-A +A

Handelsagentuur uitwinningsvergoeding geen toepassing wet betalingsachterstand wel mogelijkheid tot volledige schadeloosstelling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 29/10/2009

 

Cass. 29 oktober 2009

• De wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties. De bepalingen van deze wet zijn  niet van toepassing op betalingsverplichtingen die strekken tot vergoeding van schade wegens de ontbinding of de beëindiging van handelsagenturen.


• Bij de beoordeling van de omvang van de aan de handelsagent verschuldigde uitwinningsvergoeding mag de rechter rekening houden met alle omstandigheden waarover hij op het ogenblik van zijn uitspraak beschikt. Hij mag ook rekening houden met de feiten en omstandigheden die de bestendigheid van de relatie tussen de principaal en het cliënteel beïnvloeden, voor zover die niet toerekenbaar zijn aan de principaal.

 

 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2010/15-16
Pagina: 
1071
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

(A.S., A.A./B.R.)
 
I.             Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 maart 2008 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen.
Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.
 
II.            Cassatiemiddel
De eiseressen voeren in hun verzoekschrift een middel aan.
 
Geschonden wetsbepalingen
– de artikelen 2, 1. en 3 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties.
 
Aangevochten beslissing
 
De appelrechters verklaren in het bestreden eindarrest het incidenteel beroep van de verweerder ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, trekken de uitspraak over de vordering van de verweerder aan zich, verklaren deze vordering van de verweerder grotendeels gegrond en veroordelen dienvolgens eiseressen tot betaling van onder meer de verwijlinteresten aan de referentie-interestvoet in de zin van de artikelen 4 en 5 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties op de som van 25.198,96 EUR (het aan de verweerder nog verschuldigde saldo van de uitwinningsvergoeding) vanaf 31 juli 2005 tot de datum van de effectieve betaling, alsmede op de som van 128.505,03 EUR (de aan de verweerder reeds betaalde uitwinningsvergoeding) vanaf 31 juli 2005 tot 18 november 2005.
De appelrechters gaan daartoe ervan uit dat een uitwinningsvergoeding, waardoor de agent vergoed wordt voor het aanbrengen of terugleveren van het door hem opgebouwde cliënteel aan de principaal, als een ‘handelstransactie’ in de zin van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties – zijnde een transactie die leidt tot het leveren van (roerende of onroerende) goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding – dient gekwalificeerd te worden, en nemen bijgevolg aan dat deze wet ratione materiae toepasselijk is.
 
Op grond daarvan kennen de appelrechters uiteindelijk aan verweerder op de hem toekomende uitwinningsvergoeding verwijlinteresten aan de referentie-interestvoet in de zin van de artikelen 4 en 5 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties toe.
 
Zij steunen deze beslissing voornamelijk op de volgende motieven:
 
“4. Over de toepassing van de wet betalingsachterstand en de gevorderde interesten/invorderingskosten/advocatenkosten/gerechtskosten.
 
4.1. (De verweerder) stelt incidenteel beroep in wat betreft de toepasselijkheid van de wet betreffende de betalingsachterstand (zowel wat de interesten als de invorderingskosten betreft). Minstens dienen volgens hem de wettelijke vergoedende interesten vanaf datum van ingebrekestelling van 1 juli 2005 (en niet vanaf 5 augustus 2005) toegekend te worden evenals de kosten van de raadsman op grond van het (arrest van het Hof van Cassatie van) 2 september 2004, minstens op basis van het KB van 26 oktober 2007.
 
4.2. De eerste rechter oordeelde dat nu artikel 3 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de betalingsachterstand bij handelstransacties enkel van toepassing is op betalingen tot vergoeding van handelstransacties en de uitwinningsvergoeding niet voortvloeit uit een handelstransactie maar uit de wet, deze wet ratione materiae niet van toepassing is.
 
Anders dan de eerste rechter is het (hof van beroep) van oordeel dat de wet van 2 augustus 2002 ratione materiae toepasselijk is: een uitwinningsvergoeding dient als een handelstransactie in de zin van de wet van 2 augustus 2002 gekwalificeerd te worden. Alle transacties die leiden tot het leveren van (roerende of onroerende) goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding zijn handelstransacties in de
 
zin van de wet. Door een uitwinningsvergoeding wordt de agent vergoed voor het aanbrengen (of terugleveren) van het door hem opgebouwde cliënteel aan de principaal, zodat de wet materieel van toepassing is.
 
4.3. Aan (de verweerder) worden derhalve verwijlinteresten aan de referentieinterestvoet in de zin van artikelen 4 en 5 van de wet van 2 augustus 2002 toegekend vanaf 30 dagen na de datum van ingebrekestelling van 1 juli 2005, zijnde 31 juli 2005, en derhalve niet vanaf de datum van 5 augustus 2005 zoals door de eerste rechter geoordeeld werd. Wanneer de schuldenaar niet betaalt binnen de 30 dagen na de wettelijke betalingstermijn, dan zijn van rechtswege en zonder ingebrekestelling interesten verschuldigd vanaf de daarop volgende dag. De wettelijke betalingstermijn bedraagt 30 dagen na de ontvangst door de schuldenaar van een factuur of een gelijkwaardig verzoek tot betaling.”
 
Grieven
 
Naar luid van artikel 2, 1. van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties wordt voor de toepassing van deze wet onder “handelstransactie” verstaan: een transactie tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en aanbestedende overheden of aanbestedende diensten die leidt tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding.
 
Overeenkomstig artikel 3, 1 ste lid van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties is deze wet van toepassing op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties.
 
De appelrechters kennen te dezen op de aan verweerder verschuldigde uitwinningsvergoeding verwijlinteresten aan de referentie-interestvoet in de zin van artikelen 4 en 5 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties toe op grond van het motief dat een uitwinningsvergoeding, waardoor de agent vergoed wordt voor het aanbrengen of terugleveren van het door hem opgebouwde cliënteel aan de principaal, als een ‘handelstransactie’ in de zin van de wet van 2 augustus 2002 dient gekwalificeerd te worden, zodat deze wet ratione materiae toepasselijk is.
 
Door een uitwinningsvergoeding, welke zij omschrijven als een (wettelijke) vergoeding waardoor “de agent vergoed (wordt) voor het aanbrengen (of terugleveren) van het door hem opgebouwde cliënteel aan de principal” te kwalificeren als een handelstransactie, kennen de appelrechters evenwel een al te ruime draagwijdte toe aan het begrip “handelstransactie” in de zin van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, nu dit wettelijk begrip krachtens de omschrijving ervan in artikel 2, 1. van deze wet beperkt blijft tot een “transactie”, in de betekenis van een “overeenkomst”, die leidt tot “het leveren van goederen en het verrichten van diensten tegen betaling”.
 
Door aan te nemen dat de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties ratione materiae toepasselijk is op de betaling van een uitwinningsvergoeding, gaan de appelrechters er bovendien aan voorbij dat deze wet, behoudens conventionele afwijking, niet van toepassing is op andere geldelijke verplichtingen die voortvloeien uit handelstransacties dan de betaling van de prijs met betrekking tot het voorwerp van de transactie, zodat de betaling van een schadeloosstelling, zoals een uitwinningsvergoeding voor een handelsagent, buiten het toepassingsgebied van deze wet valt.
 
In zoverre de veroordeling van eiseressen tot betaling van verwijlinteresten in de zin van de artikelen 4 en 5 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties op de aan verweerder verschuldigde uitwinningsvergoeding aldus steunt op een miskenning van zowel de draagwijdte van het begrip “handelstransactie” in de zin van deze wet als van het toepassingsgebied ratione materiae van voormelde wet, is deze beslissing dan ook niet naar recht verantwoord (schending van de art. 2, 1. en 3 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties).
 
III. Beslissing van het Hof
 
Beoordeling

Grond van niet-ontvankelijkheid

1.            De verweerder werpt op dat het middel onontvankelijk is, nu het nalaat de schending in te roepen van de artikelen 4 van 5 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties (hierna: wet betalingsachterstand), hetgeen volgens de verweerder noodzakelijk was om tot cassatie van de beslissing inzake het recht op verwijlinteresten tegen de vermeerderde referentie-interest te kunnen besluiten.

2.            Het middel komt op tegen de beslissing van de appelrechters dat de uitwinningsvergoeding die de verweerder vordert als een handelstransactie in de zin van de wet betalingsachterstand dient te worden gekwalificeerd zodat die wet ratione materiae van toepassing is.
 
3.            De als geschonden aangewezen artikelen 2, 1. en 3 van voornoemde wet slaan op de aangevoerde grief, zodat aan het vereiste van artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek is voldaan.
 
De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Middel

4.            Luidens artikel 3 van de wet betalingsachterstand is deze wet van toepassing op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties.
In artikel 2, 1. van dezelfde wet wordt het begrip “handelstransactie” omschreven als een transactie tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en aanbestedende overheden of aanbestedende diensten die leidt tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding.
Deze wet beoogt de achterstand tegen te gaan van contractuele betalingsverplichtingen die strekken tot vergoeding voor geleverde goederen en diensten. De bepalingenervan zijn derhalve niet van toepassing op betalingsverplichtingen die strekken totvergoeding van schade wegens de ontbinding of de beëindiging van overeenkomsten die dergelijke transacties tot voorwerp hebben.
5.            Krachtens artikel 20, 1 ste lid handelsagentuurwet heeft de handelsagent na de beëindiging van de overeenkomst recht op een uitwinningsvergoeding wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren.

Artikel 21 van deze wet bepaalt dat ingeval de handelsagent recht heeft op de uitwinningsvergoeding en het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, de handelsagent, mits hij de werkelijke omvang van de beweerde schade bewijst, boven deze vergoeding schadeloosstelling kan verkrijgen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding.
De in deze artikelen bedoelde uitwinningsvergoeding strekt ertoe het verlies van cliënteel te compenseren en heeft derhalve een vergoedend karakter.
 
6.            De uitwinningsvergoeding, wettelijk verschuldigd aan de handelsagent na de beëindiging van de agentuurovereenkomst, is derhalve niet onderworpen aan de dwingende bepalingen van de wet betalingsachterstand.
7.            Door te oordelen dat de wet betalingsachterstand toepasselijk is op de uitwinningsvergoeding van de handelsagent, schendt het arrest de in het middel aangewezen wetsbepalingen.
 
Het middel is gegrond.
 
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiseressen veroordeelt tot betaling van de verwijlinterest aan de vermeerderde referentie-interestvoet vanaf 31 juli 2005 tot 18 november 2005 op de som van 128.505,03 EUR en uitspraak doet omtrent de kosten.
 
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
 
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.
 

 

Noot: 

 

Rechtspraak in zelfde zin: Cass. 5 november 2009, RABG 2010/15-16, 1076
samenvatting:
 
• Niet toepasselijkheid van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties  op schade wegens de ontbinding of de beëindiging van handelsagentuur.

Artikelen 20 en 21 handelsagentuurwet strekt in een  uitwinningsvergoeding teneinde het  verlies van cliënteel te compenseren en heeft een louter vergoedend karakter.

 
• Bij de beoordeling van de omvang van de aan de handelsagent verschuldigde uitwinningsvergoeding mag de rechter rekening houden met alle omstandigheden waarover hij op het ogenblik van zijn uitspraak beschikt. Hij mag ondermeer  rekening houden met de feiten en omstandigheden die de bestendigheid van de relatie tussen de principaal en het cliënteel beïnvloeden, voor zover die niet toerekenbaar zijn aan de principaal.
 
uittreksel uit het arrest
 
(A.S. EN A.A./M.D.)
I.             Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep in beide zaken is gericht tegen een arrest, op 7 april 2008 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen.
[…]
II.            Cassatiemiddelen
 
Zaak C080520N
De eiseressen voeren in hun verzoekschrift een middel aan.
Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit.
 
Zaak C090040N
De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.
Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit.
 
III. Beslissing van het Hof
 
Beoordeling
Voeging
1.            De twee cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest.
Zij dienen te worden gevoegd.
Zaak C080520N
Ontvankelijkheid
2.            De verweerder M.D. werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: het middel kan niet tot cassatie leiden omdat de artikelen 4 en 5 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties (hierna: wet betalingsachterstand) niet als geschonden werden aangewezen.

3.            De door de eiseressen aangevochten beslissing betreft de toepassing van de wet betalingsachterstand op de gevorderde interest op de krachtens artikel 20 handelsagentuurwet verschuldigde uitwinningsvergoeding.

4.            De grief verwijt het arrest dat het de begrippen handelstransactie en uitwinningsvergoeding miskent en voert daarvoor de bepalingen aan die in de handelsagentuurwet voorkomen.
 
De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
Middel
 
5.            Luidens artikel 3 van de wet betalingsachterstand is deze wet van toepassing op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties.
In artikel 2, 1. van dezelfde wet wordt het begrip “handelstransactie” omschreven als een transactie tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en aanbestedende overheden of aanbestedende diensten die leidt tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding.
Deze wet beoogt de achterstand tegen te gaan van contractuele betalingsverplichtingen die strekken tot vergoeding voor geleverde goederen en diensten. De bepalingen ervan zijn derhalve niet van toepassing op betalingsverplichtingen die strekken tot vergoeding van schade wegens de ontbinding of de beëindiging van overeenkomsten die dergelijke transacties tot voorwerp hebben.
 
6.            Krachtens artikel 20, 1 ste lid handelsagentuurwet heeft de handelsagent na de beëindiging van de overeenkomst recht op een uitwinningsvergoeding wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren.
 
Artikel 21 van deze wet bepaalt dat ingeval de handelsagent recht heeft op de uitwinningsvergoeding en het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, de handelsagent, mits hij de werkelijke omvang van de beweerde schade bewijst, boven deze vergoeding schadeloosstelling kan verkrijgen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding.
 
De in deze artikelen bedoelde uitwinningsvergoeding strekt ertoe het verlies van cliënteel te compenseren en heeft derhalve een vergoedend karakter.
De uitwinningsvergoeding, wettelijk verschuldigd aan de handelsagent na de beëindiging van de agentuurovereenkomst, is derhalve niet onderworpen aan de dwingende bepalingen van de wet betalingsachterstand.
 
7.            De appelrechters veroordelen de eiseressen tot de betaling van een uitwinningsvergoeding wegens de beëindiging van het agentschap van de verweerder tot beloop van 204.398,93 EUR te vermeerderen met de wettelijke interest op grond van de wet betalingsachterstand vanaf 31 maart 2005.
 
8.            Door te oordelen dat de wet betalingsachterstand toepasselijk is op de uitwinningsvergoeding van de handelsagent, schendt het arrest de in het middel aangewezen wetsbepalingen.
 
Het middel is gegrond. Zaak C090040N
 
Eerste middel
Eerste onderdeel
9.            Krachtens artikel 20, 1 ste lid handelsagentuurwet heeft de handelsagent na de beëindiging van de overeenkomst recht op een uitwinningsvergoeding wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren. Het bedrag van deze uitwinning wordt bepaald rekening houdend met zowel de gerealiseerde uitbreiding van de zaken als met de aanbreng van klanten (art. 20, 3 de lid). De uitwinningsvergoeding mag niet meer bedragen dan het bedrag van een jaar vergoeding berekend op basis van het gemiddelde van de vijf voorafgaande jaren of op basis van de gemiddelde vergoeding in de voorafgaande jaren indien de overeenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd (art. 20, 4 de lid).
 
10.          Bij de beoordeling van de omvang van deze vergoeding mag de rechter rekening houden met alle omstandigheden waarover hij op het ogenblik van zijn uitspraak beschikt. Hij mag ook rekening houden met de feiten en omstandigheden die de bestendigheid van de relatie tussen de principaal en het cliënteel beïnvloeden, voor zover die niet toerekenbaar zijn aan de principaal.
 
11.          De appelrechters stellen vast dat de principaal geconfronteerd werd “met een verloop van klanten ten gunste van de nieuwe principaal waarmee M.D. sedert 1 augustus 2005 scheep ging” en dat “de cijfermatige impact aan verlies van omzet niet precies bekend (is)”. Op grond hiervan oordelen zij de aan M.D. toekomende vergoeding, in billijkheid, dient te worden beperkt “tot beloop van 11/12 van 222.980,65 EUR”.
 
12.          Door aldus te oordelen verantwoorden zij hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
 
Tweede onderdeel
 
13.          Anders dan het onderdeel aanvoert hebben de appelrechters het bedrag en de berekeningswijze van de uitwinningsvergoeding door de eiser niet aanvaard.
Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest mist feitelijke grondslag.
 
Tweede middel
 
14.          Gelet op de beslissing gewezen in de zaak C080520N vertoont het middel geen belang.
Het middel is niet ontvankelijk.
Dictum
Het Hof,
Voegt de zaken C080520N en C090040N.
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit uitspraak doet over de interest op de uitwinningsvergoeding.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.
Waar aanwezig waren: I. Verougstraete, als voorzitter; E. Dirix, E. Stassijns, B. Deconinck en A. Smetryns, raadsheren.

 

 

 

De voorwaarden tot toekenning van de uitwinningsvergoeding

 

zie noot K. Van Den Broeckt RABG, 1046

• Wetgeving: 

Parl.St.Senaat (verslag namens de Commissie voor de Justitie uitgebracht door de heer Vandenberghe) 1991-92, 355-3, 106: “( ... ) De rapporteur voegt hieraan toe dat het bewijs van de aanzienlijke voordelen niet moet worden geleverd”.

Parl.St. Senaat ( memorie van toelichting bij het ontwerp van wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst) 1991-92, 355-1, 19.

 

Rechtsleer: 

• A. DE THEUX, La fin du contrat d’agence commerciale, Brussel, Bruylant, 1997

• M. WILLEMART en S. WILLEMART, Le contrat d’agence commerciale, Brussel, Larcier, 2005, 80.

• P. CRAHAY, La rupture du contrat d’agence commerciale, Brussel, Larcier, 2008, 93, nr. 98 en K. DE BOCK en E. DURSIN, “De uitwinningsvergoeding” in E. DURSIN en K. VAN DEN BROECK (eds.), Handelsagentuur, I, Gent, Mys & Breesch, 1997, 340, nr. 596

 

cliënteelvergoeding bij agentuur:

• P. CRAHAY, La rupture du contrat d’agence commerciale, Brussel, Larcier, 2008, 83, nr. 87 e.v.;

• K. DE BOCK en E. DURSIN, “De uitwinningsvergoeding” in E. DURSIN en K. VAN DEN BROECK, Handelsagentuur, I, Gent, Mys & Breesch, 1997, 318, nrs. 557 e.v.;

• P. DEMOLIN, Agent commercial. Agent de banque. Agent d’assurance, Waterloo, Kluwer, 2007, 125 e.v.;

• A. DE THEUX, La fin du contrat d’agence commerciale, Brussel, Bruylant, 1997, 65, nr. 42;

• E. DURSIN, “Beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst” in P. NAEYAERT en E. TERRYN (eds.), Beëindiging van overeenkomsten met handelstussenpersonen, Brugge, die Keure, 2009, 181, nrs. 53 e.v.

• M. WILLEMART en S. WILLEMART, Le contrat d’agence commerciale, Brussel, Larcier, 2005, 79 e.v.

considerans van de richtlijn (2 de en 3 de overwegingen)

• J.W. RUTGERS, “De agentuurovereenkomst” in A.S. HARTKAMP, C.H. SIEBURGH en L.A.D. KEUS, De invloed van het Europees recht op het Nederlands privaatrecht, Deventer, Kluwer, 2007, 74.

Definitie cliënteel

• A. CUYPERS, “Wet 25 oktober 1919” in X, Voorrechten en hypotheken. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 1993, 18, nr. 6

• B. DU LAING, “Het pand op de handelszaak: een algemeen overzicht en enkele recentere ontwikkelingen” in X, Notariële aspecten van de handelszaak en de handelshuur, 129-130, nr. 6.

• J. VAN RYN en J. HEENEN, Principes de droit commercial, T. I, Brussel, Bruylant, 1976, 395, nr. 433.

 

• Rechtspraak:

• Cass. 15 mei 2008, RW 2008-09, 1684, noot K. WAGNER en TBH 2009, 244, noot D. MERTENS

•  HvJ 23 maart 2006, C-465/04, Honyvem Informazioni Commerciali / De Zotti, DAOR 2007, 411, randnrs. 18 en 19

•  WILLEMART en M. WILLEMART, “Examen de jurisprudence. Le contrat d’agence commerciale (loi du 13 avril 1995) (1995-2004)”, JT 2005, 96

• Kh. Luik (5 de k.) 17 oktober 2001, JLMB 2002, 247

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 21/03/2011 - 20:24
Laatst aangepast op: ma, 21/03/2011 - 20:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.