-A +A

Handelshuur toepasselijk op huur met in contract uitsluiting handelshuur en stilzwijgende instemming

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 08/11/2013
A.R.: 
C.12.0538.N

Overeenkomstig het beginsel van de wilsautonomie, vastgelegd in artikel 1134 Burgerlijk Wetboek, kunnen de partijen overeenkomen dat zal worden afgeweken van een beding van de huurovereenkomst, dat uitsluit dat het goed in hoofdzaak mag worden gebruikt voor het uitoefenen van kleinhandel.

Ingeval een huurovereenkomst de kleinhandelsbestemming uitsluit, kan het bewijs het bestaan van een stilzwijgende instemming met de exploitatie van een kleinhandel worden geleverd met overeenstemmende vermoedens (zelfs zonder (begin van) schriftelijk bewijs) (art. 1347, eerste lid BW).

Krachtens artikel 1 van de wet op de handelshuur is die wet van toepassing op de huur van onroerende goederen die, hetzij uitdrukkelijk of stilzwijgend vanaf de ingenottreding van de huurder, hetzij krachtens een uitdrukkelijke overeenkomst van partijen in de loop van de huur, door de huurder of door een onderhuurder in hoofdzaak gebruikt worden voor het uitoefenen van een kleinhandel of voor het bedrijf van een ambachtsman die rechtstreeks in contact staat met het publiek.

Het onderdeel dat neerkomt op de bewering dat de rechter, wanneer de huurovereenkomst een beding bevat dat uitsluit dat het verhuurde goed voor een handelsactiviteit mag worden gebruikt, in geen geval de stilzwijgende instemming van de verhuurder met een dergelijke bestemming van het goed kan aannemen, zelfs als die instemming vanaf de ingenottreding van de huurder zou zijn gegeven zonder het bestaan van veinzing of wetsontduiking vast te stellen, faalt naar recht.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/16
Pagina: 
1194
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(J.LH BVBA / C.M.C. NUMERO 1 NV - Rolnr.: C.12.0607.F)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van koophandel te Brussel van 16 mei 2012.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft op 18 oktober 2013 een conclusie neergelegd ter griffie.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht en procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. Cassatiemiddel
De eiseres voert een middel aan in het cassatieverzoekschrift, waarvan een voor eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.

III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Eerste onderdeel
Overeenkomstig het beginsel van de wilsautonomie, vastgelegd in artikel 1134 Burgerlijk Wetboek, kunnen de partijen overeenkomen dat zal worden afgeweken van een beding van de huurovereenkomst, dat uitsluit dat het goed in hoofdzaak mag worden gebruikt voor het uitoefenen van kleinhandel.

Krachtens artikel 1 van de wet op de handelshuur is die wet van toepassing op de huur van onroerende goederen die, hetzij uitdrukkelijk of stilzwijgend vanaf de ingenottreding van de huurder, hetzij krachtens een uitdrukkelijke overeenkomst van partijen in de loop van de huur, door de huurder of door een onderhuurder in hoofdzaak gebruikt worden voor het uitoefenen van een kleinhandel of voor het bedrijf van een ambachtsman die rechtstreeks in contact staat met het publiek.

Het onderdeel dat neerkomt op de bewering dat de rechter, wanneer de huurovereenkomst een beding bevat dat uitsluit dat het verhuurde goed voor een handelsactiviteit mag worden gebruikt, in geen geval de stilzwijgende instemming van de verhuurder met een dergelijke bestemming van het goed kan aannemen, zelfs als die instemming vanaf de ingenottreding van de huurder zou zijn gegeven zonder het bestaan van veinzing of wetsontduiking vast te stellen, faalt naar recht.

Tweede onderdeel
Het bestreden vonnis beslist dat “er rechtstreeks met het publiek contact wordt gelegd via de lichtreclame die de [verweerster], nog vóór het sluiten van de litigieuze huurovereenkomst, in het gehuurde goed heeft mogen aanbrengen”, dat “de betrokken lichtreclame bestaat in een lichtzuil die tegenover de openbare weg is geplaatst en die duidelijk ertoe strekt de verschillende specialiteiten van de [verweerster] aan te prijzen en het publiek zodoende naar het gehuurde goed te lokken”, dat “uit de overgelegde foto's overigens blijkt dat laatstgenoemde passanten doorgaans met een bijzondere aandacht ontvangt en inlicht over haar openingsuren en betalingsvoorwaarden”, dat “de [verweerster] haar diensten kennelijk aanbiedt aan 'al wie zich aanmeldt'” en dat “in die omstandigheden moet worden besloten dat de [verweerster] in het gehuurde goed een activiteit uitoefent 'die rechtstreeks in contact staat met het publiek' in de zin van artikel 1 van de wet [op de handelshuur]”.

Het vonnis beslist ook dat “de plaatsing van de lichtreclame geen twijfel laat bestaan over het feit dat de [verweerster] duidelijk - en nog vóór het sluiten van de litigieuze huurovereenkomst - zinnens was een handelsactiviteit te ontwikkelen die rechtstreeks in contact staat met het publiek”, dat “B. de reclame op de lichtzuil wel had moeten opmerken toen zij het pand kocht en vervolgens de betrokken huurovereenkomst sloot”, dat “niets vervolgens aantoont dat de [verweerster] B. zou hebben verzekerd dat haar activiteiten bestemd waren voor een specifiek soort klanten en niet voor het publiek in ruime zin. Wat dat betreft moet inzonderheid erop gewezen worden dat de huurovereenkomst van 15 oktober 2003, in tegenstelling tot de vorige huurovereenkomst, niet meer bepaalt dat het goed gebruikt moet worden voor een 'gesloten' carrosseriebouw” en dat “de rechtbank van koophandel, gelet op die gegevens, oordeelt dat de verhuurder bij het sluiten van de litigieuze huurovereenkomst impliciet maar zeker heeft ingestemd met de ontwikkeling, in het gehuurde goed, van een kleinhandel die rechtstreeks in contact staat met het publiek”.

Uit die vermeldingen volgt dat het bestreden vonnis, in tegenstelling tot wat het onderdeel veronderstelt, niet uitsluitend uit de aanwezigheid van een reclamebord, dat met de uitdrukkelijke instemming van een vorige eigenaar, onder vigeur van een andere huurovereenkomst, was geplaatst, en uit het feit dat die vennootschap na haar aankoop van het gehuurde goed geen opmerkingen heeft gemaakt over dat reclamebord, heeft afgeleid dat de vennootschap B. heeft ingestemd met het feit dat het gehuurde goed gebruikt zou worden voor een handelsactiviteit die rechtstreeks in contact staat met het publiek.

Het onderdeel, dat steunt op een onjuiste uitlegging van het bestreden vonnis, mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

C.12.0607.F
Conclusions de M. le procureur général J.F. LECLERCQ.

1. Contrairement à ce que la requête en cassation expose, le jugement attaqué a été rendu le 16 mai 2012 et non le 16 mars 2012. Il s'agit d'une évidente erreur matérielle commise dans la requête en cassation.

2. Je suis d'avis que le moyen unique, en sa première branche, manque en droit.
Conformément au principe de l'autonomie de la volonté consacré par l'article 1134 du Code civil, les parties peuvent décider de commun accord de déroger à une clause du contrat de bail.

3. Je suis d'avis que le moyen, en sa seconde branche, manque en fait.

Il résulte en effet des motifs énoncés aux pages 6 à 8 du jugement attaqué et des motifs énoncés aux pages 3 et 4 du jugement entrepris que le jugement attaqué s'approprie, que, contrairement à ce que le moyen, en cette branche, soutient, le tribunal de commerce ne s'est pas fondé sur la seule présence d'une enseigne publicitaire.

Conclusion: rejet.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 13/07/2017 - 14:40
Laatst aangepast op: do, 13/07/2017 - 14:40

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.