-A +A

Heropening faillissement na afsluiting wegens ontoereikend actief

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 08/09/1997

Het vonnis waarbij de sluiting van de verrichtingen van het faillissement wordt uitgesproken is voorlopig van aard.

Dit voorlopig karakter bestaat hierin dat de gefailleerde of iedere belanghebbende op ieder tijdstip dat vonnis door de rechtbank van koophandel kan doen intrekken onder de voorwaarden zoals bepaald in art. 536, laatste lid, van de Faillissementswet.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
1998-1999
Pagina: 
20
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Van L. t/ C.V. I. en Faillissement Van L.

De C.V. I. (eerste geïntimeerde) had appellant bij exploot betekend op 7 maart 1997 gedagvaard in faillietverklaring. Deze vordering was gesteund op het feit dat zij op 27 november 1996 een vonnis had verkregen waarbij appellant werd veroordeeld om aan haar 750.000 fr. te betalen, plus intresten en kosten, en dit vonnis niet kon worden uitgevoerd.

Het bestreden vonnis van 27 maart 1997 heeft appellant bij verstek in staat van faillissement verklaard.

Appellant voert aan dat hij destijds handeldrijvend reeds failliet was verklaard bij een vonnis van 13 mei 1993, dat dit faillissement werd gesloten bij gebrek aan actief bij een vonnis van 7 oktober 1993, zodat hij, handeldrijvend met inschrijving in het handelsregister onder eenzelfde nummer niet opnieuw kon failliet verklaard worden. De curator gedraagt zich naar de wijsheid en stelt dat «door het openvallen van dit faillissement de curatele schade heeft geleden en deze schade moet vergoed worden». Hij vraagt de veroordeling hetzij van appellant, hetzij van eerste geïntimeerde, hetzij van beiden hoofdelijk, om aan hem, indien het faillissement zou worden ingetrokken, 29.500 fr. te betalen, zijnde zijn staat van ereloon en kosten.

Eerste geïntimeerde stelt dat, indien een handelaar na faillietverklaring opnieuw handeldrijft (en zijn inschrijving in het handelsregister behoudt), hij opnieuw in staat van faillissement kan worden verklaard. Hij vraagt de afwijzing van het hoger beroep.

Overwegende dat uit de door appellant voorgelegde stukken blijkt dat hij inderdaad bij vonnis van 13 mei 1993 van de Rechtbank van Koophandel van Antwerpen in staat van faillissement werd verklaard en dat bij vonnis van 7 oktober 1993 van dezelfde rechtbank op verzoek van de aangestelde curator de verrichtingen van dit faillissement werden gesloten bij gebrek aan actief;

Overwegende dat eerste geïntimeerde appellant heeft gedagvaard tot faillietverklaring, omdat zij een definitief geworden vonnis van 27 november 1996 tegenover appellant niet heeft kunnen uitvoeren; dat uit dit vonnis blijkt dat de vordering tot betaling van eerste geïntimeerde voor de rechter aanhangig werd gemaakt in oktober 1990, d.i. vóór de faillietverklaring van appellant; dat hieruit blijkt dat eerste geïntimeerde een schuldvordering had ten laste appellant vóór zijn faillietverklaring in mei 1993; overwegende dat het vonnis waarbij de sluiting van de verrichtingen van het faillissement wordt uitgesproken voorlopig is van aard; dat dit voorlopig karakter hierin bestaat dat de gefailleerde of iedere belanghebbende op ieder tijdstip dat vonnis door de rechtbank van koophandel kan doen intrekken onder de voorwaarden zoals bepaald in art. 536, laatste lid, van de Faillissementswet; dat, indien zou kunnen aangenomen worden dat rechtssubjecten na de sluiting van het faillissement wegens gebrek aan actief met de (ex-)gefailleerde opnieuw overeenkomsten sluiten en niet betaald geraken tegen deze een vordering kunnen stellen tot faillietverklaring, het voorlopig karakter van de sluiting wegens gebrek aan actief tot gevolg heeft dat de «oude» schuldeisers (zoals eerste geïntimeerde), indien de voorwaarden daartoe zijn vervuld, enkel een vordering kunnen instellen tot heropening van het faillissement en niet een nieuwe vordering tot faillietverklaring; dat, indien de schuldeiser (eerste geïntimeerde) meent tegen zijn schuldenaar een vordering tot faillietverklaring te moeten instellen (vaak enkel als een drukkingsmiddel), hij dit doet op eigen risico;

dat anderzijds, wegens de door de wet bepaalde enigszins gebrekkige publiciteit van het vonnis van de sluiting van de faillissementsverrichtingen bij gebrek aan actief (vermelding in het handelsregister), de vordering van eerste geïntimeerde tot faillietverklaring van appellant geen fout uitmaakt (en overigens de curator zelf eveneens deze publiciteit betreffende zijn gefailleerde zou kunnen verifiëren); overwegende dat appellant het recht heeft niet te verschijnen; dat dit niet-verschijnen en, hieruit voortvloeiend, de afwezigheid van verweer van appellant tegen de hem gestelde vordering niet foutief is;

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 18/01/2018 - 11:38
Laatst aangepast op: do, 18/01/2018 - 11:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.