-A +A

Handtekening niet meer kunnen herinneren is niet een geschrift ontkennen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 09/03/2015

Het schriftonderzoek strekt er toe om de echtheid van een geschrift te herstellen, wanneer dit geschrift of de handtekening ontkend wordt door diegene aan wie het geschrift wordt toegeschreven (art. 1324 BW). De verklaring dat men een handtekening niet meer kan herinneren zonder de handtekening formeel te betwisten  staat niet gelijk met een formele ontkenning van dit geschrift (art. 1323 BW), zodat de persoon die louter verklaart zich de handtekening niet meer te herinneren geacht moet worden het geschrift van 21 november 2011 te hebben erkend en er geen schriftonderzoek ter zake kan worden bevolen (in deze zin: Cass. 5 januari 1961, Arr.Cass. 1961, 441).

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
109
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

A.E. t/ A.B.

1. Feitenrelaas

Mevr. A.E. (appellante) is de dochter van mevr. A.B. (geïntimeerde), die 90 jaar zal worden op 18 maart 2015.

Op 22 mei 1989 sloten partijen een overeenkomst waarbij mevr. E. zich verbond tot betaling aan mevr. B. van een maandelijkse lijfrente van 20.000 Belgische frank vanaf de datum van de verkoop van een onroerend goed gelegen in Westerlo tot aan het overlijden van mevr. B. Partijen bedongen dat deze lijfrente jaarlijks geïndexeerd zou worden.

Volgens mevr. B. heeft mevr. E. vanaf 1998 geen indexaties meer betaald en werd de lijfrente vanaf oktober 2010 onregelmatig betaald.

Op 18 oktober 2011 werd mevr. E. door de advocaat van mevr. B. aangemaand tot betaling van 21.947,68 euro.

Op 28 oktober 2011 werd een brief gericht aan de advocaat van mevr. B. waarin werd verklaard dat mevr. E. niets meer aan mevr. B. verschuldigd was en dat partijen voor de toekomst een mondeling akkoord hadden bereikt, zodat dit hoofdstuk afgesloten kon worden.

Op 21 november 2011 richtte mevr. B. een onderhandse verklaring aan haar advocaat waarbij zij ontkende ooit een verklaring tot stopzetting van de lijfrente verschuldigd door mevr. E. te hebben opgesteld of ondertekend.

2. Voorafgaande rechtspleging

Op 1 december 2011 bracht mevr. B. de gedinginleidende dagvaarding uit. Voor de eerste rechter vorderde mevr. B. dat mevr. E. zou worden veroordeeld tot betaling van 23.957,88 euro, te vermeerderen met de verwijlinteresten vanaf 18 oktober 2011, de gerechtelijke interesten en de gerechtskosten, alsook tot betaling van de in de loop van de geding vervallen indexaties. (...)

...

Bij niet bestreden tussenvonnis van 9 november 2012 werd de persoonlijke verschijning van partijen bevolen. Ter gelegenheid van haar persoonlijke verschijning op 28 november 2012 erkende mevr. B. dat zij de verklaring van 28 oktober 2011 had ondertekend, maar niet zelf geschreven had. De verklaring van 21 november 2011 kon zij zich niet herinneren. Ten slotte stelde mevr. B. dat zij haar eis handhaafde. Mevr. E. verklaarde dat haar moeder verschillende keren had gezegd dat zij niets meer moest betalen. Na voorlegging van de verklaringen van 28 oktober 2011 en 21 november 2011, stelde mevr. E. dat haar moeder deze verklaringen had geschreven.

In het bestreden vonnis werd (...) de hoofdeis ontvankelijk en in de volgende mate gegrond verklaard. Mevr. E. werd veroordeeld tot betaling aan mevr. B. van 18.139,80 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten tegen de wettelijke rentevoet (...).

De eerste rechter oordeelde dat de verklaringen van 28 oktober 2011 en 21 november 2011 gericht waren aan de advocaat van mevr. B. en enkel kaderden binnen de relatie tussen mevr. B. en haar advocaat. Deze verklaringen konden volgens de eerste rechter dan ook niet strekken tot bewijs van een overeenkomst tussen partijen.

Mevr. E. bewees niet dat partijen akkoord waren dat niets meer verschuldigd was en dit werd tegengesproken door de verklaringen van mevr. B. naar aanleiding van haar persoonlijke verschijning.

Een deel van de vordering van mevr. B. was verjaard, zodat de hoofdeis dienovereenkomstig werd herleid.

3. Eisen in hoger beroep

Mevr. E. heeft hoger beroep ingesteld teneinde het bestreden vonnis te horen hervormen, bijgevolg de eis van mevr. B. ongegrond te horen verklaren (...). Subsidiair vordert mevr. E. dat een schriftonderzoek zou worden bevolen m.b.t. de verklaringen van 28 oktober 2011 en 21 november 2011.

Mevr. B. actualiseert haar eis met de indexaties vervallen sinds juni 2012 ten belope van 4.898,03 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten.

4. Beoordeling

...

4.2. Over de grond van het hoger beroep en van de eisuitbreiding

...

Naar aanleiding van haar persoonlijke verschijning voor de eerste rechter op 28 november 2012, heeft mevr. B. haar handtekening op de verklaring van 28 oktober 2011 formeel erkend. Door een geschrift te ondertekenen maakt men zich dit stuk eigen, zodat de vraag of mevr. B. de verklaring van 28 oktober 2011 al dan niet eigenhandig heeft geschreven, irrelevant is. Een schriftonderzoek m.b.t. de verklaring van 28 oktober 2011 is zonder voorwerp, aangezien deze schriftelijke verklaring door mevr. B. erkend werd en er dus geen enkele twijfel meer kan bestaan over de echtheid van dit geschrift.

Het is ook niet pertinent om een schriftonderzoek te voeren m.b.t. de schriftelijke verklaring van 21 november 2011. Het schriftonderzoek strekt er immers toe om de echtheid van een geschrift te herstellen, wanneer dit geschrift of de handtekening ontkend wordt door diegene aan wie het geschrift wordt toegeschreven (art. 1324 BW). Naar aanleiding van haar persoonlijke verschijning voor de eerste rechter heeft mevr. B. haar handtekening of haar geschrift op de verklaring van 21 november 2011 niet ontkend, maar enkel verklaard dat zij zich dit geschrift niet kon herinneren. Dit staat niet gelijk met een formele ontkenning van dit geschrift (art. 1323 BW), zodat mevr. B. geacht moet worden het geschrift van 21 november 2011 te hebben erkend en er geen schriftonderzoek ter zake kan worden bevolen (in deze zin: Cass. 5 januari 1961, Arr.Cass. 1961, 441).

Bovendien heeft mevr. B. op 28 november 2012 uitdrukkelijk erkend dat zij de schriftelijke verklaring van 28 oktober 2011 had ondertekend, zodat de bewering op 21 november 2011 dat zij de verklaring van 28 oktober 2011 niet had ondertekend, achterhaald en herroepen werd door haar verklaringen ten overstaan van de eerste rechter.

Kortom, de echtheid van het geschrift van 28 oktober 2011 staat vast en de betwisting kan enkel betrekking hebben op de aard van dit bewijsmiddel en de daaraan verbonden bewijskracht en bewijswaarde.

Het bestaan van de overeenkomst van 22 mei 1989, waarbij mevr. E. zich ertoe verbond om een te indexeren lijfrente te betalen aan mevr. B., wordt niet betwist.

In de mate dat mevr. E. beweert dat zij van deze verbintenis bevrijd is ingevolge een kwijtschelding of een andersluidende overeenkomst, dient zij hiervan het bewijs te leveren.

Dat de verklaring van 28 oktober 2011 gericht werd aan de advocaat van mevr. B. en enkel voor hem bestemd was, is in deze irrelevant.

De schriftelijke verklaring van 28 oktober 2011 is geen onderhandse akte in de zin van art. 1322 BW. Een onderhandse akte is immers een onderhands geschrift dat wordt opgesteld om te dienen tot bewijs van het ontstaan of van het verdwijnen van rechten en verplichtingen uit een rechtshandeling. Er kan pas sprake zijn van een onderhandse akte wanneer de wil blijkt om een geschrift op te stellen waaraan rechtsgevolgen verbonden zijn, onder meer op bewijsrechtelijk vlak, en wanneer dit geschrift volledig is. Om als bewijsmiddel in aanmerking te komen, moet het geschrift op zichzelf volstaan om het bestaan en de inhoud van de desbetreffende rechtshandeling te bewijzen. Het geschrift moet derhalve de totaliteit van de betrokken rechtshandeling omvatten, zo niet kan het geschrift slechts gelden als begin van bewijs door geschriften of als buitengerechtelijke bekentenis (in deze zin: B. Cattoir, Burgerlijk bewijsrecht in APR, Mechelen, Kluwer, 2013, nrs. 448, 451 en 460).

Aangezien de schriftelijke verklaring van 28 oktober 2011 niet voldoet aan de voormelde essentiële kenmerken, levert zij slechts een begin van bewijs door geschriften op. Deze verklaring gaat immers uit van mevr. B. en maakt de betwiste kwijtschelding of andersluidende overeenkomst van partijen aannemelijk, zonder de totaliteit van de betwiste rechtshandeling te bevatten.

In de mate dat de verklaring van 28 oktober 2011 een begin van bewijs door geschriften oplevert van de betwiste rechtshandeling, wordt dit begin van bewijs niet aangevuld door andere elementen. Integendeel, de schriftelijke verklaring van 21 november 2011 en de verklaring ten overstaan van de eerste rechter van 28 november 2012 van mevr. B., alsook het feit dat mevr. E. na 28 oktober 2011 nog lijfrentes aan haar moeder heeft betaald, wijzen erop dat de schuld van mevr. E. niet werd kwijtgescholden en dat partijen geen akkoord hadden bereikt om de lijfrente stop te zetten.

Subsidiair voert mevr. E. aan dat de schriftelijke verklaring van 28 oktober 2011 een buitengerechtelijke bekentenis zou inhouden.

Een gerechtelijke bekentenis wordt afgelegd voor een rechter. In dat geval bestaat er een zekere waarborg dat de wilsuiting vrij is van gebreken. Deze waarborg ontbreekt bij een buitengerechtelijke bekentenis. De rechter beschikt bijgevolg over een ruimere appreciatiebevoegdheid ten aanzien van een buitengerechtelijke bekentenis (in deze zin: Cass. 30 april 1889, Pas. 1889, I, 204). In dit geval komt het aan de feitenrechter toe om te beoordelen of diegene die een verklaring heeft afgelegd, daadwerkelijk de vrije wil had om die verklaring af te leggen dan wel of die verklaring werd afgelegd onder dwang of onoprecht is of berust op een verkeerde voorstelling van zaken. De feitenrechter zal dus moeten nagaan in welke concrete omstandigheden de beweerde buitengerechtelijke bekentenis werd afgelegd om na te gaan of er al dan niet sprake is van een oprechte en ernstige wilsuiting van haar auteur. De feitenrechter zal met andere woorden moeten nagaan of er al dan niet sprake is van een werkelijke buitengerechtelijke bekentenis (in deze zin: Cass. 7 februari 1997, Arr.Cass. 1997, 184; Antwerpen 20 november 2006, P&B 2007, noot D. Mougenot; Gent 4 december 2003, RABG 2006, 494; B. Cattoir, Burgerlijk bewijsrecht in APR, Mechelen, Kluwer, 2013, nr. 305).

In de concrete omstandigheden waarin de verklaring van 28 oktober 2011 werd opgesteld – met name nadat er reeds een aanzienlijke achterstal was ontstaan bij mevr. E., zij aangemaand was tot betaling van deze aanzienlijke som door de advocaat van mevr. B., nadat mevr. E. deze aanmaning met haar moeder ging bespreken en haar verzocht om deze verklaring op te stellen, gelet op de hoge leeftijd van mevr. B. en de band van genegenheid tussen moeder en dochter – blijkt niet dat deze verklaring oprecht was en de uiting van de vrije wil van mevr. B. De schriftelijke verklaring van 28 oktober 2011 houdt derhalve geen buitengerechtelijke bekentenis in.

Het hoger beroep is ongegrond.

Het bedrag van de achterstallige indexaties dat thans bij eisuitbreiding door mevr. B. wordt gevorderd, wordt niet betwist door mevr. E. Mevr. E. merkt echter terecht op dat de gerechtelijke interesten op deze indexaties niet verschuldigd kunnen zijn vanaf de datum van de gedinginleidende dagvaarding. De interesten kunnen slechts verschuldigd zijn op deze indexaties vanaf hun respectieve vervaldagen.

...

Noot: 


Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 11/09/2017 - 04:47
Laatst aangepast op: ma, 11/09/2017 - 04:47

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.