termijn waarover de veroordeelde beschikt om vrijwillig tot uitvoering over te gaan is geen enkele betekening vereist.
Nu de appelrechter heeft geoordeeld dat "de in het veroordelend vonnis opgelegde uitvoeringstermijn pas kan beginnen lopen na betekening van het vonnis aan degene aan wie de herstelmaatregel is opgelegd", dat "waar deze betekening terzake plaatsvond op 05/10/2005, de uitvoeringstermijn aldus pas een aanvang (nam) op 06/10/2005 om te eindigen op 06/04/2006", en dat "waar in casu het bevel tot betalen enkel betrekking heeft op de dwangsommen voor de periode vanaf 06/10/2005 tot 20/03/2003 (lees: 2006), het initieel verzet van (verweerders) aldus terdege gegrond (was)", schendt het bestreden arrest de als geschonden aangewezen wetsbepalingen.
Het onderdeel lijkt mij gegrond te zijn.
Conclusie: Vernietiging
_______________
(1) Cass. 9 juni 1998, AR P.96.0655.N, A.C., 1998, nr. 294.
(2) Eenvormige Wet betreffende de dwangsom, annex aan de Benelux-overeenkomst van 26 november 1973, en goedgekeurd door de Belgische wet van 31 januari 1980.
(3) Beneluxhof 25 juni 2002, nrs. A 2000/3 en 2004/4, Benelux Jur., 2002, afl. 23, 50.
(4) Cass. 31 jan. 1995, AR P.93.1138.N, A.C., 1995, nr. 56.
(5) Cass. 28 maart 2003, AR C.99.0446.N, A.C., 2003, nr. 214, met conclusie van advocaat-generaal met opdracht Thijs, en AR C.02.0288.N, A.C. 2003, nr. 216.
(6) Cass. 28 maart 2003, AR C.02.0288.N, supra.
(7) P. VANSANT, "Hersteltermijn en dwangsomtermijn: één termijn met twee gedaanten" (noot onder Cass. 28 maart 2003), T.M.R. 2003, (611) 613.
(8) K. WAGNER, "Dwangsom en de januskop van de uitvoerings- en respijttermijn" (noot onder Cass. 28 maart 2003), R.W. 2004-05, (138) 142.
(9) P. VANSANT, o.c., 612, voetnoot 7.
(10) Beneluxhof 16 dec. 2004, nr. A 2004/1, T.M.R. 2005, 271-281, concl. J.F. LECLERCQ, noot P. VANSANT.
(11) P. VANSANT, "Hersteltermijn en dwangsomtermijn alias uitvoeringstermijn en respijttermijn na het arrest van het Benelux Gerechtshof van 16 december 2004, de fata morgana van de duale termijn dan toch doorprikt?" (noot onder Beneluxhof 16 dec. 2004), T.M.R. 2005, (278) 280.
(12) Ibid., 279.
(13) Zie Cass. 3 april 2007, AR P.06.1610.N, A.C. 2007, www.cass.be, en Cass. 22 mei 2007, AR P.06.1692.N, www.cass.be.
(14) Zie concl. van advocaat-generaal De Swaef bij Cass. 24 februari 2004, AR P.03.1143.N, A.C., 2004, nr. 96; Cass. 3 april 2007, supra.
(15) Cass. 31 jan. 1995, AR P.93.1138.N, A.C., 1995, nr. 56.
(16) P. VANSANT, "Uitvoering van gerechtelijke uitspraken", Zakboekje Ruimtelijke Ordening 2007, Mechelen, Kluwer, 2006, (657) 663.
(17) J. VAN DEN BERGHE, F. VAN ACKER en P. VANSANT, "Handhaving ruimtelijke ordening", Zakboekje Ruimtelijke Ordening 2003, Mechelen, Kluwer, 2002, (555) 636.
 

 

 

T. Vandromme, «Recente ontwikkelingen in de handhaving van de ruimtelijke ordening: de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het arrest-Hamer en de uitgebreide cassatierechtspraak», R.W. 2010-2011, 434 randnr. 45.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 24/03/2011 - 14:04
Laatst aangepast op: do, 01/12/2011 - 22:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.