-A +A

Herroeping ov vernietiging van schenking dient in de procedure vereffening-verdeling ingesteld

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 26/10/2017
A.R.: 
C.16.0322.N

Het finaal verrekenbeding is een clausule die in hoofdzaak wordt overeengekomen tussen echtgenoten die gehuwd zijn onder een stelsel van “scheiding van goederen”. Het is een huwelijksvermogensrechtelijk beding, waarbij echtgenoten voorzien in een verbintenisrechtelijke verrekening op het afgesproken ogenblik met betrekking tot het geheel of een gedeelte van hun niet-gemeenschappelijk vermogen en volgens een overeengekomen verdeelsleutel.

De vermogensrechtelijke verhoudingen tussen echtgenoten worden beheerst enerzijds door het huwelijksvermogensrecht (dat de vermogensrechtelijke gevolgen tussen de echtgenoten onderling en tegenover derden regelt, zowel tijdens het huwelijk als bij de beëindiging ervan) en anderzijds door het erfrecht (dat de wijze regelt waarop het vermogen van de overleden echtgenoot wordt verdeeld onder zijn rechtsopvolgers).

Indien het huwelijk wordt ontbonden door overlijden, zal zowel een huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling gebeuren als een erfrechtelijke vereffening en verdeling.

In eerste instantie moet de huwelijksvermogensrechtelijke vereffening-verdeling of vereffening-verrekening plaatsvinden; pas na deze verrichting kan de nalatenschap van de overleden echtgenoot gevormd worden en kan de vereffening-verdeling van deze nalatenschap plaatsvinden.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2018/5
Pagina: 
411
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(N.V. en cons. / J.D.B. en P.D.B. - Rolnr.: C.16.0322.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 4 februari 2016.

II. Cassatiemiddel

De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. Beslissing van het hof

Beoordeling
1. Artikel 700 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hoofdvorderingen op straffe van nietigheid bij dagvaarding voor de rechter worden gebracht onverminderd de bijzondere regels van inzake vrijwillige verschijning en de rechtspleging op verzoekschrift.

Overeenkomstig artikel 701 Gerechtelijk Wetboek kunnen verschillende vorderingen tussen twee of meer partijen, indien zij samenhangend zijn, bij een zelfde akte worden ingesteld.

2. Hieruit volgt dat vorderingen die samenhangend zijn, hetzij bij afzonderlijke gedinginleidende akten kunnen worden ingesteld, hetzij bij eenzelfde gedinginleidende akte. Geen enkele wettelijke bepaling verplicht de eiser ertoe om alle vorderingen in een gedinginleidende akte te bundelen. Het enkele feit dat er reeds een samenhangende vordering aanhangig is voor de rechtbank, is geen grond van niet-ontvankelijkheid van de later ingestelde vordering.

3. Overeenkomstig artikel 1209, eerste lid Gerechtelijk Wetboek, in de hier van toepassing zijnde versie, beslist de rechtbank over alle geschillen die bij haar aanhangig worden gemaakt, met dien verstande dat zij de oplossing kan uitstellen tot het vonnis van homologatie wordt gewezen.

Uit deze bepaling noch uit enige andere wettelijke bepaling volgt dat van zodra er is gedagvaard in gerechtelijke vereffening en verdeling van een nalatenschap, een vordering tot herroeping of vernietiging van een schenking aan een erfgenaam, die binnen de door de wet bepaalde termijnen moet kunnen worden ingesteld, enkel in het kader van de procedure van vereffening en verdeling en niet bij afzonderlijke dagvaarding kan worden ingesteld, ook al heeft een dergelijke vordering een weerslag op de omvang van de te vereffenen en te verdelen boedel. Er anders over oordelen zou tot gevolg hebben dat de partijen in de notariële fase van de procedure van vereffening en verdeling, binnen dewelke enkel de notaris geschillen via een proces-verbaal aanhangig kan maken bij de rechtbank, over geen enkele mogelijkheid zouden beschikken om de vordering tot herroeping of vernietiging tijdig in te stellen.

4. Door te beslissen dat de vorderingen tot herroeping en de vordering tot vernietiging van de schenking van 16 maart 1998 enkel in het kader van de procedure van vereffening en verdeling konden worden ingesteld en niet als afzonderlijke vorderingen voor de rechter konden worden gebracht, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is in zoverre gegrond.

5. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het alle vorderingen tot of in het raam van de beoogde herroeping of nietigverklaring van de bedoelde schenkingen niet ontvankelijk verklaart en in zoverre het oordeelt over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verklaart het arrest bindend voor de tot bindendverklaring opgeroepen partij.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

VOORZIENING IN CASSATIE

(…)

Feiten en procedurevoorgaanden
Het bestreden arrest bevat een omstandig overzicht van de feiten op de p. 5-13, waarnaar eiseressen verwijzen.

In het kader van de procedure voor uw Hof zijn de volgende feiten relevant.

1. Eerste eiseres is de tweede echtgenote van de heer J.D.B. Tweede en derde eiseressen zijn de dochters uit het eerste huwelijk van eerste eiseres met de heer L.V.R. Tweede en derde eiseressen werden door de heer J.D.B. geadopteerd bij notariële akte van 25 augustus 2004.

Verweerders zijn de zonen uit het eerste huwelijk van de heer J.D.B. met mevrouw A.S., die overleed op 29 juni 1963.

De heer J.D.B. is overleden op 4 november 2007.

2. Bij exploot van 14 april 2008 lieten eiseressen de verweerders dagvaarden voor de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde teneinde de vereffening en verdeling te bevelen van de onverdeeldheid D.B./V. en van de nalatenschap van de heer J.D.B. en teneinde hiertoe een notaris te horen aanstellen.

Bij exploot van 5 juni 2008 lieten eiseressen verweerders dagvaarden voor dezelfde rechtbank teneinde de schenkingen van in het totaal 12 certificaten aan toonder uitgegeven door de Stichting Administratiekantoor Th. en L. (tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij) die de heer J.D.B. aan verweerders had gedaan op 16 maart 1998 te horen herroepen/ontbinden wegens ondankbaarheid en wegens het niet vervullen van de voorwaarden van de schenking.

Bij exploot van 1 juli 2009 lieten eiseressen verweerders dagvaarden voor dezelfde rechtbank teneinde voormelde schenkingen nietig te verklaren.

3. Bij vonnis van 13 januari 2011 beval de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde over te gaan tot de verrichtingen van vereffening en verdeling van de onverdeeldheid D.B./V. en van de nalatenschap van de heer J.D.B.

Bij vonnis van 6 september 2012 werden de zaken betreffende de ontbinding/herroeping en nietigverklaring van de schenking samengevoegd. Het verboden derdenbeding werd strijdig bevonden met artikel 1130 van het Burgerlijk Wetboek, zonder dat dit nochtans van aard is de geldigheid van de schenking zelf aan te tasten. De behandeling van de vordering tot herroeping/ontbinding van de schenking werd geschorst met toepassing van artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering.

Bij vonnis van 4 april 2013 werd de schenking van 16 maart 1998 ten aanzien van tweede verweerder herroepen wegens ondankbaarheid.

4. Bij verzoekschrift van 1 april 2011 stelde eerste verweerder hoger beroep in tegen het vonnis van 13 januari 2011.

Bij verzoekschriften van 27 en 28 juni 2013 stelden verweerders hoger beroep in tegen de vonnissen van 6 september 2012 en van 4 april 2013.

In het thans voor uw Hof bestreden arrest worden de zaken samengevoegd en de hogere beroepen ontvankelijk verklaard. De appelrechters beslissen dat de vorderingen van eiseressen tot herroeping/ontbinding en tot vernietiging van voormelde schenkingen niet ontvankelijk zijn.

Tegen dit arrest wensen eiseressen op te komen met het volgende middel tot cassatie.

Enig middel tot cassatie
Geschonden wetsbepalingen
- de artikelen 791, 843, 918, 931, 948, 949 953, 956, 957, 1130, tweede lid, 1184, 1304, 1388, 1600 en 2244 van het Burgerlijk Wetboek (de art. 953 en 957, in de versie zoals van kracht vóór de wijziging ervan bij wet van 10 december 2012, hierna de art. 953 en 957 (oud) BW genoemd);

- de artikelen 12, 13, 17, 18, 30, 565, 566, 700, 701, 807, 1207, 1209, 1212, 1219 en 1223 van het Gerechtelijk Wetboek (de art. 1207, 1209, 1212, 1219 en 1223 in de versie zoals van kracht vóór de wijziging/vervanging ervan bij wetten van 13 augustus 2011 en van 30 juli 2013, hierna de art. 1207, 1209, 1212, 1219 en 1223 (oud) Ger.W. genoemd).

Aangevochten beslissing
De appelrechters verklaren de vorderingen van eiseressen tot herroeping/ontbinding en tot nietigverklaring van de schenkingen van 16 maart 1998 aan verweerders niet ontvankelijk op de grond dat eiseressen deze vorderingen enkel konden instellen in het raam van de procedure tot gerechtelijke vereffening-verdeling en niet als aparte vordering. De appelrechters steunen deze beslissing op de volgende overwegingen:

“B. Ten gronde

1. Zowel voor de eerste rechter als thans voor het [hof van beroep] werpen [tweede verweerder] en [eerste verweerder] (grotendeels) de niet-ontvankelijkheid op van de vorderingen van [eerste eiseres] en de [tweede en derde eiseressen] tot herroeping/nietigverklaring van de schenking(en) van 16 maart 1998.

[Tweede verweerder] argumenteert reeds bij conclusie voor de eerste rechter dat de vordering van [eerste eiseres] en de [tweede en derde eiseressen] tot herroeping van de schenking(en) van 16 maart 1998 kadert in de globale gerechtelijke vereffening-verdeling van de nalatenschap van J.D.B.. Hij wijst op het beginsel 'non bis in idem'. Zodoende kunnen [eerste eiseres] en de [tweede en derde eiseressen], gelet op de dagvaarding van 14 april 2008 en het aanwijzingsvonnis van 13 januari 2011 tot gerechtelijke vereffening-verdeling van de nalatenschap van J.D.B., deze vordering tot herroeping niet afzonderlijk en wars van de procedure tot gerechtelijke vereffening-verdeling instellen, aldus [tweede verweerder].

[Tweede verweerder] vervolgt dat een en ander (eerst) in het raam van de werkzaamheden van de gerechtelijke vereffening-verdeling zal moeten worden beoordeeld, nu inmiddels en meer precies bij vonnis van 13 januari 2011 een notaris-vereffenaar werd aangewezen.

Ook [eerste verweerder] geeft reeds bij conclusie voor de eerste rechter aan dat de interpretatie van de litigieuze schenking(en) van 16 maart 1998 en (onder meer) meer concreet de toestemming van [eerste eiseres] overeenkomstig artikel 918, tweede lid BW, als centraal discussiepunt rijst in het raam van de gerechtelijke vereffening-verdeling van de nalatenschap van J.D.B.

Zelfs [eerste eiseres] en de [tweede en derde eiseressen] opperen voor de eerste rechter dat het vruchtgebruik van [eerste eiseres] als langstlevende echtgenote op de bedoelde 8 overige certificaten een zuiver juridische discussie is. Zij vervolgen dat het al dan niet aanwezig zijn van een verboden erfovereenkomst in de bedoelde schenkingsakte (gelet op de toestemming overeenkomstig art. 918, tweede lid BW) zelfs ambtshalve door de rechter moet worden opgeworpen. Zij geven zelf aan dat deze discussiepunten in het raam van de bedoelde gerechtelijke vereffening-verdeling zullen moeten worden uitgeklaard (p. 44 van hun eerstelijnssyntheseconclusie van 14 oktober 2011).

2. De bepalingen inzake de rechterlijke organisatie, mede omtrent de gerechtelijke vereffening-verdeling, raken de openbare orde. Zodoende dient het [hof van beroep], zelfs ambtshalve mits eerbiediging van het recht van verdediging van de partijen, te onderzoeken of het kennis kan nemen van het voorgelegde geschil. De gerechtelijke verdeling zoals opgevat door het Gerechtelijk Wetboek is een logische, rigoureuze en volmaakt gestructureerde procedure die als dusdanig dient te worden gevolgd en waarvan niet kan worden afgeweken. De taken van de rechtbank enerzijds, en de notaris-vereffenaar anderzijds, zijn in het Gerechtelijk Wetboek systematisch afgelijnd (Luik 24 oktober 1986, JT 1987, 7).

In de lijn van de (zeer) uitvoerige bespreking ter terechtzitting van 26 november 2015 rijst aldus vooreerst de cruciale vraag of [eerste eiseres] en de [tweede en derde eiseressen] de vorderingen tot herroeping/nietigverklaring van de schenking(en) van 16 maart 1998 op ontvankelijke wijze konden instellen, (telkens) bij aparte dagvaarding los en wars van de voordien reeds ingestelde procedure tot gerechtelijke vereffening-verdeling.

Daarbij staat buiten kijf dat de betwisting omtrent de geldigheid/ontbinding van een rechtshandeling van de decujus en hier meer precies de nietigverklaring/herroeping van de schenking(en) van 16 maart 1998 van J.D.B. een geschil is binnen de vereffening-verdeling van zijn nalatenschap.

3. Zodra een of meerdere deelgenoten dagvaarden tot uitonverdeeldheidtreding en vereffening-verdeling neemt de procedure tot gerechtelijke vereffening-verdeling (in de zin van de (oude) art. 1207 et seq. Ger.W.) een aanvang. In casu hebben [eerste eiseres] en de [tweede en derde eiseressen] hiertoe het startschot gegeven met de dagvaarding van 14 april 2008.

4. Reeds sinds de invoering van het Gerechtelijk Wetboek (Verslag Van Reepinghen, Parl.St. Senaat 1963-64, nr. 60, 273 et seq.) en nog meer sinds de wet van 13 augustus 2011 'houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling' (BS 14 september 2011, in werking op 1 april 2012) (wetsvoorstel houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling, Parl.St. Senaat 2010-11, nr. 5 405/1, 3) krijgt de notaris-vereffenaar in de gerechtelijke vereffening-verdeling een cruciale rol toebedeeld. De rechtspraak en rechtsleer beamen deze centrale functie van de notaris-vereffenaar meer en meer volmondig. De door de rechtbank aangewezen notaris-vereffenaar leidt als gerechtelijke opdrachthouder de procedure van vereffening- verdeling. De notaris-vereffenaar is de zogeheten 'eerste rechter' in de oplossing van de geschillen tussen de partijen (Antwerpen 23 december 1987, RNB 1988, 431; C. Engels. Procesrecht in verband met het notariaat, Brugge, die Keure, 2010, 169-170; Ph. De Page en I. De Stefani (eds.), Liquidation et partage: commentaire pratique, Brussel, Kluwer, 2008, Tl. 5-5, 185; J. Verstraete, “Valkuilen bij gerechtelijke verdelingen” in Vlaamse Conferentie der Balie van Gent (ed.), Knelpunten vereffening-verdeling, Antwerpen, Maklu, 2008, 10; C. Declerck, “Draaiboek van een vereffening-verdeling” in W. Pintens en J. Du Mongh (eds,), Familiaal vermogensrecht, Themis 22, Brugge, die Keure, 2004, 11, nrs. 17-18; R. Bourseau, “Questions diverses liées à l'expertise” in Les incidents du partage judiciaire, Brussel, Bruylant, 2001, 96, nr. 94).

De reden daarvoor is dat de notaris de specialist bij uitstek is van het familiale vermogensrecht. Hij heeft daarenboven een grondige kennis van de immobiliënmarkt. Hij geniet het vertrouwen van het publiek. Heel vaak is hij vertrouwd met de familiale achtergrond van de partijen bij de gerechtelijke verdeling, wat soms pleit voor de aanwijzing van de familienotaris tot notaris-vereffenaar. Tot slot worden in de beslotenheid van een notariskantoor heel vaak problemen opgelost die de partijen niet zo graag in de zittingszaal van de rechtbank zien terechtkomen (B. Luyten, “Enkele bedenkingen bij de procedure van gerechtelijke verdeling”, T.Not. 1995, 387-388).

De rechtspraak en rechtsleer leggen steeds meer nadruk op de actieve tussenkomst van de notaris-vereffenaar in de gerechtelijke verdeling en meer in het bijzonder op zijn bemiddelende en verzoenende rol (Luik 5 december 2006, RTDF 2007, 1266; Brussel 20 december 1995, RW 1997-98,14; Antwerpen 22 mei 1995, RW 1995-96, 456; Luik 24 oktober 1986, JT 1987, 7; A. Wylleman, “Onwil, vertraging en misverstand in de procedure tot gerechtelijke verdeling na echtscheiding”, AJT 1995-96, 208, nrs. 40-42; Ch. Sluyts, “Notariële en procesgerechtelijke aspecten van de vereffening-verdeling” in W. Pintens (ed.), Vereffening-verdeling van de huwelijksgemeenschap, Antwerpen, Maklu, 1987, 133; Ph. De Page, “La saisine du tribunal pendant la phase notariale de liquidation et de partage”, RTDF 1995,129-136, nr. 134; L. Raucent en M. Gregoire, “Examen de jurisprudence. Les successions, les partages et les libéralités (1987-1994)”, RCJB 1996,469, nr. 97).

Ook [eerste eiseres] en de [tweede en derde eiseressen] geloven in de bemiddelende en verzoenende rol van de notaris-vereffenaar daar waar ze (op p. 45) in hun syntheseconclusie van 25 mei 2012 in de procedure van beperkt hoger beroep tegen het aanwijzingsvonnis van 13 januari 2011 in het licht van het door hun reeds beoogde deskundigenonderzoek omtrent de waarde van de litigieuze certificaten argumenteren: 'Het is trouwens goed mogelijk dat na een expertise, precies omdat hierdoor de waarde van hetgeen het belangrijkste deel van de nalatenschap uitmaakt een bekende wordt, en middels de bemiddelende rol van de notaris, tot een regeling in der minne kan gekomen worden.' (benadrukking door het [hof van beroep]).

In de beslotenheid van een notariskantoor komen onder leiding van een actieve, bemiddelende notaris-vereffenaar vaak akkoorden, minstens deelakkoorden tot stand. Ook de wet van 13 augustus 2011 stelt het bevorderen van (deel)akkoorden als een doel voorop (memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, Parl.St. Senaat 2010-11, 5/405-1, 2-3).

Deze doelstellingen en de bijzondere plaats van de notaris-vereffenaar in de gerechtelijke vereffening-verdeling brengen mee dat eens de notaris-vereffenaar is aangewezen, alle geschillen binnen de vereffening-verdeling eerst aan hem moeten worden voorgelegd. Het aanwijzingsvonnis is immers een eindvonnis: het contentieux van de verdeling is niet meer bij de rechtbank aanhangig, de zaak is aan de rechtbank onttrokken. De notaris-vereffenaar zal over alle punten die de partijen verdelen, zowel in feite als in rechte, standpunt dienen in te nemen (Cass. 19 december 1991, RNB 1991, 102; Cass. 28 oktober 1999, T.Not. 1999-2000, 406; W. Pintens et al., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 281, nr. 515; A. Vanderhaeghen, “Gerechtelijke procedure tot vereffening-verdeling. Hervorming”, NJW 2011, 634-650).

Enkel in geval van blijvende betwisting geeft de notaris-vereffenaar het laatste woord aan de rechtbank (terug). Betwistingen tegen de staat van vereffening-verdeling worden door de notaris-vereffenaar met toepassing van het oude artikel 1219, § 2 Ger.W. (of thans het nieuwe art. 1223, § 3 Ger.W.) bij de rechter aanhangig gemaakt door neerlegging ter griffie van de benodigde notariële akten en in het bijzonder de betwiste vereffeningsstaat en het proces-verbaal van bezwaren met het notariële advies. Deze specifieke wijze van saisine van de rechtbank spoort met de geschetste unieke rol van de notaris-vereffenaar.

Evenwel kunnen tijdens de vereffening-verdeling reeds vrij snel bepaalde geschillen opduiken die het de notaris-vereffenaar onmogelijk maken op een zinnige wijze een staat van vereffening-verdeling op te stellen. Stelt hij toch een staat op, dan riskeert de notaris-vereffenaar, bij een andere beoordeling door de rechtbank op het einde van de rit, zijn hele vereffeningswerk te mogen overdoen.

Hier creëerde rechtspraak een elegante oplossing door de notaris-vereffenaar met analoge toepassing van het oude artikel 1219, § 2 Ger.W. toe te laten ook tussentijds essentiële geschillen op dezelfde wijze bij de rechtbank aanhangig te maken. Het cassatiearrest van 5 november 1993 (en het nieuwe art. 1216 Ger.W.) bevestigde(n) intussen deze praetoriaanse creatie (Cass. 5 november 1993, Arr.Cass. 1993, 926; Antwerpen 31 mei 2006, T.Not. 2007, 318; T. Van Sinay, “Grasduinen in de nieuwe gerechtelijke verdeling. Commentaar bij de wet van 13 augustus 2011”, T.Fam. 2012, 88-110).

Ook hier houden (wetgever,) rechtspraak en rechtsleer de leidinggevende rol van de notaris-vereffenaar en de controlerende rol van de rechtbank mooi in balans, Het initiatiefrecht tot het opstellen van dergelijk tussentijds proces-verbaal komt (eveneens) uitsluitend aan de notaris-vereffenaar toe, terwijl de rechtbank de opportuniteit en noodzaak van haar voortijdse tussenkomst en (gebeurlijk het tussengeschil) zal beoordelen (Antwerpen 31 mei 2006, T.Not. 2007, 318). In de lijn van dit evenwicht en teneinde vertragingsmanoeuvres tegen te gaan, is het in de regel aan de partijen, zelfs in onderling akkoord, niet toegelaten zelf de rechtbank op een andere wijze te adiëren. Andere wijzen van rechtsingang zoals bijvoorbeeld middels dagvaarding of conclusie kunnen niet en stuiten op een niet-ontvankelijkheid van de vordering (Luik 23 januari 2002, RTDR 2005, 1190; Bergen 16 december 1996, JT 1997, 459; M. Puelinckx-Coene et al., “Overzicht van rechtspraak. Erfenissen (1996-2004)”, TPR 2005, 663; T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 280 et seq.; B. Luyten, “Enkele bedenkingen bij de procedure van gerechtelijke verdeling”, T.Not. 1995,398-399). De economie van de gerechtelijke vereffening-verdeling laat niet toe dat de rechtbank te pas en te onpas door (vertragingslustige) partijen wordt geadieerd.

Rijzen evenwel reeds van in het begin, bijvoorbeeld naar aanleiding van de aangifte van nalatenschap of tijdens de voorafgaande (mislukte) poging tot minnelijke vereffening-verdeling, welomlijnde twistvragen met een determinerende invloed op de vereffening-verdeling, dan kan het vanuit proceseconomisch oogpunt nuttig zijn dat de partijen deze geschillen reeds aan de rechtbank kunnen voorleggen nog voordat de notaris-vereffenaar aan het werk gaat.

Het oude (en nieuwe) artikel 1209, eerste lid BW biedt de partijen deze mogelijkheid: de rechtbank beslist over alle geschillen die bij haar aanhangig worden gemaakt, met dien verstande evenwel dat zij de oplossing kan uitstellen tot het vonnis van homologatie is gewezen.

Aldus kunnen de partijen bij de aanvang van de gerechtelijke vereffeningsprocedure hun geschilpunten reeds aan de (vereffenings)rechter voorleggen (Antwerpen 31 mei 2006, T.Not. 2007, 318; Luik 7 juli 1998, TBBR 2001, 107; W. Pintens et al., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 279, nr. 512), Ph. De Page en I. De Stefani, Liquidation et partage. Commentaire pratique, Brussel, Kluwer, 2003, nr. 16, II. 1-3).

Ook hier blijft de leidinggevende rol van de notaris-vereffenaar en de controlerende rol van de rechtbank mooi in evenwicht, met oog voor het sui generis-karakter van de gerechtelijke vereffening-verdeling en de proceseconomie. De rechtbank kan de haar voorgelegde geschillen reeds beslechten. Zij kan de oplossing van een of meerdere van de haar voorgelegde geschillen evengoed uitstellen naar een verder stadium in de procedure van de gerechtelijke vereffening-verdeling en zo de geschetste centrale rol van de notaris-vereffenaar bij de gerechtelijke vereffening-verdeling ten volle laten spelen (Brussel 13 april 2010, NJW 2010, 506, met noot K. Vandenberghe; Brussel 24 maart 1987, RNB 1991, 296; Brussel 17 december 1986, RNB 1991, 298, met noot Ph. De Page; A. Wylleman, “Onwil, vertraging en misverstand in de procedure tot gerechtelijke verdeling na echtscheiding”, AJT 1995-96, 208, nrs. 61-64). Dit is een discretionaire, soevereine bevoegdheid van de rechtbank. De keuze om het geschil al dan niet reeds (voorafgaand aan de notariële werkzaamheden en zonder het advies van de notaris-vereffenaar) te beslechten ligt uitsluitend bij de rechtbank, niet bij de partijen (Antwerpen 12 mei 2004, T.Not. 2007, 11).

Enkel artikel 1209, eerste lid BW biedt de partijen in de gerechtelijke vereffening-verdeling (in de regel) de enige mogelijkheid/het enige moment waarop zij dergelijke geschillen zelf aan de rechtbank kunnen voorleggen. Daarbij is het van primordiaal belang dat de beslechting van deze geschillen in de gedinginleidende dagvaarding wordt gevraagd. Jammer genoeg wordt van deze mogelijkheid in de praktijk onvoldoende gebruik gemaakt (T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 276-277, nr. 408; P. Van Den Eynde et al., “Le partage judiciaire. Quelques questions pratiques”, RNB 1991, (226), nr. 10). Worden in het raam van artikel 1209, eerste lid Ger.W. geen geschillen aan de rechtbank voorgelegd of stelt de rechtbank de behandeling ervan uit, dan is de zaak niet meer aanhangig bij de rechtbank. De zaak is ingevolge het aanwijzingsvonnis in handen van de notaris-vereffenaar.

5. Zoals reeds aangegeven, hebben [eerste eiseres] en de [tweede en derde eiseressen] het startschot van de gerechtelijke vereffening-verdeling (zelf) gegeven met hun dagvaarding van 14 april 2008.

Zoals evenzeer reeds aangegeven, staat buiten kijf dat de betwisting omtrent de nietigverklaring/herroeping van de schenking(en) van 16 maart 1998 van J.D.B. een geschil is binnen de vereffening-verdeling van zijn nalatenschap.

Vergeefs voeren [eerste eiseres] en de [tweede en derde eiseressen] aan dat deze vorderingen niet het gevolg zijn van het openvallen van de nalatenschap. Zij verwarren met de door hen ingeroepen grond/reden tot nietigverklaring/herroeping. Bij wijze van uitbreidende vordering verzoeken [eerste eiseres] en de [tweede en derde eiseressen] de rechtbank in onderhavig geschil te beslissen dat bij 'de samenstelling van de fictieve massa en het bepalen van het beschikbare deel' ten aanzien van [eerste eiseres] en/of de [tweede en derde eiseressen], met de waarde (ten tijde van het overlijden van J.D.B.) van bepaalde of alle litigieuze certificaten rekening zal worden gehouden, terwijl daarbij geen toepassing kan worden gemaakt van artikel 918 B W. Het samenstellen van de fictieve massa en het bepalen van het beschikbare deel zijn bij uitstek werkzaamheden van de notaris-vereffenaar bij de gerechtelijke vereffening-verdeling. Het geschil is en blijft duidelijk een geschil binnen de voordien reeds aangevatte vereffeningsprocedure.

In de lijn van voormelde redengeving zijn er dus maar drie tijdstippen om dergelijke geschillen aan de rechtbank voor te leggen: door de notaris-vereffenaar tussentijds of op het einde middels een proces-verbaal van bezwaren of door de partijen bij de aanvang van de gerechtelijke vereffening-verdeling met toepassing van artikel 1209, eerste lid Ger.W. Andere mogelijkheden/tijdstippen voor het aanbrengen van deze geschillen bij de rechtbank zijn er niet (Cass. 6 april 1990, T.Not., 1990, 235, noot F. Bouckaert en RTDF 1991, 29, noot Ph. De Page; Cass. 5 november 1993, RTDF 1995, 123, noot Ph. De Page).

6. De vorderingen tot herroeping/nietigverklaring van de schenking(en) van 16 maart 1998 telkens bij aparte dagvaarding respectievelijk van 5 juni 2008 en 1 juli 2009, los en wars van de voordien (op 14 april 2008) reeds aangevatte procedure tot vereffening-verdeling, kunnen niet worden toegelaten.

Anders oordelen zou schromelijk afbreuk doen aan de geschetste eigen dynamiek van de gerechtelijke vereffening-verdeling, de centrale rol van de notaris-vereffenaar met de controlerende rol van de rechtbank en niet in het minst aan de bepaling van artikel 1209, eerste lid Ger.W.

7. Komt een vereffeningsgeschil vóór de aanwijzing van de notaris-vereffenaar bij de rechtbank, dan moet de rechtbank krachtens artikel 1209, eerste lid Ger.W. de keuze hebben om het geschil reeds te beslechten of uit te stellen naar een verder stadium in de procedure van de gerechtelijke vereffening-verdeling.

Het staat buiten kijf, alleen al (1) door de plaats in het Ger.W. en meer precies onder de Afdeling 2 'Gerechtelijke verdeling' en na de wet van 13 augustus 2011 ook onder de Onderafdeling 1 'De inleiding van de vordering en het vonnis dat de gerechtelijke verdeling beveelt' en (2) de in de bepaling gekozen bewoordingen, dat het artikel 1209, eerste lid Ger.W. met 'de rechtbank' uitsluitend de vereffeningsrechter bedoelt en kan bedoelen.

Zoals reeds aangegeven, moet de rechtbank hierbij kunnen oordelen of het voor een goede rechtsbedeling in het concrete geval al dan niet past om ab initio bestaande geschilpunten reeds te beslechten.

In een concreet geval zou het immers, omwille een goede rechtsbedeling, passend kunnen zijn dat, ook voor bestaande geschillen tussen de deelgenoten (zelfs als ze reeds in staat van wijzen zijn), de notaris-vereffenaar zijn informatieve en raadgevende taak en zijn verzoeningsopdracht kan uitoefenen en een geheel- of deelakkoord tracht te bewerkstellingen, zodat het vanuit die optiek niet wenselijk is dat de vereffeningsrechter ab initio deze geschillen reeds zou beslechten (C. De Busschere, “De toepassing van artikel 792 BW inzake de heling in het kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling, en de respectieve rol van de boedelrechter en van de boedelnotaris ter zake”, Not.Fisc.M. 2010, 268-272; K. Vandenberghe, “Taak rechtbank versus taak boedelnotaris bij gerechtelijke vereffening-verdeling”, NJW 2010, 507-508).

Voor dergelijke geschillen telkens (een) aparte procedure(s), los en wars van de (reeds gestarte) vereffeningsprocedure toestaan, ondergraaft compleet deze (door de wetgever in de lijn van de geschetste eigen dynamiek van de gerechtelijke vereffening-verdeling) exclusief aan de vereffeningsrechter gegeven keuzemogelijkheid.

Bovendien was in casu op het ogenblik dat de eerste rechter eensdeels bij vonnis van 6 september 2012 en anderdeels bij vonnis van 4 april 2013 over de beoogde nietigverklaring/herroeping van de bedoelde schenking(en) oordeelde, de notaris-vereffenaar reeds aangewezen bij vonnis van 13 januari 2011. De zaak was ingevolge het aanwijzingsvonnis van 13 januari 2011 al in handen van de notaris-vereffenaar (T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 2010, 278-279, nrs. 410-411).

Enkel artikel 1209, eerste lid Ger.W. kan op juridisch vlak voldoende de beslissing van de rechtbank schragen om zelf dergelijke tussen de deelgenoten hangende geschilpunten, zonder enige tussenkomst van de gevorderde (en in casu zelfs reeds aangewezen) notaris-vereffenaar, te beslechten.

Bijgevolg (en zoals reeds aangegeven) kan enkel de vereffeningsrechter ten laatste in het aanwijzingsvonnis dergelijke geschillen (gebeurlijk) reeds beslechten. Alleen al omdat artikel 1209, eerste lid Ger.W. elders niet kan spelen, is het uitgesloten dat de partijen een andere rechter verplichten dergelijk geschil toch te beslechten. Dit toelaten zou betekenen dat de partijen niet alleen de vereffeningsnotaris maar ook (de discretionaire en soevereine keuzemogelijkheid van) de vereffeningsrechter volkomen buitenspel kunnen zetten.

Het argument van [eerste eiseres] en de [tweede en derde eiseressen] dat de rechtbank en niet de notaris-vereffenaar dient te beslissen over de beoogde herroeping/nietigverklaring van de bedoelde schenking(en) is meer dan vergeefs. Zoals geduid, beslist de rechtbank (uiteindelijk) (bij blijvende betwisting) altijd. Zo blijft het fundamentele recht op toegang tot de rechtbank gewaarborgd. Zo blijft de unieke functie van de notaris-vereffenaar als (enkel) gerechtelijke opdrachthouder zuiver. Geschillen zoals bijvoorbeeld preferentiële toewijzing (art. 1446-1447 BW), de mogelijke toepassing van artikel 1278, derde/vierde lid Ger.W. en burgerlijke heling (art. 792 BW) passen volgens (inmiddels unanieme) rechtspraak en rechtsleer naadloos in het geschetste eigen verloop van de vereffeningsprocedure, terwijl de artikelen 1447 BW en 1278, derde/vierde lid Ger.W. zelf(s) uitdrukkelijk bepalen dat 'de rechtbank' beslist (B. Luyten, “Enkele bedenkingen bij de procedure van gerechtelijke verdeling”, T.Not. 1995, 392-393). Het spreekt voor zich dat 'zelfstandige' vorderingen (bv. op grond van art. 792 BW) mogelijk zijn, zij het buiten het globale kader van de bijzondere rechtspleging van de gerechtelijke vereffening-verdeling van de opengevallen nalatenschap, waarbij er geen notaris-vereffenaar aan te pas komt, wat in casu duidelijk anders is (C. De Busschere, “De toepassing van artikel 792 BW inzake de heling in het kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling, en de respectieve rol van de boedelrechter en van de boedelnotaris ter zake”, Not.Fisc.M. 2010, 268-272).

Bovendien erkennen [eerste eiseres] en de [tweede en derde eiseressen] hier zelf uitdrukkelijk de discretionaire bevoegdheid van de rechtbank krachtens artikel 1209, eerste lid Ger.W. Zo stellen zij dat de vereffeningsrechter terecht de betwisting inzake de aandelen van de NV N. en van de NV A. als incident van de vereffening-verdeling naar de notaris-vereffenaar heeft gestuurd.

Ze vragen zelf(s) (het [hof van beroep] in het raam van het beperkte hoger beroep tegen het aanwijzingsvonnis van 13 januari 2011) hetzelfde te doen met hun tussenvordering tegen P.Z. tot teruggave van de gestolen gelden aan de nalatenschap derwijze dat de notaris-vereffenaar als eerste rechter hierover kan oordelen (p. 52 van hun voormelde syntheseconclusie van 25 mei 2012). Waarom deze discretionaire bevoegdheid van de vereffeningsrechter voor een ander verdelingsincident (en meer precies de betwiste herroeping/nietigverklaring van de bedoelde schenkingen) niet zou gelden, leggen zij evenwel niet uit.

8. Anders oordelen zou niet alleen de geschetste eigen dynamiek van de gerechtelijke vereffening-verdeling, de centrale rol van de notaris-vereffenaar met de controlerende rol van de rechtbank en niet in het minst de bepaling van 1209, eerste lid Ger.W. volkomen fnuiken, maar bovendien vertraging(smanoeuvres) in de hand werken. De vereffening, het werk van de notaris-vereffenaar, zou worden vertraagd en zelfs stilgelegd door aparte, los en wars van de vereffeningsprocedure ingeleide procedures, wat in casu overigens ook duidelijk blijkt.

[Eerste eiseres] en de [tweede en derde eiseressen] voeren zelf aan dat het verloop van de bedoelde procedures (tot herroeping/nietigverklaring van de bedoelde schenkingen) mogelijk een vertraging teweegbrengt in de vereffening/verdelingsverrichtingen (p. 50-51 van hun voormelde syntheseconclusie van 25 mei 2012).

In het proces-verbaal tot opening van werkzaamheden van 16 december 2014 geeft ook de intussen aan het werk gezette notaris-vereffenaar aan dat klaarblijkelijk diverse procedure hangende zijn die van belang zullen zijn voor het eindresultaat van de vereffening-verdeling. Noodgedwongen voegt zij eraan toe dat de vereffening-verdeling al zoveel als mogelijk kan worden 'voorbereid'.

In het proces-verbaal tot verderzetting van werkzaamheden van 12 mei 2015 confronteert (de advocaat van) [tweede verweerder] (de advocaat van) [eerste eiseres] met deze veroorzaakte patstelling/vertraging daar waar hij op haar vraag naar zijn standpunt in verband met het vruchtgebruik op een derde van de certificaten die aan [eerste eiseres] werden geschonken, repliceert dat dit antwoord/deze verklaring kadert in de (nog) hangende procedure.

Zoals reeds geduid, zijn deze patstelling en vertraging nu net niet de bedoeling. Ook de wet van 13 augustus 2011 beoogt als een van de belangrijkste doelstellingen de procedure te versnellen met inbegrip van de notariële fase ervan door (onder meer dergelijke) patstellingen en nodeloze procedures voor de rechtbank te voorkomen/vermijden (wetsontwerp houdende hervorming van de gerechtelijke vereffening-verdeling - Verslag namens de Commissie voor de Justitie, Parl.St. Kamer, 53-1513-004).

9. Ook verjaringstermijnen en/of (andere) door de wet opgelegde termijnen om dergelijke vorderingen tot herroeping/nietigverklaring van de bedoelde schenking in te stellen, doen niet anders oordelen.

De terechte overwegingen van de eerste rechter dat (1) een en ander en inzonderheid de beoogde herroeping niet van rechtswege plaatsheeft, (2) [eerste eiseres] en de [tweede en derde eiseressen] hiertoe aldus binnen een door de wet vastgelegde (verjarings)termijn een vordering in rechte dienen in te stellen en (3) [eerste eiseres] en de [tweede en derde eiseressen] bij deze vordering aldus belang hebben, kunnen geen afbreuk doen aan voormelde redengeving.

Anders dan de eerste rechter verder oordeelt, herhaalt het [hof van beroep] dat onderhavige betwistingen wel degelijk incidenten/geschillen zijn in het raam van de vereffening-verdeling van de nalatenschap van J.D.B.

Niets belette [eerste eiseres] en de [tweede en derde eiseressen] om hun vorderingen tot herroeping/nietigverklaring tijdig binnen de opgelegde verjaringstermijnen in te stellen in het raam van de (nauwelijks 3 maanden eerder ingestelde) procedure tot gerechtelijke vereffening-verdeling. Dit was overigens in casu (op dat ogenblik) de enige toegelaten geëigende weg.

Na het aanwijzingsvonnis maakt het eigen karakter van een gerechtelijke vereffening-verdeling dat een deelgenoot, die om een of andere gegronde reden niet eerder kon ageren, de opgelegde (verjarings)termijnen nog steeds kan respecteren door de vordering(en) aan te brengen middels formele briefwisseling om deel uit te maken van een notarieel proces-verbaal dat met toepassing van het oude artikel 1219, § 2 Ger.W. in rechte kan dienen om de zaak bij de rechtbank aanhangig te maken.

Het kan en mag, hangende een gerechtelijke vereffening-verdeling, alleen al om kosten en overlast van het gerechtelijke apparaat te vermijden, immers niet de bedoeling zijn dat, telkens wanneer een deelgenoot de verjaring van een vordering wil stuiten of een andere termijn moet respecteren, een (klassieke) dagvaarding (sensu stricto) wordt vereist (met verzoek om de zaak naar de bijzondere rol te verzenden, teneinde een afwijzende rechterlijke uitspraak in de zin van artikel 2247 BW te vermijden). Dat zou overigens absurd zijn. Die (klassieke) dagvaarding (sensu stricto) zou immers nooit tot een behandeling/berechting ten gronde kunnen/mogen leiden, aangezien de notaris-vereffenaar als zogeheten 'eerste trancherende instantie' wordt gepasseerd.

10. In die optiek en in de lijn van voormelde redengeving zijn, behoudens de in casu met toepassing en/of in het raam van de artikelen 19 en 735 Ger.W. ingestelde vorderingen, waarover hierna meer, alle, zowel in hoofdorde als in ondergeschikte orde, aangehouden, gewijzigde, uitgebreide, nieuwe en tegenvorderingen van alle partijen tot en/of in het raam van de beoogde herroeping/nietigverklaring van de bedoelde schenkingen, onontvankelijk.

De hogere beroepen van [tweede en/of eerste verweerder] tot niet-ontvankelijkheid van de bedoelde vorderingen van [eerste eiseres] en de [tweede en derde eiseressen] zijn in die zin en in de lijn van deze redengeving gegrond.

In de lijn van deze redengeving zijn de principale, navolgende en incidentele hogere beroepen terzake voor het overige niet verder te ontmoeten en/of zonder voorwerp en/of ongegrond, met dien verstande dat over de gedingkosten hierna wordt geoordeeld.” (bestreden arrest, p. 30-42).

Grieven
Eerste onderdeel
1. Overeenkomstig artikel 953 (oud) van het Burgerlijk Wetboek kan een schenking onder de levenden niet worden herroepen dan wegens niet-vervulling van de voorwaarden waaronder zij is gedaan, wegens ondankbaarheid en wegens geboorte van kinderen. Deze herroeping is een bijzondere vorm van ontbinding, zoals bepaald door artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek.

Herroeping wegens niet-vervulling van de voorwaarden of wegens ondankbaarheid heeft nooit van rechtswege plaats (art. 56 BW). De eis tot herroeping wegens ondankbaarheid moet worden ingesteld binnen een jaar, te rekenen van de dag van het misdrijf waarvan de schenker de begiftigde beschuldigt, of van de dag waarop het misdrijf de schenker bekend kon zijn. De herroeping kan niet gevorderd worden door de schenker tegen de erfgenamen van de begiftigde, noch door de erfgenamen van de schenker tegen de begiftigde, tenzij, in dit laatste geval, de eis reeds door de schenker was ingesteld, of deze overleden is binnen het jaar van het misdrijf (art. 957 (oud) BW).

2. De vorm van de schenkingen onder de levenden wordt geregeld door de artikelen 931 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Luidens artikel 948 van het Burgerlijk Wetboek is een akte van schenking van roerende goederen alleen geldig voor de goederen waarvan een staat van schatting, getekend door de schenker en door de begiftigde of degenen die voor deze laatste aannemen, aan die minuut van de schenking gehecht is.

De artikelen 791, 1130, tweede lid, 1388 en 1600 van het Burgerlijk Wetboek verbieden erfovereenkomsten. Dergelijke erfovereenkomsten zijn strijdig met de openbare orde en de goede zeden en zijn dan ook absoluut nietig. Een schenking onder voorbehoud van het vruchtgebruik als voorschot op erfdeel met de toestemming van een mede-erfgenaam (art. 43, 918 en 949 BW) maakt een dergelijke verboden erfovereenkomst uit en is dan ook nietig.

De vordering tot vernietiging van schenkingen moet worden ingesteld binnen een termijn van 10 jaren, overeenkomstig artikel 1304, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek.

3. De vordering tot herroeping/ontbinding van een schenking en de vordering tot vernietiging van een schenking hebben gemeen dat zij in rechte moeten worden gevorderd en dat deze vorderingen binnen een door de wet bepaalde termijn moeten worden ingesteld.

Overeenkomstig artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek vormen een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting. Een dagvaarding voor het gerecht stuit niet alleen de verjaring van de vordering die zij inleidt, maar tevens van de vorderingen die virtueel daarin begrepen zijn. Het aanbrengen bij formele briefwisseling van een vordering tot herroeping/ontbinding van een schenking of van een vordering tot vernietiging van een schenking bij de notaris in het kader van een procedure tot vereffening-verdeling, om naderhand deel uit te maken van het notarieel proces-verbaal dat met toepassing van artikel 1219, § 2 (oud) van het Gerechtelijk Wetboek kan dienen om de zaken bij de rechtbank aanhangig te maken, maakt geen dagvaarding voor het gerecht uit in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek. Een vordering tot herroeping/ontbinding van een schenking en een vordering tot vernietiging van een schenking zijn evenmin virtueel begrepen in een vordering tot gerechtelijke verdeling.

4. Overeenkomstig artikel 1207 (oud) van het Gerechtelijk Wetboek kunnen mede-eigenaars zich tot de rechtbank van eerste aanleg wenden met het oog op een gerechtelijke verdeling.

Overeenkomstig artikel 1209 (oud) van het Gerechtelijk Wetboek beslist de rechtbank over alle geschillen die bij haar aanhangig worden gemaakt, met dien verstande evenwel dat zij de oplossing kan uitstellen tot het vonnis van homologatie is gewezen. Indien zij de verdeling beveelt, verwijst zij de partijen in voorkomend geval op de wijze door haar te bepalen, naar een of twee notarissen, die ambtshalve worden aangewezen indien de partijen zich niet over de keuze kunnen verstaan.

Van zodra de rechtbank de verdeling heeft bevolen en de zaak heeft verwezen naar een notaris, is de rechtsmacht van de rechtbank uitgeput en is de zaak niet meer bij de rechtbank aanhangig.

Wanneer de zaak naar de notaris verwezen is, kan zij enkel op verzoek van de notaris, opnieuw aanhangig gemaakt worden overeenkomstig artikel 1219, § 2 (oud) van het Gerechtelijk Wetboek, waarop de rechter overeenkomstig artikel 1223 (oud) van het Gerechtelijk Wetboek de geschillen beslecht en de zaak desgevallend terug naar de notaris verzendt.

De notaris heeft tot opdracht de boedelbeschrijving te verrichten, de rekeningen op te maken die de deelgenoten elkaar verschuldigd mochten zijn, de algemene massa te vormen, de kavels samen te stellen en de afrekening te doen die met elk van de deelgenoten moet worden gedaan (art. 1212 (oud) Ger.W.). De notaris heeft in dit verband ook tot taak advies te verlenen over geschillen die in dit verband rijzen. De rol van de notaris blijft in dit verband evenwel van declaratieve aard. De notaris mag geen kennis nemen van geschillen die niet bij hem aanhangig zijn om reden dat zij geen loutere incidenten zijn van de procedure vereffening-verdeling. Met andere woorden, de notaris kan geen kennis nemen van vorderingen die niet virtueel in de vordering tot gerechtelijke verdeling zijn vervat.

Uit de samenlezing van het geheel van bovenvermelde bepalingen volgt dat, nu 1) de herroeping/ontbinding van een schenking enerzijds en de vernietiging van een schenking anderzijds in rechte gevorderd moeten worden, 2) de vereffening-verdeling, op het ogenblik dat zij naar de notaris verwezen is, niet meer aanhangig is bij de rechtbank en ten slotte 3) de vordering tot herroeping/ontbinding van een schenking enerzijds en de vordering tot vernietiging van een schenking anderzijds niet virtueel begrepen zijn in de vordering tot gerechtelijke verdeling, deze vorderingen geen incidentele betwistingen zijn in het kader van de vereffening-verdeling en niet kunnen worden ingesteld voor de notaris eens de zaak betreffende de vereffening-verdeling naar de notaris verwezen is.

5. Opdat een vordering ontvankelijk zou zijn, is vereist dat de eiser rechtspersoonlijkheid heeft, bekwaam is en belang en hoedanigheid heeft. Het feit dat een vordering tot herroeping/ontbinding van een schenking en een vordering tot vernietiging van een schenking niet tegelijk met de vordering tot verdeling aanhangig werden gemaakt en niet in het kader van de procedure tot vereffening-verdeling werden geformuleerd, kan niet leiden tot de onontvankelijkheid van deze vorderingen. De ontvankelijkheid van de vorderingen wordt overeenkomstig de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek beoordeeld op het tijdstip van het instellen ervan.

Overeenkomstig artikel 12 van het Gerechtelijk Wetboek is de vordering een inleidende vordering of een tussenvordering. De inleidende vordering opent het rechtsgeding. Artikel 13 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een tussenvordering iedere vordering is die in de loop van het rechtsgeding wordt ingesteld en ertoe strekt, hetzij de oorspronkelijke vordering te wijzigen of nieuwe vorderingen tussen de partijen in te stellen, hetzij personen die nog niet in het geding zijn geroepen, daarin te betrekken.

Artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hoofdvorderingen op straffe van nietigheid bij dagvaarding voor de rechter worden gebracht. Verscheidene vorderingen tussen twee of meer partijen kunnen, indien zij samenhangend zijn, bij eenzelfde akte worden ingesteld (art. 701 Ger.W.). Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt de voorwaarden waaronder een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan worden uitgebreid of gewijzigd.

Uit de samenlezing van deze bepalingen volgt dat een eiser die verschillende vorderingen wenst in te stellen die mogelijkerwijze samenhangend zouden kunnen zijn, over de keuze beschikt om deze vorderingen in te stellen bij afzonderlijke gedinginleidende akten, dan wel bij een en dezelfde gedinginleidende akte, dan wel om één van de vorderingen in eerste instantie in te leiden en, naderhand, indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, deze vordering uit te breiden of te wijzigen.

Geen enkele wettelijke bepaling verplicht de eiser ertoe alle vorderingen samen in één gedinginleidende akte te bundelen en in te stellen. Het enkele feit dat er reeds een samenhangende vordering, of zelfs een identieke vordering aanhangig is voor de rechtbank, kan geen aanleiding geven tot de onontvankelijkheid van de later ingestelde vordering, zelfs al is er onmiskenbaar samenhang tussen de beide vorderingen en zelfs al gaat het om identieke vorderingen. Uit het geheel van de hierboven weergegeven bepalingen volgt dat een vordering tot herroeping/ontbinding van een schenking en een vordering tot vernietiging van een schenking weliswaar samen met een vordering tot gerechtelijke verdeling bij de rechtbank aanhangig gemaakt kunnen worden, maar dat de eiser geenszins verplicht is om deze vorderingen bij een en dezelfde gedinginleidende akte aanhangig te maken.

Worden de vorderingen afzonderlijk ingesteld, dan kan de rechter op grond van artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek de zaken samenvoegen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 565 en 566 van het Gerechtelijk Wetboek.

6. Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat:

- eiseressen bij exploot van 14 april 2008 verweerders lieten dagvaarden voor de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde tot vereffening-verdeling van de onverdeeldheden D.B./V. en van de nalatenschap van J.D.B.;

- eiseressen bij exploot van 5 juni 2008 verweerders lieten dagvaarden voor de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde tot herroeping/ontbinding van de schenkingen bij notariële akte van 16 maart 1998 door J.D.B. aan eerste en tweede verweerders;

- eiseressen bij exploot van 1 juli 2009 verweerders lieten dagvaarden voor de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde tot nietigverklaring van de schenkingsakte van 16 maart 1998;

- de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde bij vonnis van 13 januari 2011 de vereffening-verdeling beval van de onverdeeldheden D.B./V. en van de nalatenschap van J.D.B.

De appelrechters beslissen dat de vorderingen tot herroeping/ontbinding en tot vernietiging van de schenking incidentele vorderingen zijn die enkel in het kader van de procedure vereffening-verdeling geformuleerd kunnen worden, zodat zij de facto maar op drie tijdstippen geformuleerd kunnen worden, dit is, ofwel door de partijen bij de aanvang van de gerechtelijke vereffening-verdeling met toepassing van artikel 1209, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ofwel door de notaris middels een tussentijds proces-verbaal ofwel door de notaris op het einde middels een proces-verbaal van bezwaren.

De appelrechters besluiten dat de door eiseressen bij afzonderlijke inleidende akten en niet in het kader van de procedure tot vereffening-verdeling ingestelde vorderingen tot herroeping/ontbinding van de schenkingen van 16 maart 1998 en tot vernietiging van deze schenkingen, niet ontvankelijk zijn.

Door te beslissen dat de vorderingen tot ontbinding/herroeping en tot vernietiging van de schenking van 16 maart 1998 incidentele vorderingen zijn die enkel in het kader van de procedure vereffening-verdeling geformuleerd kunnen worden, en desgevallend ook gewoon voor de notaris in het kader van deze procedure geformuleerd kunnen worden, schenden de appelrechters

- de artikelen 953, 956, 957 en 1184 van het Burgerlijk Wetboek op grond waarvan de herroeping van een schenking nooit van rechtswege plaats heeft, maar in rechte moet worden gevorderd;

- de artikelen 791, 918, 931, 948, 1130, tweede lid, 1304, 1388 en 1600 van het Burgerlijk Wetboek op grond waarvan de vernietiging van een schenking nooit van rechtswege plaats heeft, maar in rechte moet worden gevorderd;

- de artikelen 1207, 1209, 1212, 1219, § 2 en 1223 van het Gerechtelijk Wetboek en 2244 van het Burgerlijk Wetboek op grond waarvan de vordering tot verdeling enkel deze vordering bij de rechter aanhangig maakt en de vorderingen tot herroeping/ontbinding en tot vernietiging van een schenking geen vorderingen zijn die virtueel in deze vordering tot verdeling begrepen zijn en evenmin incidentele vorderingen in het kader van de vereffening-verdeling uitmaken, maar daarentegen vorderingen zijn die als zodanig voor de rechter moeten worden gebracht en waarover de notaris geen advies dient te verlenen in het kader van de procedure tot vereffening-verdeling.

Door verder te beslissen dat de vorderingen tot herroeping/ontbinding en tot vernietiging van de schenking van 16 maart 1998 niet als afzonderlijke vorderingen voor de rechter kunnen worden gebracht, maar enkel samen met de vordering tot verdeling moeten worden ingesteld, schenden de appelrechters

- de artikelen 12, 13, 700, 701 en 807 van het Gerechtelijk Wetboek die toelaten dat verschillende, zelfs samenhangende of identieke vorderingen bij afzonderlijke akten worden ingesteld, zonder dat dit aanleiding geeft tot de onontvankelijkheid van de vorderingen;

- de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, waaruit voortvloeit dat het enkele feit dat een vordering tot herroeping/ontbinding van een schenking en een vordering tot vernietiging van een schenking niet samen met een vordering tot vereffening en verdeling werd ingesteld, niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de vorderingen tot herroeping/ontbinding van een schenking en tot vernietiging van een schenking;

- de artikelen 30, 565, 566 en 1209 van het Gerechtelijk Wetboek die toelaten dat vorderingen die bij afzonderlijke akten zijn ingesteld, indien de rechter oordeelt dat zij samenhangend zijn, samen worden berecht, zodat de rechter desgevallend met toepassing van artikel 1209 van het Gerechtelijk Wetboek over het geheel van deze vorderingen uitspraak kan doen en deze desgevallend in zijn geheel voor advies naar de notaris kan zenden.

Door ten slotte te beslissen dat op het ogenblik dat de eerste rechter bij vonnis van 16 maart 2012 en bij vonnis van 4 april 2013 over de beoogde nietigverklaring/herroeping van de bedoelde schenkingen oordeelde, de notaris-vereffenaar reeds aangewezen was bij vonnis van 13 januari 2011, en de zaak bijgevolg reeds in handen was van de notaris-vereffenaar zodat de rechter ingevolge het vonnis van 13 januari 2011 naderhand geen uitspraak meer kon doen over de vorderingen tot herroeping/ontbinding en nietigverklaring en de vorderingen van de eiseressen ook om die reden niet ontvankelijk verklaren, schenden de appelrechters de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, op grond waarvan de ontvankelijkheid van de vordering wordt beoordeeld op het tijdstip van het instellen ervan, dit is in casu op 5 juni 2008 wat betreft de vordering tot herroeping/ontbinding van de schenkingen en op 1 juli 2009, wat betreft de vordering tot nietigverklaring van de schenkingen, zijnde alvorens de verdeling werd bevolen bij vonnis van 13 januari 2011.

Toelichting
De aan uw Hof voorgelegde vraag betreft de vraag of de vorderingen tot ontbinding/herroeping/vernietiging van de schenking incidenten van de vereffening en verdeling uitmaken en derhalve enkel in het kader van deze procedure kunnen worden aangevoerd.

Overeenkomstig artikel 953 van het Burgerlijk Wetboek kan een schenking onder de levenden niet worden herroepen dan wegens niet-vervulling van de voorwaarden waaronder zij gedaan is en wegens ondankbaarheid. Artikel 956 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat herroeping wegens niet-vervulling van de voorwaarden of wegens ondankbaarheid nooit van rechtswege plaats heeft. Hieruit wordt afgeleid dat ontbinding en herroeping van de schenking wegens niet-uitvoering van de lasten als de ontbinding wegens ondankbaarheid in rechte moeten worden gevorderd (M. Puelinckx-Coene, R. Barbaix en N. Geelhand, “Overzicht van rechtspraak. Giften (1999-2011)”, TPR 2013, 610, nr. 555).

Wat de nietigverklaring van de schenking betreft geldt in beginsel dezelfde regel. Schenkingen zijn vernietigbaar, wat impliceert dat de nietigheid door de rechter moet worden uitgesproken. Zolang de vernietiging ervan niet is bekomen, bestaat de schenking en sorteert zij verdere gevolgen (M. Puelinckx-Coene, R. Barbaix en N. Geelhand, “Overzicht van rechtspraak. Giften (1999-2011)”, TPR 2013, 609, nr. 552; R. Barbaix en B. Verdickt, “De handgift zonder (bewezen) traditio: onbestaand of vernietigbaar?”, Not.Fisc.M. 2011, 66-83).

De verplichte tussenkomst van de rechter bij de ontbinding en vernietiging houdt verband met het sanctiekarakter van de ontbinding en de vernietiging. Deze sanctioneren een tekortkoming en vereisen om die reden de tussenkomst van de rechter (zie hierover S. Stijns, De gerechtelijke en buitengerechtelijke ontbinding van overeenkomsten, Maklu, 1994, 35, 47 en 180). De ontbinding of de nietigheid worden door de rechter niet vastgesteld, maar wel uitgesproken (S. Stijns, De gerechtelijke en buitengerechtelijke ontbinding van overeenkomsten, Maklu, 1994, 182, en de talrijke verwijzingen). De beslissing van de rechter is derhalve constitutief en niet louter declaratief. Belangrijk is bovendien dat de rechter over een beoordelingsbevoegdheid beschikt.

6. De notaris beschikt op dit punt niet over enige bevoegdheid.

Krachtens artikel 1209 van het Burgerlijk Wetboek beslist de rechtbank over alle geschillen (betreffende de vereffening en verdeling) die bij haar aanhangig worden gemaakt, met dien verstande evenwel dat zij de oplossing kan uitstellen tot het vonnis van homologatie is gewezen.

Uit deze bepaling wordt afgeleid dat de rechter bij de aanvang van de procedure van vereffening en verdeling reeds uitspraak kan doen over tussen partijen gerezen geschillen en dat hij daarbij het advies van de notaris niet dient af te wachten (C. De Busschere, “De toepassing van artikel 792 BW inzake de heling in het kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling, en de respectieve rol van de boedelrechter en van de boedelnotaris ter zake”, Not.Fisc.M. 2010, 270-271; I. Van Opstal, De rol van de notaris bij de gerechtelijke vereffening-verdeling. De notaris en de conflictbeheersing, 323-359).

Overeenkomstig artikel 1209, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek verwijst de rechtbank, indien zij de verdeling beveelt, de partijen naar een notaris.

Deze notaris heeft tot opdracht om de juiste samenstelling van de massa in haar actieve en passieve bestanddelen te bepalen (art. 1212 Ger.W.). Het opstellen van de inventaris gebeurt op basis van de inlichtingen van de partijen. De notaris heeft op dit vlak een bemiddelingstaak (zie hierover I. Van Opstal, De rol van de notaris bij de gerechtelijke vereffening-verdeling .De notaris en de conflictbeheersing, 323-359; T. Van Sinay, “Artikel 1213” in Gerechtelijk Recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 5-11). Ook in de staat van vereffening beschrijft de notaris de massa in haar actieve en passieve bestanddelen en worden hierin de rechten van de partijen bepaald (zie hierover I. Van Opstal, De rol van de notaris bij de gerechtelijke vereffening-verdeling. De notaris en de conflictbeheersing, 323-359). De notaris moet een gemotiveerd en gedetailleerd voorstel tot vereffening-verdeling uitwerken en moet zijn advies geven over alle gerezen problemen. Wanneer de partijen bezwaren formuleren met betrekking tot de notaris opgestelde staat van vereffening en verdeling, dient hij een proces-verbaal van zwarigheden op te stellen en hieromtrent zijn advies te geven. De zaak wordt vervolgens voorgelegd aan de rechtbank. Desgevallend kan de notariële fase ook onderbroken worden door incidenteel een beroep te doen op de rechter. Indien het om essentiële geschillen gaat, kan een tussentijds proces-verbaal van beweringen en zwarigheden worden opgemaakt en neergelegd ter griffie van de rechtbank (Cass. 5 november 1993, RW 1993-94, 956; I. Van Opstal, De rol van de notaris bij de gerechtelijke vereffening-verdeling. De notaris en de conflictbeheersing, 323-359; T. Van Sinay, “Artikel 1219” in Gerechtelijk Recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 13-14).

Uit wat voorafgaat volgt dat de notaris tot taak heeft de omvang van de massa vast te stellen. Hij heeft hierbij tot taak advies te verlenen over de geschillen die in dit verband tussen de partijen rijzen, zij het dat de rechter reeds vooraf over deze geschillen uitspraak mag doen indien de partijen deze betwistingen aan de rechter hebben voorgelegd. Niettemin blijft de taak van de notaris in dit verband van “declaratieve” aard. Hij dient het eigen dan wel gemeenschappelijk karakter van de goederen vast te stellen, en dient, in geval van betwisting, te adviseren over het eigen dan wel gemeenschappelijk karakter van de goederen.

7. Uit wat voorafgaat volgt dat enkel de rechter uitspraak kan doen over vorderingen tot ontbinding/herroeping/vernietiging van een schenking en dat de notaris hierbij geen enkele rol te vervullen heeft. Weliswaar dient de notaris te adviseren over eventuele betwistingen tussen de partijen, maar zijn rol beperkt er zich toe om advies te geven over de bestaande rechten van de partijen. De beoordeling van de ernst van de fout die aanleiding geeft tot herroeping/ontbinding van een schenking behoort enkel de rechter toe.

In dit verband kan nog verwezen worden naar de rechtspraak en rechtsleer in verband met de toepassing van artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek betreffende de heling. Overeenkomstig deze bepaling kan de erfgenaam die op een bedrieglijke wijze een goed achterhoudt, geen enkele aanspraak maken op een aandeel in de sommen die hij wegmaakte of verborgen hield. In de rechtsleer wordt aangenomen dat deze sanctie niet ambtshalve kan worden toegepast, maar door de mede-erfgenamen moet worden gevorderd. Met betrekking tot deze sanctie wordt voorts aangenomen dat de rechter hierover meteen uitspraak kan doen in het vonnis dat de gerechtelijke verdeling beveelt met toepassing van artikel 1209, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, maar de zaak eveneens naar de boedelnotaris kan verwijzen voor advies. Op dit punt zouden notarissen derhalve wel een adviserende taak hebben.

De toepassing van de sanctie op grond van artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek dient evenwel onderscheiden te worden van de vernietiging/ontbinding/herroeping van de schenking. De sanctie van artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek wordt immers van rechtswege toegepast. De rechter beschikt op dit punt niet over enige beoordelingsbevoegdheid. Wanneer hij vaststelt dat goederen zijn weggemaakt, is hij verplicht de sanctie toe te passen.

In de rechtsleer wordt voorts aangenomen dat de boedelnotaris wel degelijk kan adviseren over betwistingen betreffende schenkingen tussen echtgenoten en de herroeping ervan in een stelsel van zuivere en eenvoudige scheiding van goederen (T. Van Sinay, “Artikel 1219” in Gerechtelijk Recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 13). Het betreft hier echter een geheel andere problematiek dan de huidige problematiek betreffende de herroeping van de schenking, gezien de schenkingen tussen echtgenoten buiten huwelijkscontract steeds ad nutum herroepelijk zijn, en derhalve geen tussenkomst van de rechter vergen (art. 1096 BW).

De opdracht van de notaris derhalve beperkt blijft tot het vaststellen van de massa en de rechten van de partijen hierin. Voor hem is geen taak weggelegd betreffende vorderingen tot herroeping/ontbinding/vernietiging van schenkingen. De beoordeling van de gronden tot herroeping/ontbinding/vernietiging en de ernst hiervan behoort exclusief tot de bevoegdheid van de rechter.

In geen geval kan aangenomen worden, zoals de appelrechters beslissen, dat het instellen van een vordering tot herroeping/ontbinding van een schenking of tot vernietiging ervan niet ontvankelijk is indien zij niet is samen ingesteld met de vordering tot verdeling. Geen enkele wettelijke bepaling vereist dat deze vorderingen samen worden ingesteld. Geen enkele wettelijke bepaling sanctioneert verder het niet samen instellen van deze vorderingen met de niet-ontvankelijkheid van de vorderingen tot herroeping/ontbinding en tot vernietiging. Overigens zijn de partijen niet altijd in de mogelijkheid om de vorderingen samen in te stellen, bijvoorbeeld omdat de gronden tot herroeping of vernietiging van de schenking pas later werden ontdekt. Ingeval de zaak reeds aan de notaris werd verzonden, zou dit impliceren dat partijen niet meer over de mogelijkheid beschikken om deze vordering aanhangig te maken. Anders dan de appelrechters oordelen, worden vorderingen niet bij de rechter aanhangig gemaakt door het richten van een formele brief aan de notaris in het kader van de procedure tot vereffening en verdeling, die desgevallend vele jaren later, in het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden aan de rechter zal worden voorgelegd.

Op deze gronden en overwegingen besluit ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie voor eiser dat het U, hooggeachte dames en heren, moge behagen de bestreden beslissing te vernietigen, te bevelen dat hiervan melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing, de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep en uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

 

 

C.16.0322.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. Eiseressen dagvaardden initieel (bij exploot van 14 april 2008) de verweerders met het oog op het bevelen van de vereffening en verdeling van de onverdeeldheid D.B./V. en van de nalatenschap van wijlen J.D.B..

2. Zij dagvaardden achteraf (bij exploten van 5 juni 2008 en 1 juli 2009) tevens de verweerders teneinde de schenkingen (van in het totaal twaalf certificaten aan toonder, uitgegeven door de tot bindendverklaring opgeroepen partij) van wijlen J.D.B. aan dezen te horen herroepen/ontbinden (wegens ondankbaarheid en het niet vervullen van de voorwaarden van de schenking) en nietig te verklaren.

3. Het bestreden arrest verklaart deze achteraf door eiseressen tegen verweerders ingestelde vorderingen niet ontvankelijk om reden dat eiseressen deze vorderingen enkel konden instellen in het raam van de procedure tot gerechtelijke vereffening en verdeling, en niet als aparte vordering.

4. Tegen deze beslissing voeren eiseressen een enig middel tot cassatie aan.

II. BESPREKING VAN HET MIDDEL.

1. In het raam van de voorliggende betwisting rijst de vraag of een erfgenaam zijn vordering tot herroeping/ontbinding en tot nietigverklaring van een schenking door de decujus aan een andere erfgenaam gedaan, moet instellen binnen het kader van de door hem uitgelokte gerechtelijke vereffening en verdeling van de nalatenschap, dan wel of hij die vordering nog afzonderlijk - na het inleiden van de vordering in vereffening en verdeling - kan inleiden en laten beslechten door de rechter.

2. In het te beoordelen geval hebben eiseressen eerst gedagvaard in vereffening en verdeling van de nalatenschap. Nadien - op een ogenblik dat die vordering nog voor de rechter hangende was (en dus voor het vonnis waarbij de verdeling zou worden bevolen en de notaris zou worden aangesteld) - hebben zij een afzonderlijke dagvaarding in herroeping/ontbinding uitgebracht, en nadien nog een in nietigverklaring van de schenking.

3. Het is juist dat het in deze wellicht eenvoudiger en meer proceseconomisch zou zijn geweest om die vorderingen tot herroeping/ontbinding en tot vernietiging van de schenking samen met de vordering tot vereffening en verdeling in te stellen of bij wijze van uitbreiding van vordering (conform art. 807 Ger. W.) in het kader van deze procedure die toch nog voor de rechter hangende was (zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is). Daar staat m.i. echter tegenover dat de vorderingen tot vereffening en verdeling enerzijds en tot herroeping/ontbinding en vernietiging van de schenking anderzijds kunnen worden samengevoegd, vermits het evident gaat om samenhangende vorderingen aangezien de uitkomst van de vordering tot herroeping/ontbinding of tot vernietiging van de schenking bepalend is voor de samenstelling van de te verdelen massa. Bij samenvoeging zal de rechter die van de gezamenlijke vorderingen kennis neemt artikel 1209 Ger. W. kunnen toepassen en dus beslissen of hij meteen zelf oordeelt over de herroeping/ontbinding/vernietiging van de schenking, dan wel of hij de partijen eerst naar de notaris stuurt ("... de oplossing uitstellen tot het vonnis van homologatie wordt gewezen,...").

4. Dit neemt niet weg dat in sommige gevallen, zoals het onze, het echter niet tot een samenvoeging van de zaken zal komen.

5. Alleen in de hypothese van artikel 1209 Ger. W. kunnen de partijen zelf het geschil onmiddellijk aan de rechtbank voorleggen. In zoverre de rechtbank de haar voorgelegde geschillen reeds kan beslechten, maar de oplossing van een of meerdere ervan evengoed kan uitstellen naar een verder stadium in de procedure van de gerechtelijke vereffening en verdeling, lijkt het daarbij aldus van primordiaal belang dat de beslechting van deze geschillen in de gedinginleidende dagvaarding wordt gevraagd(1).

6. Wanneer echter geen geschillen aan de rechtbank werden voorgelegd of de rechtbank de behandeling daarvan heeft uitgesteld, is de zaak evenwel niet meer bij de rechtbank aanhangig, maar bij de notaris-vereffenaar die de procedure van vereffening en verdeling zal leiden.

7. Dit houdt met andere woorden in dat er maar drie tijdstippen zijn om geschillen binnen de vereffening en verdeling aan de rechtbank voor te leggen: door de notaris-vereffenaar, tussentijds of op het einde middels een proces-verbaal van beweringen en zwarigheden, of door de partijen bij de aanvang van de gerechtelijke vereffening en verdeling met toepassing van artikel 1209, eerste lid, Ger. W.

8. De economie van de gerechtelijke vereffening en verdeling laat niet toe dat de rechtbank te pas en te onpas door (vertragingslustige) partijen wordt gevat. Hun rechten worden gewaarborgd door de procedure volgend op de neerlegging van het tussentijds proces-verbaal of het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden(2).

9. De geschillen die in de loop van een gerechtelijke vereffening en verdeling kunnen rijzen, kunnen zeer uiteenlopend van aard zijn. Voor een beperkt aantal geschillen vindt de mogelijkheid om deze voor de rechtbank te brengen een expliciete grondslag in de wet zelf. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de preferentiële toewijzing van de gezinswoning (art. 1447 BW). Wat de betwisting betreft omtrent de geldigheid van een schenking, gedaan door de decujus aan een erfgenaam, heeft de wet niets bepaald.

10. Het gaat hier m.i. alleszins om een betwisting die bepalend is voor de omvang en de samenstelling van de nalatenschap. Immers, wanneer de schenking wordt herroepen of nietig verklaard, keert het geschonken goed terug naar de nalatenschap en dient de notaris daarmee rekening te houden bij het opmaken van zijn staat van vereffening en verdeling.

11. Wanneer een erfgenaam zijn vordering tot herroeping of nietigverklaring van een schenking na aanvang van de procedure van gerechtelijke vereffening en verdeling zelf nog aanhangig zou kunnen maken bij de rechter, zonder dat de notaris daarbij betrokken is, is het evenwel mogelijk dat de notaris zijn staat van vereffening en verdeling opnieuw zal dienen op te stellen; dit zal namelijk het geval zijn wanneer de rechter de schenking nietig heeft verklaard en de notaris daarmee geen rekening heeft gehouden bij het opmaken van zijn staat van vereffening en verdeling. Zulks leidt tot onnodige vertragingen en dat is nu juist wat men wil voorkomen door de zaak na aanwijzing van de notaris niet langer bij de rechter maar bij de notaris aanhangig te maken.

12. Bovendien, als de notaris zijn staat van vereffening en verdeling opstelt, en één van de erfgenamen betwist de geldigheid van een schenking gedaan door de decujus aan een andere erfgenaam, dient deze bezwaar in te dienen tegen de door de notaris opgestelde staat. De notaris neemt dit dan op in zijn proces-verbaal van beweringen en zwarigheden, en alleen door de neerlegging ter griffie van dat proces-verbaal wordt de betwisting aanhangig gemaakt bij de rechter(3). Als de erfgenaam heeft nagelaten dit bezwaar tegen de staat van vereffening en verdeling te formuleren, zal het derhalve niet aanhangig zijn bij de rechter.

13. Waar in het licht van het voorgaande het mij dan ook voorkomt dat een betwisting omtrent de geldigheid van een schenking door de decujus aan een erfgenaam alleszins te beschouwen is als een geschil binnen de vereffening en verdeling(4), stel ik mij evenwel de vraag of, wanneer men aanneemt dat van zodra een vordering tot vereffening en verdeling is ingesteld het niet meer mogelijk is om een afzonderlijke dagvaarding tot herroeping/ontbinding en tot vernietiging van een schenking uit te brengen, dat dan niet tot gevolg heeft dat - eens de vereffening en verdeling in de notariële fase is beland - de partijen niet meer over de mogelijkheid beschikken om de verjaring van de vordering tot herroeping/ontbinding en tot vernietiging van een schenking aan een erfgenaam (die binnen de door de wet bepaalde termijnen moet kunnen worden ingesteld) te stuiten?

14. Er wordt immers algemeen aanvaard dat eens de rechter de vereffening en verdeling heeft bevolen, de rechtbank niet meer gevat is en dat in de notariële fase alleen de notaris het initiatiefrecht heeft om de zaak (via een al dan niet tussentijds proces-verbaal van beweringen en zwarigheden) terug voor de rechtbank te brengen, precies om te vermijden dat de partijen de procedure zouden kunnen vertragen door telkens de rechtbank te vatten van een bepaald discussiepunt dat binnen de vereffening en verdeling rijst.

15. In zoverre de appelrechters weliswaar het probleem van de onmogelijkheid tot het stuiten van de verjaring in hun arrest (p. 41, in fine) lijken te onderkennen, komt het mij evenwel voor dat de oplossing die zij daaraan pogen te geven - namelijk dat een formele brief aan de notaris waarin men de herroeping/ontbinding of vernietiging van een schenking vraagt ook de verjaring zou stuiten - in rechte echter niet houdbaar is: eens de vereffening en verdeling bevolen is, is de rechtsmacht van de rechtbank uitgeput, en in zoverre men dan niet meer voor een rechter zit, kan het sturen van een formele brief aan de boedelnotaris m.i. dan ook onmogelijk als een "dagvaarding voor het gerecht" in de zin van artikel 2244 BW beschouwd worden(5).

16. Bovendien vereist geen enkele wettige bepaling dat een vordering tot vereffening en verdeling en een vordering tot herroeping/ontbinding en vernietiging van een schenking samen moeten worden ingesteld, noch sanctioneert geen enkele wettelijke bepaling verder het niet samen instellen van deze vorderingen op straffe van niet ontvankelijkheid van deze laatste.

17. Ook al heeft een vordering tot herroeping/ontbinding en tot vernietiging van een schenking aan een erfgenaam een weerslag op de omvang van de te vereffenen en verdelen boedel, toch ben ik op basis van voormelde benadering dan ook van mening dat dergelijke vorderingen niet enkel in het kader van die procedure moeten worden ingesteld, maar dat zij eveneens als afzonderlijke vordering voor de rechter kunnen worden gebracht.

18. Het bestreden arrest dat de door eiseressen beoogde herroeping/ontbinding en nietigverklaring van de bedoelde schenkingen aan verweerders als zodanig niet ontvankelijk verklaart, lijkt mij in zoverre zijn beslissing dan ook niet naar recht te verantwoorden.

III. CONCLUSIE: VERNIETIGING (en bindendverklaring van het arrest voor de daartoe opgeroepen partij).
___________________________
(1) T. VAN SINAY, Artikel 1209, in Commentaar Ger. Recht, 2002, afl. 56, 18, nr. 16.
(2) Wetsvoorstel houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening - verdeling, Parl. St. Senaat 2010-11, nr. 405/1, 41.
(3) Cass. 6 april 1990, AR 6958; AC 1989-90, nr. 474; Cass. 5 november 1993, AR 8330, AC 1993, nr. 448; Cass. 9 mei 1997, AR C.94.0369.N, AC 1997, nr. 223; Cass. 30 september 2016, AR C.16.0015.N, AC 2016, nr. 536.
(4) Zie in diezelfde zin ook: B. LUYTEN, "Enkele bedenkingen bij de procedure van gerechtelijke verdeling", T.Not. 1995, (387) 398; T. VAN SINAY, "Artikel 1209" in Comm.Ger., 2002, afl. 56, (1) 20, nr. 18; Brussel 15 april 1971, Pas. 1971, 226; Luik 12 december 2000, RRD 2001, 11. Ook een betwisting over de interpretatie van een schenking of de inkorting van een schenking wordt beschouwd als een geschil binnen de vereffening en verdeling (P. VAN DEN EYNDE, J.F. PARISIS, P. DE PAGE EN J.F. TAEYMANS, "Le partage judiciaire - quelques questions pratiques", Rev.not.b. 1991, 234, nr. 12; P. DE PAGE, "Le procès-verbal intermédiaire de difficultés", Ann.dr. Louvain 2000, (397) 408). Ook de geldigheid van een testament wordt soms aangehaald als voorbeeld van een geschil binnen de vereffening en verdeling (P. VAN DEN EYNDE, J.F. PARISIS, P. DE PAGE EN J.F. TAEYMANS, "Le partage judiciaire - quelques questions pratiques", Rev.not.b. 1991, 234, nr. 12; F. AUMANN en G. BAX, "Rechtsingang voor de notaris in geval van ernstige geschillen bij de afwikkeling van een gerechtelijke boedelscheiding" in X., Liber amicorum Alfons Vandeurzen, Gent, Mys en Breesch, 1995, (31) 32), dus waarom zou hetzelfde dan niet gelden voor de geldigheid van een schenking...
(5) Zie Cass. 6 februari 2015, AR C.13.0176.N, AC 2015, nr. 88.
 

Noot: 

Verlooy, B., « Gerechtelijke verdeling en het recht op toegang tot de rechter », R.A.B.G., 2018/5, p. 432-437

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 09/04/2018 - 19:10
Laatst aangepast op: vr, 11/05/2018 - 00:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.