-A +A

Handelshuurhernieuwing weigering afbraak en wederopbouw vordering tegen mede-eigenaar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 03/12/2015
A.R.: 
C.14.0591.N

De verhuurder-eigenaar die overeenkomstig artikel 16, I, 3°, Handelshuurwet de hernieuwing van de huur weigert, verbindt zich ertoe de aangekondigde afbraak- en wederopbouwwerken voor eigen rekening uit te voeren; wanneer een verhuurder evenwel mede-eigenaar is van het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van een handelshuurovereenkomst en hij overeenkomstig artikel 16, I, 3°, Handelshuurwet de hernieuwing van de huur weigert, kan de verplichting tot afbraak en wederopbouw worden uitgevoerd door eenieder die op het ogenblik van de weigering van de huurhernieuwing eveneens mede-eigenaar is (

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/16
Pagina: 
1229
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(G.R. BVBA / R.G., A.G. - Rolnr.: C.14.0591.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 2 juni 2014.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 30 juni 2015 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. Cassatiemiddel
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
1. De appelrechters oordelen niet alleen dat “de huurhernieuwing niet omwille van een drogreden door wijlen de verhuurder geweigerd werd vermits de aangekondigde werken wel degelijk werden uitgevoerd”, maar ook dat “bij de beoordeling van de oprechtheid in hoofde van wijlen de heer G. van de opgegeven weigeringsreden voor de huurhernieuwing […] de eerste rechter overigens terecht rekening [heeft] gehouden met het feit dat [de eerste verweerster], zijnde de dochter van wijlen de heer G., de verhuurder, reeds ten tijde van de opgave van die reden gedeeltelijk eigenaar van het verhuurde pand was ingevolge het overlijden van haar moeder in 1975, vermits het in het licht daarvan niet onwaarschijnlijk is dat het voornemen om dergelijke belangrijke werken uit te voeren bij de verhuurder was tot stand gekomen na overleg en met instemming van [de eerste verweerster]”.

2. In zoverre het middel ervan uitgaat dat volgens de appelrechters er geen sprake kan zijn van een drogreden louter op basis van de vaststelling dat de voorgenomen werken wel degelijk werden uitgevoerd, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

3. Artikel 16, I, 3° handelshuurwet bepaalt dat de verhuurder de hernieuwing van de huur kan weigeren omdat hij het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed waarin de afgaande huurder zijn bedrijf uitoefent, wil wederopbouwen, en dat als wederopbouw wordt beschouwd elke verbouwing door een afbraak voorafgegaan, beide de ruwbouw van de lokalen rakende en waarvan de kosten 3 jaar huur te boven gaan.

Artikel 25, eerste lid, 3° handelshuurwet bepaalt dat de huurder, indien hij regelmatig zijn wil heeft te kennen gegeven om van zijn recht op hernieuwing gebruik te maken en het hem is geweigerd, recht heeft op een vergoeding gelijk aan 3 jaar huur, eventueel vermeerderd met een bedrag, toereikend om de veroorzaakte schade volledig te vergoeden, wanneer de verhuurder, zonder van een gewichtige reden te doen blijken, het voornemen op grond waarvan hij de huurder uit het goed heeft kunnen zetten, niet ten uitvoer brengt binnen 6 maanden en gedurende ten minste 2 jaren.

4. De verhuurder-eigenaar die overeenkomstig artikel 16, I, 3° handelshuurwet de hernieuwing van de huur weigert, verbindt zich ertoe de aangekondigde afbraak- en wederopbouwwerken voor eigen rekening uit te voeren.

Wanneer een verhuurder evenwel mede-eigenaar is van het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van een handelshuurovereenkomst en hij overeenkomstig artikel 16, I, 3° handelshuurwet de hernieuwing van de huur weigert, kan de verplichting tot afbraak en wederopbouw worden uitgevoerd door eenieder die op het ogenblik van de weigering van de huurhernieuwing eveneens mede-eigenaar is.

5. De appelrechters stellen vast dat:

de verhuurder op 15 juli 2010 de huurhernieuwing heeft geweigerd om reden dat hij overeenkomstig artikel 16, I, 3° handelshuurwet het verhuurde pand wenste af te breken en weder op te bouwen, werken waarvan de kosten 3 jaren huur zouden overstijgen;
de verhuurder bij notariële akte van 28 april 2011 afstand heeft gedaan van zijn vruchtgebruik op het verhuurde pand en de verschillende mede-eigenaars, waaronder de verhuurder, afstand hebben gedaan van hun onverdeelde aandelen ten voordele van de eerste verweerster;
de bij de weigering van de huurhernieuwing aangekondigde wederopbouw van het pand gerealiseerd werd door de eerste verweerster die reeds ten tijde van de opgave van die weigeringsgrond mede-eigenaar was van het verhuurde pand.
6. De appelrechters die in die omstandigheden oordelen dat geen vergoeding verschuldigd is, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 599,74 EUR.


C.14.0591.N
Conclusie van advocaat-generaal Vandewal:

Situering en procedurevoorgaanden

Volgens de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de rechtsvoorganger van verweersters bij handelshuurovereenkomst van 11 december 2002 een handelspand gelegen te Schoten verhuurde aan eiseres. De huurovereenkomst werd afgesloten voor een duur van 9 jaar, met ingang van 1 januari 2003. Het handelspand waarop de huur betrekking had, behoorde in onverdeeldheid toe aan de rechtsvoorganger van verweersters en diens drie kinderen, waaronder verweersters.

Bij aangetekende brief van 2 juli 2010 vroeg eiseres de hernieuwing van de huurovereenkomst aan. De rechtsvoorganger van verweersters antwoordde dat hij niet instemde met de gevraagde huurhernieuwing om reden dat hij overeenkomstig artikel 16, I, 3°, van de Handelshuurwet het verhuurde pand wenste af te breken en weder op te bouwen, werken waarvan de kosten drie jaren huur zouden overstijgen.

Bij notariële akte van 28 april 2011 verzaakte de rechtsvoorganger van verweersters aan zijn recht van vruchtgebruik op het gehuurde pand en deden de verschillende mede-eigenaars afstand van hun aandeel in de onverdeeldheid ten voordele van eerste verweerster.

Eind december 2011 werd het pand door eiseres ontruimd en kreeg zij een uitzettingsvergoeding gelijk aan één jaar huur overeenkomstig artikel 25, 1°, van de Handelshuurwet.

Op 25 oktober 2012 dagvaardde eiseres de rechtsvoorganger van verweersters voor de vrederechter van het tiende kanton Antwerpen teneinde hem te horen veroordelen tot betaling van een bijkomende uitzettingsvergoeding gelijk aan twee jaar huur omdat de rechtsvoorganger van verweersters de werken niet zelf heeft uitgevoerd.

Bij vonnis van 25 april 2013 verklaarde de vrederechter van het tiende kanton Antwerpen de vordering van eiseres ontvankelijk, maar ongegrond. De vrederechter oordeelde dat de afbraak en heropbouw van het handelspand rechtsgeldig door eerste verweerster werd uitgevoerd en dat de door de wet uitdrukkelijk voorziene reden tot weigering, in casu de heropbouw, aldus wel degelijk werd uitgevoerd, zodat eiseres geen verdere rechten kon doen gelden.

Op 8 mei 2013 tekende eiseres hoger beroep aan tegen dit vonnis bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.

Gezien de rechtsvoorganger van verweersters vervolgens overleed, hebben verweersters in hun hoedanigheid van erfgenaam de procedure voortgezet.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen verklaarde het hoger beroep van eiseres bij het bestreden vonnis van 2 juni 2014 ontvankelijk, maar ongegrond.

Het cassatieberoep van eiseres tegen dit vonnis maakt het voorwerp uit van huidige cassatieprocedure.

Het enig cassatiemiddel

In haar enig cassatiemiddel komt eiseres op tegen de beslissing van de appelrechters dat het voornemen van de verhuurder om werken uit te voeren die de weigering van de huurhernieuwing verantwoordden, oprecht en reëel was en dat dit voornemen ook effectief gerealiseerd werd, zodat geen bijkomende vergoeding van twee jaar huur diende betaald te worden aan eiseres.

Eiseres voert aan dat de verhuurder zich niet aan zijn verplichting kan onttrekken door binnen zes maanden zijn zakelijke rechten op het verhuurde goed te vervreemden, ongeacht of de afbraak- en wederopbouwwerken worden uitgevoerd door degene die de zakelijke rechten op het goed heeft verworven. Volgens eiseres hebben de appelrechters dan ook door te beslissen dat er geen sprake kan zijn van een drogreden louter op basis van de vaststelling dat de voorgenomen werken wel degelijk werden uitgevoerd en door te beslissen dat de voorgenomen werken van heropbouw niet noodzakelijkerwijze door de verhuurder zelf moeten worden uitgevoerd, hun vonnis niet naar recht verantwoord en de artikelen 16, I, 3° en 25, eerste lid, 1° en 3°, van de Handelshuurwet geschonden.

Bespreking van de eerste grief van het enig cassatiemiddel

De appelrechters oordelen dat er geen sprake kan zijn van een drogreden niet alleen om reden dat de aangekondigde werken wel degelijk werden uitgevoerd, maar ook om reden dat het niet onwaarschijnlijk is dat, gezien het feit dat eerste verweerster reeds ten tijde van de opgave van de weigeringsreden gedeeltelijk eigenaar was van het verhuurde pand, het voornemen om dergelijke belangrijke werken uit te voeren bij de verhuurder was tot stand gekomen na overleg en met instemming van eerste verweerster.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters oordelen dat er geen sprake kan zijn van een drogreden louter op basis van de vaststelling dat de voorgenomen werken wel degelijk werden uitgevoerd, berust het naar mijn mening op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis.

Het middel lijkt mij in zoverre feitelijke grondslag te missen.

Bespreking van de tweede grief van het enig cassatiemiddel

Krachtens artikel 16, I, 3°, van de Handelshuurwet kan de verhuurder weigeren de huur te hernieuwen wegens zijn wil om het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed waarin de afgaande huurder zijn bedrijf uitoefent, weder op te bouwen.

De weigering van de huurhernieuwing om reden van afbraak en wederopbouw doet in hoofde van de verhuurder de verbintenis ontstaan tot uitvoering van die afbraak- en wederopbouwwerken.

Opdat de verhuurder zijn verbintenis kan uitvoeren, moet hij bevoegd zijn om de aangekondigde afbraak- en wederopbouwwerken uit te voeren (artikel 1238 van het Burgerlijk Wetboek). Zolang hij die bevoegdheid niet heeft, verkeert hij in de onmogelijkheid om zijn verbintenis uit te voeren.

Vanuit de gedachte dat alleen de eigenaar bevoegd is om die afbraak- en wederopbouwwerken uit te voeren, kan volgens de wetsgeschiedenis "alleen de verhuurder-eigenaar dezen wil [...] te kennen geven".(1)

Nochtans is ook een mede-eigenaar bevoegd om die werken uit te voeren, zij het dat het gaat om een handeling waarvoor de toestemming van alle andere mede-eigenaars is vereist (artikel 577, §6, van het Burgerlijk Wetboek). In principe moet dus ook de verhuurder-mede-eigenaar de hernieuwing van de huur kunnen weigeren om reden van afbraak en wederopbouw.

Hetzelfde moet gelden voor een niet-eigenaar, zoals een huurder die onderverhuurt. Mits instemming van de eigenaar kan immers ook hij die werken uitvoeren.(2)

De vraag rijst of de verhuurder de verbintenis zelf moet uitvoeren, dan wel of een derde de verbintenis mag uitvoeren.

Volgens het gemeen verbintenissenrecht moet een verbintenis niet noodzakelijk door de schuldenaar zelf worden uitgevoerd, maar kan zij ook worden uitgevoerd door een derde die daarbij geen belang heeft, mits die derde in naam en tot kwijting van de schuldenaar handelt, of mits hij, handelende in zijn eigen naam, niet in de rechten van de schuldeiser gesteld wordt (artikel 1236, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek). Alleen wanneer de schuldeiser er belang bij heeft dat de verbintenis door de schuldenaar zelf voldaan wordt, m.a.w. wanneer het gaat om een verbintenis intuïtu personae, zal de verbintenis door de schuldenaar zelf moeten worden uitgevoerd (artikel 1237 van het Burgerlijk Wetboek).

De verbintenis tot uitvoering van de afbraak- en wederopbouwwerken betreft in principe geen verbintenis intuïtu personae en kan dus worden voldaan door een derde, op voorwaarde dat die derde bevoegd is om die werken uit te voeren. Zoals hierboven gesteld, is in geval van mede-eigendom elkeen van de mede-eigenaars bevoegd om die afbraak- en wederopbouwwerken uit te voeren, mits toestemming van de andere mede-eigenaars, zodat elkeen van de mede-eigenaars die verbintenis mag uitvoeren. Wanneer echter geen van de andere mede-eigenaars de werken uitvoert, zal de verhuurder-mede-eigenaar de werken alsnog zelf moeten uitvoeren, mits toestemming van de andere mede-eigenaars, en dit op straffe van het betalen van een bijkomende uitzettingsvergoeding.

Wanneer de werken binnen zes maanden na het vertrek van de huurder niet worden uitgevoerd, dan is de verhuurder zelf persoonlijk gehouden tot betaling van een uitzettingsvergoeding van drie jaar (artikel 25, 3°, van de Handelshuurwet). Die uitzettingsvergoeding wordt gezien als een straf ter beteugeling van het bedrog van de verhuurder bij de uitoefening van zijn recht om de huurhernieuwing te weigeren.(3)

Krachtens het gemeen verbintenissenrecht mag dus ook een derde de verbintenis van de verhuurder tot afbraak en wederopbouw uitvoeren, zolang de verhuurder maar geen bedrog pleegt bij de uitoefening van zijn recht om de huurhernieuwing te weigeren.

Uit de rechtspraak van het Hof wordt door bepaalde rechtsleer echter afgeleid dat de verhuurder zelf de verbintenis moet uitvoeren. De rechtspraak waarnaar wordt verwezen, heeft betrekking op de hypothese van een verhuurder-eigenaar die het pand verkoopt of verhuurt en aan de koper of huurder de verplichting oplegt om de aangekondigde afbraak- en wederopbouwwerken op eigen kosten uit te voeren.

Zo heeft het Hof in zijn arresten van 15 februari 1957 en 20 mei 1966 geoordeeld dat "de wettelijke tekst, noch de voorbereidende werkzaamheden voorzien dat het voornemen om weder op te bouwen, dat de persoon van de verhuurder betreft, door de koper van het goed, rechthebbende onder bijzondere titel van de verhuurder, zou kunnen uitgevoerd worden; dat geen enkele uitzondering aan voormelde regel aangenomen wordt voor het geval dat de verhuurder, die het gehuurde verkoopt en zich aldus in de onmogelijkheid stelt zelf het voornemen uit te voeren dat hij uitgedrukt had, de derde die koopt ermede gelast gezegd voornemen uit te voeren, ware het zelfs binnen de wettelijke termijnen".(4)

In zijn arrest van 26 juni 1992 heeft het Hof geoordeeld dat "de verhuurder zich door een verkoop van het verhuurde goed, zelfs voor het verstrijken van de huur, niet op een ander kan ontlasten van zijn persoonlijke verplichting de aangekondigde afbraak- en wederopbouwwerken voor eigen rekening ten uitvoer te brengen en dat door de verkoop de persoonlijke verplichting niet overgedragen wordt op de koper, verkrijger onder een bijzondere titel; dat het bestreden vonnis, dat de oprechtheid van de weigeringsreden en de onmogelijkheid tot uitvoering ervan onderzoekt aan de zijde van de verhuurder die de huurhernieuwing heeft geweigerd, en niet aan de zijde van eiseres, die na de weigering en zelfs vóór het verstrijken van de huur het handelspand heeft gekocht, de in het onderdeel aangevoerde wetsbepalingen niet schendt".(5)

Wat de hypothese betreft waarin de verhuurder-eigenaar het pand verhuurt en aan de huurder de verplichting oplegt om de werken op zijn kosten uit te voeren, heeft het Hof in zijn arrest van 21 juni 1974 geoordeeld dat "de eigenaar-verhuurder de afbraak- en wederopbouwwerken aan zijn eigendom niet door een machtige vennootschap mede in haar voordeel, mag laten bekostigen, om alsdan de huurhernieuwing mits een geringere uitwinningsvergoeding aan de vorige huurder te weigeren, daarmede bedoeld wordt dat de verhuurder-eigenaar zich niet op een ander kan ontlasten van zijn persoonlijke verplichting gezegde afbraak- en wederopbouwwerken voor eigen rekening ten uitvoer te brengen".(6)

De achterliggende gedachte lijkt te zijn dat de verhuurder gestraft moet worden omdat hij - door zijn verbintenis te laten uitvoeren door een derde - zich ongerechtvaardigd verrijkt heeft ten koste van de huurder. In voormelde gevallen was de verhuurder van het pand daarvan ook eigenaar. In zijn hoedanigheid van eigenaar was hij als enige bevoegd om die werken uit te voeren en diende hij aldus noodzakelijk in te staan voor de kosten van de afbraak- en wederopbouwwerken die drie jaar huur te boven gaan.

Dat was m.a.w. de prijs die hij moest betalen om de huurhernieuwing te kunnen weigeren. Door het pand te verkopen of te verhuren en de koper of de huurder de werken op eigen kosten te laten uitvoeren, heeft de verhuurder zich echter ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van de huurder. De verhuurder heeft immers een geringere uitzettingsvergoeding van één jaar betaald aan de huurder, hoewel hij de werken niet zelf heeft bekostigd.

Met andere woorden: door het goed te verkopen of te verhuren ontdoet hij zich van een financiële last die hij sowieso zelf diende te dragen, met name ofwel de uitvoering van de werken waarvan de kosten drie jaar huur te boven gaan, ofwel het betalen van een uitzettingsvergoeding gelijk aan drie jaar huur.

De bedoeling van de verhuurder was aldus om het goed terug te nemen (om het vervolgens te kunnen verkopen of opnieuw te verhuren) met bedrieglijke benadeling van de rechten van de huurder. Vandaar dat de verhuurder in die gevallen alsnog een bijkomende uitzettingsvergoeding diende te betalen ter beteugeling van zijn bedrog.

Het Hof sluit m.i. in dit arrest niet uit dat de verbintenis wordt uitgevoerd door een derde, maar wanneer de verhuurder zich daardoor ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van de huurder, zal hij alsnog een bijkomende uitzettingsvergoeding aan de huurder dienen te betalen ter beteugeling van zijn bedrog.
In onderhavige zaak is de verhuurder geen volle eigenaar van het pand, maar slechts mede-eigenaar.

Zoals hierboven gesteld, kunnen de afbraak- en wederopbouwwerken door elkeen van de mede-eigenaars worden uitgevoerd, mits toestemming van de andere mede-eigenaars.

Anders dan wanneer de verhuurder volle eigenaar is van het pand, hoeft de verhuurder hier dus niet noodzakelijk zelf de financiële last van de werken te dragen, maar kan die ook gedragen worden door één van de andere mede-eigenaars.

Door afstand te doen van zijn aandeel ten voordele van één van de andere mede-eigenaars, die vervolgens de werken uitvoert, verrijkt de verhuurder zich aldus niet zonder oorzaak ten koste van de huurder.

Die mede-eigenaar kon immers op grond van zijn eigendomsrecht reeds vóór de afstand de werken uitvoeren (weliswaar mits toestemming van alle andere mede-eigenaars) en in die hypothese diende de verhuurder ook slechts een uitzettingsvergoeding van één jaar te betalen aan de huurder. Het loutere feit dat de verhuurder-mede-eigenaar afstand heeft gedaan van zijn aandeel ten voordele van één van de mede-eigenaars veronderstelt aldus geen bedrog in hoofde van de verhuurder, zodat hij geen bijkomende uitzettingsvergoeding verschuldigd is.

Alleen wanneer de mede-eigenaar de werken niet uitvoert binnen de wettelijke termijn, zal de verhuurder alsnog een bijkomende uitzettingsvergoeding moeten betalen aan de huurder. Immers, de verhuurder kan zijn verbintenis weliswaar laten uitvoeren door de mede-eigenaar, maar hij kan zijn verbintenis aan hem niet overdragen.(7) De verhuurder blijft aldus persoonlijk gehouden tot betaling van een bijkomende uitzettingsvergoeding ingeval de aangekondigde werken uiteindelijk toch niet worden uitgevoerd.

Die oplossing lijkt ook maatschappelijk verantwoord. Indien het initiatief om het pand af te breken en weder op te bouwen uitgaat van één van de andere mede-eigenaars en die mede-eigenaar de werken heeft bekostigd, is het niet verantwoord dat de verhuurder alsnog een bijkomende uitzettingsvergoeding moet betalen aan de huurder om de enkele reden dat hij niet zelf de werken, waartoe één van de andere mede-eigenaars heeft beslist, heeft uitgevoerd en bekostigd.

Uit al het voorgaande volgt dat wanneer de verhuurder slechts mede-eigenaar is van het handelspand en hij na de weigering van de huurhernieuwing afstand doet van zijn aandeel ten voordele van één van de mede-eigenaars die de aangekondigde werken binnen de wettelijke termijnen uitvoert, hij geen uitzettingsvergoeding in de zin van artikel 25, 3°, van de Handelshuurwet is verschuldigd.

De appelrechters stellen vast dat de verhuurder de huurhernieuwing heeft geweigerd om reden dat hij het verhuurde pand wenste af te breken en weder op te bouwen, dat hij vervolgens afstand heeft gedaan van zijn aandeel ten voordele van eerste verweerster en dat de aangekondigde wederopbouw van het pand uiteindelijk werd gerealiseerd door eerste verweerster die reeds ten tijde van de opgave van die weigeringsgrond mede-eigenaar was van het verhuurde pand.

Door te oordelen dat de voorgenomen werken niet door de verhuurder in persoon dienen uitgevoerd te worden en dat het voornemen effectief gerealiseerd werd, verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat eiseres geen aanspraak kan maken op een bijkomende uitzettingsvergoeding, naar mijn mening naar recht.

In zoverre lijkt het middel mij niet aangenomen te kunnen worden.

Conclusie:
Verwerping.
__________________________
(1) Mvt bij het wetsontwerp houdende bescherming van de handelszaak, Parl. St. Kamer 1946-47, nr. 27, 7; Amendement (Humblet) op het wetsontwerp houdende bescherming van de handelszaak, Parl. St. Kamer 1946-47, nr. 385, 2; Verslag bij het wetsontwerp houdende bescherming van de handelszaak, Parl. St. Kamer 1947-48, nr. 20, 31; Wetsontwerp houdende bescherming van de handelszaak, Parl. St. Kamer 1947-48, nr. 101, 8-9.
(2) In diezelfde zin: Novelles, Droit civil, VI.2, v° Baux commerciaux, nr. 1867; S. MOSSELMANS, "Uitvoering door de handelsverhuurder van zijn voornemen tot wederopbouw" (noot onder Cass. 25 februari 2005), TBBR 2005, 622-623; K. VANHOVE, "Wederopbouw en vergunningsaanvragen bij handelshuur: in de ban van het Hof van Cassatie" (noot onder Cass. 25 februari 2005), RW 2005-06, 897; B. LOUVEAUX, Le droit du bail commercial, Brussel, Larcier, 2011, 808; M. GODHAIRD, "Le bail commercial" in Rép. Not., Dl VIII, Boek IV, Brussel, Larcier 2012, 308, nr. 434.
(3) Mvt bij het wetsontwerp houdende bescherming van de handelszaak, Parl. St. Kamer 1946-47, nr. 27, 16 en 44; Verslag bij het wetsontwerp houdende bescherming van de handelszaak, Parl. St. Kamer 1947-48, nr. 20, 4 en 50; Wetsontwerp houdende bescherming van de handelszaak, Parl. St. Kamer 1947-48, nr. 101, 14; Aanvullend verslag uit naam van de Verenigde Commissies van Justitie en van Economische Zaken en Middenstand belast met het onderzoek van het wetsontwerp houdende bescherming van de handelszaak, Parl. St. Senaat, 1949-50, 15; Tweede aanvullend verslag van de Verenigde Commissies van Justitie en van Economische Zaken en Middenstand belast met het onderzoek van het wetsontwerp op de handelshuurovereenkomsten met het oog op de bescherming van het handelsfonds, Parl. St. Senaat 1949-50, nr. 214, 10.
(4) Cass. 15 februari 1957, AC 1957, 473; Cass. 20 mei 1966, AC 1966, 1189.
(5) Cass. 26 juni 1992, AR 7842, AC 1991-92, nr. 570.
(6) Cass. 21 juni 1974, AC 1973-74, 1168.
(7) Cass. 26 juni 1992, AR 7842, AC 1991-92, nr. 570: " (...) dat door de verkoop die persoonlijke verplichting niet overgedragen wordt op de koper, verkrijger onder een bijzondere titel".
 

Noot: 

Linders, L., « Zo vader, zo dochter! », R.A.B.G., 2016/16, p. 1231-1233
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 13/07/2017 - 16:10
Laatst aangepast op: do, 13/07/2017 - 16:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.