-A +A

Handtastelijkheden door onderwijzer - tik op poep of wrijven op billen kan, onder kledij niet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
woe, 27/01/2016
A.R.: 
2015/NT/451

Artikel 373 Sw.
Aanranding van de eerbaarheid met geweld
Handtastelijkheden door onderwijzer - tik op poep of wrijven op billen kan, onder kledij niet

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

...

II. F. Het bewijs en de schuld van de beklaagde BM

II. F.1. De door het hof gehanteerde principes/beginselen bij de beoordeling van het misdrijf "aanranding van de eerbaarheid"

01. Het hof wijst vooreerst op het gegeven dat de wetgever het misdrijf "aanranding van de eerbaarheid" niet heeft gedefinieerd. Uit de rechtsleer en de rechtspraak kan worden afgeleid dat hieronder dient te worden verstaan: een tegen het maatschappe¬lijk eerbaarheidsgevoel indruisende (al dan niet voltrokken) handeling van een bepaalde ernst, door de dader gesteld op of met behulp van een persoon, die hetzij er niet in toestemt of in normale omstandigheden er niet in zou toegestemd hebben, hetzij geacht wordt er niet in te kunnen toestemmen, waardoor hij diens fysiek seksueel zelfbeschikkingsrecht bewust, gewild of minstens onrechtmatig aantast.

02. Het hof dient derhalve in eerste instantie na te gaan of de aantasting wel ernstig genoeg is om de gangbare opvatting van de maatschappelijke seksuele eerbaarheid en de individuele integriteit in het gedrang te brengen. Indien de beklaagde zich beperkt tot bepaalde vrijpostigheden of handtastelijkheden, bijvoorbeeld een kus op de wang of in de nek, een streling van de rug of van de lenden, een tik op de dijen, het optillen van de kleding met als enkel doel de dijen zichtbaar te maken, steeds zonder toestemming of spijts verzet van het slachtoffer, zal dit - hoe subjectief kwetsend dit ook kan ervaren worden - niet aan dit criterium voldoen.

03. Er dient bovendien gewezen te worden op het gegeven dat inzake aanranding van de eerbaarheid artikel 374 Strafwetboek bepaalt dat deze strafbaar is zodra er een "begin van uitvoering is". Het onderscheid tussen een louter "voorbereidende daad" en het "begin van uitvoering" is een feitenkwestie waarbij het hof dient te oordelen of de beklaagde voldoende gevorderd is op de iter criminis of niet, om aan te nemen dat er een strafbaar feit werd gepleegd. In tegenstelling tot wat algemeen wordt voorgehouden vereist de wet evenwel niet dat de als "begin van uitvoering" gestelde daad op zichzelf onzedelijk zou zijn : het volstaat dat hij rechtstreeks en onmiddellijk strekt tot het plegen van de aanranding en dat men ervan kan uitgaan dat de beklaagde met de uitvoering van het misdrijf dat hij wilde plegen, begonnen is.

04. Het geweld, dat een bestanddeel is van het misdrijf, dat in artikel 373 Strafwetboek strafbaar wordt gesteld, kan voortvloeien uit het feit dat het slachtoffer werd verrast en aldus, ten gevolge van de listen van de beklaagde, in de onmogelijkheid verkeerde om zich aan de aanranding te onttrekken (zie en vergelijk Cass. 6 oktober 2004, J.T., 2005, afl. 6168, 100 en KETELS B., "Cassatie lijkt afwezigheid toestemming als constitutief bestanddeel voor aanranding te aanvaarden.", noot bij Cass. 24 mei 2011, Juristenkrant, 2011, 20).

05. Het bij aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging bedoelde geweld als bestanddeel van het misdrijf kan er evenzeer in bestaan dat het slachtoffer, wegens het onverhoeds handelen van de beklaagde, geen gelegenheid had om weerstand te bieden en zich te verzetten tegen plotselinge en onvoorziene onzedelijke daden die het niet vrijwillig zou hebben geduld (zie en vgl. Cass. 7 maart 1989, Arr. Cass. 1988-89, 768 en Cass. 20 september 2005, R.W., 2005-06, noot A. VANDEPLAS). Het vermogen van het slachtoffer om zich te verzetten tegen het geweld of de bedreiging moet worden beoordeeld in het licht van de fysieke en mentale weerbaarheid van het slachtoffer, waarbij ondermeer ook de leeftijd van het slachtoffer of de gezagsrelatie tussen de dader en het slachtoffer medebepalende facturen kunnen zijn (zie en vergelijk Cass. 9 oktober 2012, AR P.11.2120.N, http://www.cass.be).

De leeftijd van het slachtoffer, met name het feit dat het slachtoffer minderjarig is, is een gegeven dat het collectieve bewustzijn van een bepaalde samenleving in aanmerking neemt om de aard van de aantasting van de seksuele integriteit en bijgevolg de ernst van de handeling te beoordelen. Handelingen die voor een meerderjarige als mogelijks vrijpostig of onbetamelijk maar niet strafbaar worden ervaren, kunnen voor een minderjarige wiens seksueel bewustzijn niet dezelfde evolutie heeft bereikt, wel als een ernstige aantasting van de seksuele integriteit ervaren worden zodat de maatschappij ervan uitgaat dat de deugd van die minderjarige in gevaar is en van eenieder ten aanzien van deze een meer afstandelijke en aan zijn leeftijd aangepaste houding eist (zie en vergelijk Cass. 24 mei 2011, AR P.10.1990.N, http://www.cass.be).

06. Kortom, de handeling of gedraging dient ernstig genoeg te zijn en dient de seksuele eerbaarheid - als maatschappelijke norm en individuele fysieke beleving - te kwetsen. Het motief van de beklaagde namelijk of hij voor zichzelf een vorm van seksueel genot heeft beoogd, dan wel of hij gehandeld heeft uit wraak, nieuwsgierigheid enz. is daarbij zonder belang.

07. Evenzeer dient er op gewezen te worden dat een effectieve aanraking van het slacht¬offer niet noodzakelijk is om te kunnen spreken van aanranding van de eerbaarheid.

II. F.2. Toepassing van de voormelde principes/beginselen bij de beoordeling van de feiten van de tenlasteleggingen A.2., A.3., A.4., A.5. en A.6.

22. Uit het onderzoek van de stukken van het strafdossier en uit de debatten ter terechtzitting bij dit hof komt vast te staan dat de feiten van de tenlasteleggingen A.2., A.3., A.4., A.5. en A.6. in hoofde van de beklaagde BM - op grond van de hierna volgende motieven - niet bewezen zijn gebleven.

23. Het hof stelt vast dat de minderjarige BDV (tenlastelegging A.5.) niet audiovisueel werd verhoord, zodat niet met zekerheid kan achterhaald worden welke exacte handelingen de beklaagde BM op haar zou hebben gesteld, terwijl de inhoud van de verklaring van haar moeder NA - die gewag maakt van het onder de kledij wrijven over de rug - niet per definitie als waar moet worden aangenomen (stukken 4-5 subkaft 22/2 strafdossier).

24. Uit de samenlezing van de verklaringen uit de respectievelijke audiovisuele verhoren van de overige minderjarigen LV (tenlastelegging A.2.) (stukken 9-10 subkaft 29 strafdossier), EO (tenlastelegging A.3.) (stukken 53-55 subkaft 5 strafdossier), RI (tenlastelegging A.4.) (stukken 62-64 subkaft 5 strafdossier) en PV (tenlastelegging A.6.) (stukken 8-9 subkaft 45 strafdossier) komt naar voor dat de beklaagde BM in aanwezigheid van de andere leerlingen in de klas de volgende achtereenvolgende dan wel afzonderlijke handelingen zou hebben gesteld : (1) aan de poep komen, tikken of slaan (2) op de bovenkant van de billen of ertussen wrijven van onder de broekzak of kruis tot aan de knie, (3) de minderjarige met één arm omarmen terwijl de minderjarige op zijn schoot zit, (4) over de rug wrijven en (5) het vastnemen van de nek.

25. In de voormelde verklaringen merkt het hof op dat EO ter zake de volgende verduidelijking gaf: "(...) Bij haar weten heeft hij de meisjes niet aangerand. (...) Het was niet aanranden, maar wrijven. (...)" (stukken 53-55 subkaft 5 strafdossier). Ook RI gaf ter zake de volgende verduidelijking : "(...), maar dat hij nooit iets deed wat écht niet kon. (...) of deed niets waardoor ze naar de politie zouden gaan. (...) omdat het volgens Ruth op dat ogenblik niet zo erg leek. (...)" (stukken 62-64 subkaft 5 strafdossier). PV gaf eveneens de volgende verduidelijking : "(...) Op de poep slaan, verduidelijkt PV dat hij dit niet deed om hen pijn te doen, maar eerder op een troostende manier. (...) Ze durfden het niet vertellen aan een andere leerkracht omdat hij eigenlijk niet echt iets heel verkeerd deed, (...). (...)" (stukken 8-9 subkaft 45 strafdossier).

26. De bewering van de minderjarige LV en NA - de moeder van BDV (zie hoger onder randnummer 23) - dat de beklaagde BM ook onder de kledij over de rug zou hebben gewreven komt naar het oordeel van het hof ongeloofwaardig voor, vermits "het wrijven over de rug" blijkens de verklaringen zoals voormeld onder randnummer 24 telkenmale in aanwezigheid van de andere leerlingen in de klas werd gesteld. In deze heeft bovendien niemand van de andere voormelde minderjarigen (EO, RI en PV) ooit gewag gemaakt van enige aanraking onder de kledij.

Ook de stelling van de minderjarige LV dat de beklaagde BM haar ook over haar rug en haar zijkant zou hebben aangeraakt op een ogenblik dat de minderjarigen op school mochten blijven slapen, komt naar het oordeel van hof eveneens ongeloofwaardig voor, vermits de minderjarige LV het blijkens haar verklaring ter zake niet meer zo zeker weet: "(...) LV denkt wakker geworden te zijn van de aanrakingen. (...) Ze denkt dat hij een stuk over haar buik wreef, maar dat weet ze niet meer zeker. (...)".

27. In de lijn van de voormelde onder titel F.2. vermelde principes/beginselen is het hof van oordeel dat de volgende achtereenvolgende dan wel afzonderlijke beweerde gestelde handelingen : (1) aan de poep komen, tikken, slaan of wrijven, (2) op de bovenkant van de billen of ertussen wrijven van onder de broekzak of kruis tot aan de knie, (3) de minderjarige met één arm omarmen terwijl de minderjarige op zijn schoot zit, (4) over de rug wrijven en (5) het vastnemen van de nek, moeten worden beschouwd als vrijpostigheden of handtastelijkheden die evenwel onvoldoende ernstig genoeg zijn om de gangbare opvatting van de maatschappelijke seksuele eerbaarheid en de individuele integriteit in het gedrang te brengen.

28. De feitelijke argumenten van de verdediging van de burgerlijke partijen NA en FDV - zoals geformuleerd in de ter terechtzitting van 21.10.2015 neergelegde "beroepsconclusie" - bevatten geen redelijke of aanvaardbare elementen die dit hof tot een andere beslissing zouden kunnen dwingen. Het beroepen vonnis wordt in dit opzicht - op grond van andere motieven - bevestigd.

II. F.3. Toepassing van de voormelde principes/beginselen bij de beoordeling van de feiten van de tenlasteleggingen A.1.1. tot en met A.1.4.

29. Uit het onderzoek van de stukken van het strafdossier en uit de debatten ter terechtzitting bij dit hof komt vast te staan dat - in tegenstelling tot wat de eerste rechter oordeelde - de feiten van de tenlasteleggingen A.1.1. tot en met A.1.4. in hoofde van de beklaagde BM bewezen zijn.

30. Net zoals de eerste rechter stelt het hof vast dat er in het strafdossier gegevens voorhanden zijn, waaruit de schuld van de beklaagde BM aan de feiten van de voormelde tenlasteleggingen zou kunnen blijken. Het hof verwijst naar de door de eerste rechter in het beroepen vonnis opgesomde elementen uit het strafdossier zoals vermeld op de bladzijden 7 tot en met 8, 10 [met uitzondering van de verklaringen RI, PV en NA (de moeder van BDV)], 11 [met uitzondering van de verklaringen van AVDP (de vader van PV) en CV (de moeder van LV)] en 12, die alhier worden overgenomen.

31. Het hof verwijst eveneens naar de volgende elementen uit het strafdossier:

a. De vaststelling dat de verklaringen uit de respectievelijke audiovisuele verhoren van de minderjarigen CT (stuken 28-30 subkaft 5 strafdossier), ET (stukken 39-45 subkaft 5 strafdossier), LVE (stukken 17-18 subkaft 5 strafdossier) en AJ (stukken 8-9 subkaft 5 straf¬dossier) wat de aard van de door de beklaagde BM in de meisjesslaapzaal beweerde gestelde handelingen tijdens de bos-/plattelands¬klassen betreft zeer sterk overeenkomen. Zo zou de beklaagde BM bij de minderjarigen CT, ET, LVE en AJ onder de kledij zowel over de buik als over de borst hebben gewreven en dat de beklaagde BM bij de minderjarigen CT en ET ook in de onderbroek zou zijn gegaan, wat de beklaagde BM eveneens bij de minderjarigen LVE en AJ zou hebben geprobeerd, wat hem niet zou gelukt zijn.

b. De vaststelling dat de uitgetikte versie van de gesprekken tussen de directeur van de school enerzijds en de minderjarigen CT, ET, LVE en AJ anderzijds, zoals overhandigd aan de politiediensten (stukken 12 en 21 subkaft 8 strafdossier), wat de inhoud betreft volledig overeenstemt met de voormelde verklaringen uit de respectievelijke audiovisuele verhoren van de minderjarigen CT, ET, LVE en AJ.

c. De verklaring van de directeur van de school als getuige zoals afgelegd ter terechtzitting van 23.12.2015 waaruit onder meer naar voor is gekomen dat de kinderen van de beide zesdes reeds tijdens de bos-/plattelands¬klassen onder elkaar over deze feiten hadden gesproken en dat er tussen de kinderen een afspraak bestond dat de jongens de meisjes zouden beschermen (proces-verbaal van de terechtzitting van 23.12.2015 strafdossier).

d. De vaststelling dat van deze afspraak eveneens melding wordt gemaakt in de schriftelijke verklaring van DP - de moeder van LVE - welke reeds op 26.09.2012 aan de politiediensten werd overge¬maakt en bij het strafdossier werd gevoegd. De kwestieuze passage luidt als volgt: "(...) Blijkbaar hangt de klas enorm goed samen, hebben ze elkaar enorm goed opgevangen na die eerste nacht en gesteund (zelfs de jongens zouden de volgende nacht "komen helpen" als hij zou terugkomen op de meisjeskamer) en elkaar een hele week ondersteund en 's nachts doodsangsten uitgestaan dat hij zou terug¬komen op de kamer. (...)" (stuk 52 subkaft 8 strafdossier - onderlijning door het hof).

e. De vaststelling dat er uit het strafdossier in hoofde de minderjarigen CT, ET, LVE en AJ geen enkele andere reden/oorzaak kan geput worden om de beklaagde BM van dergelijke handelingen te beschuldigen, dan dat deze handelingen effectief door hem zouden zijn gesteld.Ongeacht het gegeven dat het in casu woord tegen woord is en er geen andere objectieve gegevens voorhanden zijn, vormen de door het hof overgenomen elementen van de eerste rechter in het beroepen vonnis (zie randnummer 30) samen met de voormelde elementen (zie randnummer 31) naar het oordeel van het hof voldoende gewichtige en overeenstemmende vermoedens die het hof innerlijk over¬tuigen dat de verklaringen van de vier minderjarigen CT, ET, LVE en AJ met de werkelijkheid overeenstemmen en dat de beklaagde BM de feiten van de tenlasteleggingen A.1.1. tot en met A.1.4. heeft gepleegd.

32. In de lijn van de voormelde onder titel F.2. vermelde principes/beginselen is het hof van oordeel dat het onder de kledij zowel over de buik als over de borst wrijven en in de onderbroek gaan of proberen te gaan, moeten worden beschouwd als vrijpostig¬heden of handtastelijkheden die voldoende ernstig genoeg zijn om de gangbare opvatting van de maatschappelijke seksuele eerbaarheid en de individuele integriteit in het gedrang te brengen. Dat de aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging werd gepleegd verwijst het hof naar de voormelde principes/beginselen onder randnummer 18 die alhier als motivering wordt overgenomen. Uit de verklaringen uit de respectievelijke audiovisuele verhoren van de minderjarigen CT (stukken 28-30 subkaft 5 strafdossier), ET (stukken 39-45 subkaft 5 strafdossier), LVE (stukken 17-18 subkaft 5 strafdossier) en AJ (stukken 8-9 subkaft 5 strafdossier) komt immers naar voor dat de beklaagde BM onverhoeds heeft gehandeld, waardoor zij niet de gelegenheid hebben gehad om weerstand te bieden en zich te verzetten tegen plotselinge en onvoorziene onzedelijke daden die zij niet vrijwillig zouden hebben geduld.

....

(Derde kamer, 2015/NT/451, 27/01/2016)
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 01/01/2018 - 15:27
Laatst aangepast op: ma, 01/01/2018 - 15:27

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.