-A +A

Herstelvordering bevoegdheid parket en afhandeling van de herstelvordering en art 4 voorafgaande titel wetboek strafvordering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 08/09/2009
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
1179
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur t/ A.H.J.M. W.

Conclusie van eerste advocaat-generaal M. De Swaef

1. Vooraf

De beklaagde werd vervolgd o.m. omdat zij zonder vergunning hoogstammige bomen heeft geveld. Het Hof van Beroep te Gent veroordeelt de beklaagde enkel voor de niet-heraanplanting van de onvergund gevelde bomen.

De appelrechters bevelen geen herstelmaatregel. Zij stellen immers vast dat noch het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Waasmunster, noch de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur een herstelmaatregel hebben gevorderd en oordelen dat zij zo een maatregel niet ambtshalve kunnen bevelen.

2. Middel aangevoerd door de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur

De gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur aangesteld voor het grondgebied van de provincie Oost- Vlaanderen – die, niettegenstaande herhaalde verzoeken omtrent een eventueel te vorderen herstelmaatregel, geen partij was in de procedure voor de appelrechters – tekent cassatieberoep aan tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent.

In het enig middel verwijst hij naar art. 4, tweede en derde lid, Voorafgaande Titel Sv. Volgens art. 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Sv. «(houdt) (d)e rechter) bij wie de strafvordering aanhangig is gemaakt ambtshalve de burgerlijke belangen aan, zelfs bij ontstentenis van burgerlijkepartijstelling, wanneer de zaak wat die belangen betreft niet in staat van wijzen is». Art. 4, derde lid, Voorafgaande Titel Sv. bepaalt: «Onverminderd het recht om de zaak, conform de artikelen 1034bis tot 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek, bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken, kan eenieder die door het strafbaar feit schade heeft geleden, nadien door middel van een ter griffie ingediend verzoekschrift, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, kosteloos verkrijgen dat het gerecht dat uitspraak heeft gedaan over de strafvordering, uitspraak doet over de burgerlijke belangen».

Volgens de eiser hebben de appelrechters ten onrechte geen uitspraak gedaan over het aanhouden van de burgerlijke belangen.

3. Beoordeling

3. Vooraf rijst de vraag of het cassatieberoep ingesteld door de stedenbouwkundig inspecteur wel ontvankelijk is. Door de eiser wordt daaromtrent geen betoog geleverd. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat geen cassatieberoep kan worden aangetekend tegen een beslissing die gewezen werd in een zaak waarin de eiser in cassatie geen partij was en die te zijnen opzichte geen uitspraak doet (Cass. 3 december 1956, Pas. 1957, I, 340; Cass. 15 oktober 1973, Arr. Cass. 1974, 179; Cass. 9 januari 1974, Arr. Cass. 1974, 514; Cass. 24 februari 1975, Arr. Cass. 1975, 711. Zie ook: Cass. 19 december 1972, Arr. Cass. 1973, 411; R. Declercq, De cassatieprocedure in strafzaken, Leuven, Wouters, 1998, 23).

Het voorliggende cassatieberoep lijkt dan ook onontvankelijk. De gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur was geen partij voor het Hof van Beroep te Gent en hij leidde geen herstelvordering overeenkomstig art. 149 Stedenbouwdecreet 1999 in. Het inleiden van een herstelvordering heeft immers procedurele gevolgen.

De strafrechter is ertoe gehouden uitspraak te doen over de herstelvordering in geval van een daartoe strekkende vordering van het bestuur, zelfs indien het bestuur zich niet als procespartij manifesteert. De gewone brief waarmee de herstelvordering krachtens art. 149, § 2, Stedenbouwdecreet 1999 bij het parket wordt ingeleid, houdt niet in dat het bestuur zich voor de strafrechter als procespartij manifesteert.

Voor zover het bestuur een daartoe strekkende vordering heeft geformuleerd, is het openbaar ministerie krachtens art. 138bis Ger. W. bevoegd de herstelvordering voor de strafrechter uit te oefenen en bijgevolg ook met betrekking tot de beslissing over die herstelvordering rechtsmiddelen aan te wenden.

Wanneer het bestuur een daartoe strekkende vordering heeft ingesteld, is de strafrechter steeds bevoegd het herstel te bevelen wanneer de zaak bij hem op strafrechtelijk gebied aanhangig is, zelfs op het enkel hoger beroep van het openbaar ministerie.

Het bestuur kan rechtsmiddelen aanwenden tegen de beslissing over de herstelvordering, ook als het zich nog niet voordien als procespartij heeft gemanifesteerd. De herstelvordering is immers in elk geval aanhangig gemaakt door de daartoe strekkende vordering van het bestuur. Door de aanwending van een rechtsmiddel manifesteert het bestuur zich als procespartij voor de strafrechter. In tegenstelling tot het (niet-beperkte) hoger beroep van het openbaar ministerie, is op het enkel hoger beroep van de eiser tot herstel alleen nog de herstelvordering aanhangig en niet de vordering tot toepassing van de straffen die alleen door het openbaar ministerie wordt uitgeoefend (conclusie van het openbaar ministerie (randnr. 19) voor Cass. 24 februari 2004, Arr. Cass. 2004, nr. 96).

Dit alles is te dezen evenwel bij afwezigheid van enige herstelvordering niet van toepassing.

4. Overigens, en meer algemeen, kan de vraag worden gesteld wat kan worden ondernomen indien de strafrechter de burgerlijke belangen niet aanhoudt?

Volgens Bosly is het antwoord op deze vraag «delicaat» (H.-D. Bosly, D. Vandermeersch, M.-A. Beernaert, Droit de la procédure pénale, 2008, Brussel, la Charte, 342, voetnoot 79).

Sommige auteurs zijn van mening dat de benadeelde van een misdrijf die zich geen burgerlijke partij heeft gesteld voor de strafrechter, geen rechtsmiddel kan aanwenden tegen de beslissing waarbij de burgerlijke belangen ten onrechte niet werden aangehouden (O. Michiels, «La réserve d‘office des intérêts civils par le juge pénal et la mise en état des causes», J.T. 2005, nr. 10, nr. 12 onder e) en nr. 13 in fine; M. Rozie, «Drie aspecten van de wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernisering van de strafrechtspleging», A.J.T.-dossiers 1995-1996, p. 69, nr. 4; zie ook: J. De Codt, «Le Règlement des intérêts civils par la juridiction pénale après la loi du 13 avril 2005», J.T. 2006, 351).

Volgens Michiels heeft in zo‘n geval het openbaar ministerie wel de mogelijkheid hoger beroep in te stellen, ook al betreft het een beslissing van de strafrechter op burgerlijk vlak (O. Michiels, o.c., J.T. 2005, nr. 10. In dezelfde zin: J. Hubin, «Les réformes de procédure pénale contenues dans la loi du 11 juillet 1994», T.Vred. 1995, 16). Daarbij gaat hij ervan uit dat de schending van art. 4 Voorafgaande Titel Sv. – welke regel van openbare orde is (Cass. 23 april 1997, Arr. Cass. 1997, 198. Zie dienaangaande ook noot J.d.J. onder Cass. 13 februari 2001, Arr. Cass. 2001, nr. 87) – het verloop van de burgerlijke vordering zodanig stoort dat de loop ervan belemmerd is, zodat het openbaar ministerie hiertegen een rechtsmiddel moet kunnen instellen (Michiels verwijst naar Cass. 5 april 1965, Bull. en Pas. 1965, I, 831 en noot P.M. onder Cass. 29 mei 1973, Arr. Cass. 1973, 946). Uitgangspunt voor deze stelling is dat de strafrechter op grond van art. 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Sv. uitspraak doet over de burgerlijke belangen of hij deze nu aanhoudt of niet. Zijn beslissing is dan meer dan een gewone proceduremaatregel en moet derhalve voor toetsing vatbaar zijn.

Deze stelling wordt echter betwist door De Codt, die van oordeel is dat het aanhouden van de burgerlijke belangen in geen geval een beslissing over de burgerlijke vordering inhoudt (J. De Codt, «Le Règlement des intérêts civils par la juridiction pénale après la loi du 13 avril 2005», J.T. 2006, 351). Volgens deze laatste is het ambtshalve aanhouden van de burgerlijke belangen eenvoudigweg een techniek waardoor de saisine van de strafrechter voortduurt.

Het ambtshalve aanhouden van de burgerlijke belangen is dus geen beslissing die een partij benadeelt, aangezien zij noch in feite noch in rechte betrekking heeft op een voor de rechter opgeworpen betwisting.

De strafrechter die nalaat de burgerlijke belangen ambtshalve aan te houden neemt – volgens deze auteur – evenmin een beslissing die een slachtoffer van een misdrijf zou benadelen (De Codt verwijst op dit punt naar de toepassingsvoorwaarden voor het inleiden van een derdenverzet, zoals deze worden opgesomd in Cass. 25 april 2001, Arr. Cass. 2001, nr. 232). Om die redenen meent De Codt, enerzijds, dat een derde in geen geval derdenverzet zou kunnen aantekenen tegen een dergelijke beslissing, en, anderzijds, dat het openbaar ministerie geen beroep of cassatieberoep kan instellen tegen een rechterlijke beslissing die ten onrechte de burgerlijke belangen niet ambtshalve aanhoudt (J. De Codt, o.c., J.T. 2006, 351).

Zelfs indien men ervan zou uitgaan dat de bepaling van art. 4 Voorafgaande Titel Sv. van openbare orde is, dan nog betekent dit volgens deze auteur niet dat het openbaar ministerie automatisch een rechtsmiddel moet kunnen aanwenden. Dit zou enkel het geval zijn indien moet worden geremedieerd aan een toestand die de openbare orde in gevaar brengt (R.P.D.B., vo «Appel en matière répressive», Compl. VIII, Brussel, Bruylant, 1995, p. 34, nr. 118; Cass. 12 februari 1975, Arr. Cass. 1975, 656), quod non in casu (De Codt wijst erop dat indien men het niet ambtshalve aanhouden van de burgerlijke belangen toch wil beschouwen als een beslissing, het niet nodig is om in een speciaal rechtsmiddel te voorzien voor het openbaar ministerie, zoals Michiels dit voorstelt.

Volgens De Codt kan het openbaar ministerie een niet-beperkt hoger beroep instellen waardoor de vraag over de toepassing van art. 4, tweede en derde lid, Voorafgaande Titel Sv. automatisch aanhangig wordt gemaakt bij de appelrechter).

5. Door te beslissen omtrent de toepassing van art. 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Sv. (of door niet te beslissen omtrent de toepassing ervan) geeft de rechter enkel aan of hij nog geadieerd kan worden. Bij het nalaten van het aanhouden van de burgerlijke belangen beperkt de rechter dus de wijze van inleiden van de burgerlijke vordering, niet meer en niet minder.

Het al dan niet ambtshalve aanhouden van de burgerlijke belangen kan weliswaar worden beschouwd als een controle van de aanwezigheid van burgerlijke belangen in de zaak (O. Michiels, o.c., J.T. 2005, nr. 10 en J. Hubin, o.c., T.Vred. 1995, 16). Zoals gezegd, leidt Michiels hieruit af dat deze beoordeling aan rechterlijk toezicht moet kunnen worden onderworpen.

De tussenkomst van het openbaar ministerie is gebaseerd op het karakter van openbare orde van art. 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Sv., waarbij Michiels ervan uitgaat dat het ten onrechte niet toepassen ervan het verloop van de burgerlijke vordering stoort. Uit het cassatiearrest van 5 april 1965 waarnaar hij verwijst, blijkt evenwel dat de voorziening van het openbaar ministerie op civielrechtelijk vlak pas ontvankelijk is indien de beslissing «de rechtsbedeling zodanig stoort dat de loop ervan definitief belemmerd is» (zie ook P.M., noot onder Cass. 29 mei 1973, Arr. Cass. 1973, 946).

Wanneer de strafrechter nalaat de burgerlijke belangen ambtshalve aan te houden, is nochtans de loop van de rechtsbedeling niet definitief belemmerd. Het slachtoffer van een misdrijf heeft immers nog de mogelijkheid om zijn vordering in te leiden bij de burgerlijke rechter (J. De Codt, o.c., J.T. 2006, 351).

Hoewel een rechter in hoger beroep art. 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Sv. moet toepassen en derhalve alsnog kan beslissen om de burgerlijke belangen aan te houden indien de eerste rechter dit heeft nagelaten, is het niet aan het openbaar ministerie om ambtshalve op te treden tegen het nalaten van de eerste rechter. Zou een rechter in hoger beroep nagelaten hebben de burgerlijke belangen aan te houden, dan is het niet aan het openbaar ministerie om cassatieberoep aan te tekenen of aan het Hof om dit middel ambtshalve in te roepen.

6. Ten slotte rijst de vraag of inzake stedenbouw de herstelvorderende overheid zich überhaupt burgerlijke partij kan stellen in de zin van art. 4, tweede en derde lid, Voorafgaande Titel Sv.?

Zelfs indien men er zou van uitgaan dat het cassatieberoep op ontvankelijke wijze kan worden ingeleid door het slachtoffer wanneer de strafrechter ten onrechte de burgerlijke belangen niet heeft aangehouden, dan betekent dit in voorliggend geval nog niet dat het cassatieberoep ontvankelijk moet worden verklaard. Evenmin zou een dergelijke wetsschending noodzakelijkerwijze ambtshalve moeten worden ingeroepen. Daarvoor is immers vereist dat de overheid die herstel wil vorderen zich overeenkomstig art. 4, tweede lid en derde lid, Voorafgaande Titel Sv. burgerlijke partij kan stellen voor de strafrechter.

In zoverre de herstelvordering wordt omschreven als een burgerlijke rechtsvordering in de zin van art. 3 Voorafgaande Titel Sv., lijkt niets eraan in de weg te staan dat ook art. 4 Voorafgaande Titel Sv. wordt toegepast op de herstelvordering van de overheid (G. Debersaques, De sanctionering van stedenbouwmisdrijven. Handhavingsmaatregelen, Brugge, die Keure, 2001, 179, nrs. 292-293; Cass. 22 mei 2007, Arr. Cass. 2007, nr. 265).

In vroegere rechtspraak van het Hof werd geoordeeld dat de burgerlijke partijstelling door de gemachtigde ambtenaar ten behoeve van de herstelvordering niet ontvankelijk was, bij gebrek aan schade aan particuliere belangen (zie o.a. Cass. 27 februari 1996, Arr. Cass. 1996, nr. 86; Cass. 29 oktober 1996, Arr. Cass. 1996, nr. 406; zie hieromtrent conclusie van het openbaar ministerie voor Cass. 24 februari 2004, Arr. Cass. 2004, nr. 96. Zie ook: B. Bouckaert en T. De Waele, Ruimtelijke ordening en stedenbouw in het Vlaams Gewest, Gent, Mys en Breesch, 2000, p. 202, nr. 229).

Deze rechtspraak moet evenwel genuanceerd worden in het licht van het arrest van 24 februari 2004, waaruit volgt dat de stedenbouwkundige inspecteur moet worden beschouwd als een eiser tot herstel voor wat betreft de herstelvordering in het algemeen belang. Dit arrest lijkt niet uit te sluiten dat de stedenbouwkundige inspecteur als eiser tot herstel zich toch burgerlijke partij stelt (K. Wauters, Herstelvordering en herstelmaatregelen; Ruimtelijk ordenen onder dwang, Cahiers Antwerpen, Brussel, Gent, Larcier, 2007/1, 33, nr. 59. Zie eerder ook: E. Goethals, «Juridische aspecten van de verhouding tussen het parket en het toezichthoudend bestuur», in J. Van den Berghe en D. Bogaert (red.), Vervolging en handhaving inzake milieudelicten, Gent, Story-Scientia, 1994, 98).

In een noot onder het vermelde arrest van 24 februari 2004 betoogt G. Debersaques dat de rechter in ieder geval, zelfs in geval van niet-ontvankelijke burgerlijke partijstelling, acht moet slaan op de vordering en de argumenten die ter zake ter terechtzitting naar voren zijn gebracht (G. De Bersaques, «De stedenbouwkundige inspecteur als tussenkomende partij is dood ... Leve de stedenbouwkundige inspecteur als «eiser tot herstel»? Of andermaal de vraag naar de plaats van het bestuur in het strafproces», T.R.O.S. 2004, (224), p. 228, nr. 9).

Zij die de stelling verdedigen dat de stedenbouwkundige inspecteur zich ook burgerlijke partij kan stellen, gaan er echter vanuit dat het gaat om een burgerlijke partijstelling die de strafvordering in werking wil stellen (zie in dit verband conclusie voor het arrest van 24 februari 2004, Arr. Cass. 2004, p. 309, nr. 20).

7. Uit de volgende elementen blijkt dat de herstelvordering, zoals nagestreefd door de overheid in het algemeen belang na het afronden van de strafvordering, niet kan worden ingeleid door burgerlijke partijstelling op de wijze bepaald in art. 4, tweede en derde lid, Voorafgaande Titel Sv.

a) De mogelijkheid voor de overheid om haar herstelvordering in te leiden bij burgerlijke partijstelling moet restrictief worden geïnterpreteerd. Niettegenstaande een herstelvordering een vordering tot teruggave is en derhalve burgerrechtelijk van aard, wordt zij ingeleid door de overheid in het algemeen belang. Zij is dus geen vordering tot vergoeding van schade die de overheid zou lijden als gevolg van een aantasting van haar belangen (zie noot onder Cass. 13 mei 2003, Arr. Cass. 2003, nr. 291; zie ook: K. Wauters, Herstelvordering en herstelmaatregelen; Ruimtelijk ordenen onder dwang, Cahiers Antwerpen, Brussel, Gent, Larcier, 2007/1, p. 7, nr. 14). Bovendien moet de overheid in principe haar herstelvordering voor de strafrechter inleiden op de in art. 149, § 2, van het Stedenbouwdecreet 1999 bepaalde wijze: «De herstelvordering wordt bij het parket ingeleid bij gewone brief, in naam van het Vlaamse Gewest of van het college van burgemeester en schepenen, door de stedenbouwkundige inspecteurs en de aangestelden van het college van burgemeester en schepenen».

b) Voorts bepaalt art. 150 Stedenbouwdecreet 1999: «Indien de herstelvordering van de burgerlijke partij enerzijds en die van de stedenbouwkundige inspecteur of college van burgemeester en schepenen anderzijds niet overeenstemmen, bepaalt de rechtbank de gevorderde herstelmaatregel die ze passend acht». Herstelmaatregelen kunnen dus tegelijkertijd worden gevorderd door de stedenbouwkundige inspecteur en een burgerlijke partij. Het is dan trouwens de rechter die oordeelt welke maatregel(en) het meest passend voorkom(e)t(n) (zie hierover ook: Cass. 17 februari 2009, P.08.1585.N, www.cass.be). De nevenschikking in dit artikel van de herstelvordering door de overheid, enerzijds, en de burgerlijke partij, anderzijds, toont aan dat de wetgever ervan uitgaat dat deze partijen niet identiek zijn.

c) Voorts is er de ratio legis van art. 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Sv. Een benadeelde van een misdrijf heeft normaal gezien de keuze om zijn burgerlijke vordering in te leiden voor de burgerlijke rechtbank dan wel deze in te leiden voor de strafrechter, samen met de strafvordering.

Door de invoering van het snelrecht (art. 216quater en art. 216quinquies Sv. (onmiddellijke verschijning)) bestond het risico dat de zaak werd beslist alvorens een burgerlijke partij zich manifesteerde of zijn verdediging kon organiseren (C. Van den Wyngaert, Strafrecht, strafprocesrecht en internationaal strafrecht, Antwerpen, Maklu, 2003, 718; H.-D. Bosly, D. Vandermeersch, M.-A. Beernaert, o.c., 341; J. Hubin, o.c., 1995, 15; Ph. Traest, «De wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernisering van de strafrechtspleging: een algemene benadering», Panopticon 1995, (25), 35; Ph. Traest, «De wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernisering van de strafrechtspleging: een benadering van sommige aspecten», T.Vred. 1995, (24), 30; M. Rozie, o.c., in A.J.T.-dossiers 1995-1996, 69, nr. 1).

Opdat het slachtoffer ook in dat geval zijn keuzerecht zou behouden, werd in 1994 een tweede lid toegevoegd aan art. 4 Voorafgaande Titel Sv., dat bepaalt dat de rechter die uitspraak doet over de strafvordering op grond van art. 216quater Sv., de burgerlijke belangen kan aanhouden, zodat eenieder die door het misdrijf schade heeft geleden, nadien via het indienen van een verzoekschrift kosteloos kan verkrijgen dat de strafrechter uitspraak doet over de burgerlijke belangen (art. 4, derde lid, Voorafgaande Titel Sv.) (J. Hubin, o.c., T.Vred. 1995, 15; M. Rozie, o.c., in A.J.T.-dossiers 1995- 1996, 70, nr. 6; Ph. Traest, o.c., T.Vred. 1995, 30; noot J.d.J. onder Cass. 13 februari 2001, Arr. Cass. 2001, nr. 87). Pas later werd in het tweede lid de toepassing uitgebreid naar alle strafzaken (E. Brewaeys, «De wet van 13 april 2005 tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het strafrecht en de strafvordering teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken: een wet met verstrekkende gevolgen», T. Strafr. 2006, 4; J. De Codt, o.c, J.T. 2006, 349; O. Michiels, o.c., J.T. 2005, nr. 9).

Ook de overheid heeft een keuzerecht. Ofwel leidt zij de herstelvordering in voor de burgerlijke rechtbank (art. 151 Stedenbouwdecreet 1999) ofwel leidt zij deze in via een brief aan het parket (K. Wauters, o.c., p. 46, nr. 85). Zelfs al kan hieruit worden afgeleid dat aan de overheid – net als aan het particuliere slachtoffer van een misdrijf – een eigen en individueel vorderingsrecht verleend wordt waarbij zij voor de burgerlijke rechter optreedt als echte procespartij (G. Debersaques, De sanctionering van stedenbouwmisdrijven. Handhavingsmaatregelen, p. 181, nr. 300), dan nog hoeft dit niet te betekenen dat, gelet op het bovenstaande, art. 4, tweede en derde lid, Voorafgaande Titel Sv. zomaar moet gelden voor de overheid in het domein van de herstelvordering inzake stedenbouw.

d) Ten slotte is het de strafrechter die overeenkomstig art. 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Sv. de aanhouding van de burgerlijke belangen ambtshalve kan bevelen indien de zaak niet in staat van wijzen is. Aangezien het de overheid is die eenzijdig beslist of zij een herstelvordering inleidt in het algemeen belang (K. Wauters, o.c., p. 7, nr. 14), kan bezwaarlijk worden geopperd dat de rechter zou kunnen beoordelen of een zaak op dit punt al dan niet in staat van wijzen is.

8. In die omstandigheden geef ik het Hof ter overweging het cassatieberoep als niet ontvankelijk te verwerpen.

Arrest

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 19 december 2008.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Krachtens art. 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Sv. kan de burgerlijke rechtsvordering voortspruitend uit een misdrijf voor de strafgerechten worden vervolgd indien zij tezelfdertijd en voor dezelfde rechter als de strafvordering wordt ingesteld.

Overeenkomstig het tweede lid van dit artikel houdt de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is gemaakt, ambtshalve de burgerlijke belangen aan, zelfs bij ontstentenis van burgerlijke partijstelling, wanneer de zaak wat die belangen betreft niet in staat van wijzen is.

Het derde lid van hetzelfde artikel bepaalt dat, onverminderd het recht om de zaak bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken, eenieder die door het strafbaar feit schade heeft geleden, nadien door middel van een ter griffie neergelegd verzoekschrift, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, kosteloos kan verkrijgen dat het gerecht dat uitspraak heeft gedaan over de strafvordering, uitspraak doet over de burgerlijke belangen.

Het vierde lid van het vermelde artikel bepaalt dat dit verzoekschrift als burgerlijke partijstelling geldt.

2. Die bepalingen beogen de benadeelde die zijn burgerlijke rechtsvordering tot schadevergoeding uit een misdrijf niet tezelfdertijd en voor dezelfde rechter als de strafvordering heeft ingesteld, in staat te stellen zich vooralsnog voor die strafrechter burgerlijke partij te stellen, zelfs na de beoordeling van de strafvordering, teneinde ook over zijn vordering een uitspraak te verkrijgen.

3. Art. 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt: «Naast de straf kan de rechtbank bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Dit gebeurt op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen en wijzigingen, bedoeld in artikel 146, werden uitgevoerd. Indien deze inbreuken dateren van (...) is voorafgaand een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist».

Art. 149, § 2, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt: «De herstelvordering wordt bij het parket ingeleid bij gewone brief, in naam van het Vlaamse Gewest of van het college van burgemeester en schepenen, door de stedenbouwkundige inspecteurs en de aangestelden van het college van burgemeester en schepenen».

4. De herstelmaatregel beoogt niet, zoals de schadevergoeding, de vergoeding van schade aan particuliere belangen, maar het ongedaan maken van de gevolgen van het misdrijf in het algemeen belang. Alleen het bestuur is bevoegd te oordelen in welke mate het algemeen belang vereist dat ter beëindiging van de wederrechtelijke toestand een herstelmaatregel moet worden gevorderd.

5. Wanneer, zoals hier, de strafrechter vaststelt dat het bestuur voor hem geen herstelmaatregel heeft gevorderd, heeft de stedenbouwkundig inspecteur geen belang tegen die vaststelling cassatieberoep aan te tekenen, ook al houdt de rechter de beslissing over het herstel van de gevolgen van het stedenbouwmisdrijf niet aan.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 10/03/2010 - 07:06
Laatst aangepast op: di, 27/05/2014 - 14:47

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.