-A +A

Herroeping opschorting en uitstel termijn waarin de vordering dient gesteld

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
woe, 11/06/2014
A.R.: 
P.14.0774.F

Artikel 14, §3, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie onderwerpt de uitoefening van de vordering tot herroeping van het probatieuitstel wegens het niet-naleven van de opgelegde voorwaarden aan twee opeenvolgende termijnen: de eerste termijn is de termijn waarover het openbaar ministerie beschikt om de vordering in te stellen, de tweede is opgelegd aan het gerecht dat daarover uitspraak moet doen (1). (1) Zie concl. OM. in Pas. 2014, nr. …

Aangezien de vordering tot herroeping van het probatieuitstel, wat betreft de straf, gericht is tegen een strafmodaliteit die rechtstreeks door de rechter wordt bepaald, maakt ze deel uit van de strafvordering, zodat de verjaringstermijn van één jaar, bepaald in de tweede zin van artikel 14, §3, van de wet van 29 juni 1964, vatbaar is voor stuiting of schorsing (1). (1) Zie concl. OM. in Pas. 2014, nr. …

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2004-2005
Pagina: 
1545
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.14.0774.F
DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE LUIK,
tegen
J. S.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, cor-rectionele kamer, van 27 maart 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Het middel voert schending aan van artikel 14, § 3, Probatiewet, en de artikelen 22 en volgende Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.

Artikel 14, § 3, onderwerpt de uitoefening van de vordering tot herroeping van het probatieuitstel wegens het niet-naleven van de opgelegde voorwaarden aan twee opeenvolgende termijnen. De eerste termijn is de termijn waarover het openbaar ministerie beschikt om de vordering in te stellen, de tweede is opgelegd aan het gerecht dat daarover uitspraak moet doen.

Zodra de vordering is ingesteld, is ze onderworpen aan de eenjarige verjarings-termijn bepaald in de tweede zin van artikel 14, § 3, die ingaat de dag waarop de zaak bij het bevoegde gerecht aanhangig wordt gemaakt met een dagvaarding door het openbaar ministerie. Aangezien die vordering tot herroeping, wat betreft de straf, gericht is tegen een strafmodaliteit die rechtstreeks door de rechter wordt bepaald, maakt ze deel uit van de strafvordering, zodat de verjaring ervan vatbaar is voor stuiting of schorsing.

Uit de eerste zin van de voormelde paragraaf volgt evenwel dat die vordering moet worden ingesteld uiterlijk binnen een jaar na het verstrijken van de proeftijd bepaald in artikel 8 van diezelfde wet. Dat jaar gaat aan de verjaringstermijn van de aan de rechter voorgelegde vordering vooraf; het is een vervaltermijn die door het openbaar ministerie moet worden nageleefd in het kader van zijn opdrachten met betrekking tot de strafuitvoering. Die termijn, die op straffe van verval is be-paald, kan niet worden gestuit of geschorst.

Het middel, dat het tegendeel aanvoert, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing
De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Laat de kosten ten laste van de Staat.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 25/05/2016 - 19:19
Laatst aangepast op: zo, 06/08/2017 - 07:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.