-A +A

Handelsagentuur uitwiningsvergoeding bij overeenkomst vastgelegd

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
zon, 13/01/2013
A.R.: 
2007/AR/1204

Partijen kunnen afwijken bij overeenkomst van de uitwinningsvergoeding voorzien in art. 23 van de Handelsagentuurwet, op voorwaarde dat deze regeling niet strenger of nadeliger is voor de handelsagent dan deze voorzien in de wet

Publicatie
tijdschrift: 
DAOR
Jaargang: 
2010/94
Pagina: 
175
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

A.R. nr. 2007/AR/1204

(n.v. Fortis Bankt. b.v.b.a. X)

[ ... ]

Overzicht van de relevante feiten

6. Op 23 februari 1996 werd een overeenkomst van zelfstandig agent gesloten tussen de A.S.L.K.-Bank, rechtsvoorgangster van appellante, en geïntimeerde, waarbij deze laatste met ingang vanaf 1 januari 1996 voor een onbepaalde duur werd aangesteld als haar zelfstandige agent, met als werkingsgebied de gemeente M. en met een kantoor gevestigd M.

Bij aanhangsel nr. 1 van 13 september 1999 hebben partijen dit contract in overeenstemming gebracht met de voorschriften van de Wet van 4 mei 1999 waardoor de Handelsagentuurwet van 13 april 1995 van toepassing werd verklaard op de contracten tussen de financiële instellingen en hun zelfstandige agenten.

7. Bij aangetekend schrijven van 28 juli 2004 heeft appellante een einde gesteld aan het mandaat van zelfstandig agent van geïntimeerde, en dit met een opzeggingstermijn van zes maanden.

Appellante deelde tevens mee aan geïntimeerde dat zij bij de stopzetting van haar activiteiten recht zou hebben op een uitwinningsvergoeding overeenkomstig art. 2 7 van de overeenkomst van zelfstandig agent, zoals gewijzigd bij art. 7 van het eerste aanhangsel.

De uitvoering van het mandaat van geïntimeerde nam effectief een einde op 13 september 2004 en appellante betaalde haar een vervangende opzeggingsvergoeding uit van 82.057,12 EUR, hetgeen overeenstemde met een termijn van vier en een halve maand.

8. Appellante maakte aan geïntimeerde een voorstel ter ondertekening over, waarin zij zich bereid verklaarde om overeenkomstig voormeld art. 27 een uitwinningsvergoeding te betalen van 113.076,81 EUR.

Bij aangetekend schrijven van 2 mei 2005 werd appellante door de raadsman van geïntimeerde in gebreke gesteld om een uitwinningsvergoeding van 182 176,03 EUR te betalen, meer de interest aan 9,5 % per jaar vanaf 14 september 2004. In dit schrijven werd meegedeeld dat geïntimeerde de geldigheid van art. 2 7 betwistte.

Op 23 mei 2005 antwoordde appellante dat de door haar voorgestelde uitwinningsvergoeding beantwoordde aan hetgeen partijen hadden bedongen.

Geïntimeerde ging op 24 juni 2005 over tot dagvaarding en op 31 augustus 2005 betaalde appellante het volgens haar verschuldigde bedrag van 113 076,80 EUR, zonder nadelige erkenning en onder alle voorbehoud.

Bespreking

9. Art. 2 7 van de agentuurovereenkomst, zoals gewijzigd door aanhangsel nr. 1 van 13 september 1999, bepaalt het volgende:

« Tenzij in geval van beèïndiging op grond van art. 21, 1° en 2°, heeft de agent, behoudens de eventuele vergoeding voorzien in art. 20, bij de beëïndiging van zijn activiteit recht op een uitwinningsvergoeding.

Deze wordt als volgt berekend;

1° voor de verzekeringsprodukten: het bedrag van de commissielonen berekend op basis van de regels die voor deze produkten van toepassing zijn bij de beëïndiging van de activiteiten.

De voor deze berekening gebruikte tarieven worden aan de agenten medegedeeld in volgende gevallen : bij het begin van hun activiteit, bij iedere tariefwijziging en steeds bij gemotiveerde aanvraag van de agenten.

2° voor de bankprodukten: 7S % van één jaar commissieloon berekend op het gemiddelde van de commissielonen verdiend gedurende de laatste vijf jaar of indien de duur van de overeenkomst korter was dan vijf jaar, op het gemiddelde van de voorgaande jaren.

Komen dus in aanmerking; de commissielonen uit door de agent verwezenlijkte verrichtingen voor zover zij uiterlijk op de laatste werkdag van de maand voorafgaand aan de stopzetting opgetekend zijn in de boekhouding van de Bank.

De Bank betaalt de uitwinningsvergoeding aan de agent binnen een periode van drie maanden vanaf de datum van beëïndiging van de activiteit, voor zover de controles en andere afsluitingsverificaties geen enkel ernstig vermoeden van onregelmatigheid aan het licht brengen die de Bank enig nadeel zouden kunnen berokkenen.

In geval van niet naleving van art. 22, is de agent gehouden tot het betalen van een schadevergoeding gelijk aan de helft van de uitwinningsvergoeding.

Naast deze vergoeding kan de agent geen aanspraak maken op enige andere vergoeding noch van de Bank noch van zijn eventuele opvolger».

Appellante preciseert dat, wat de verzekeringsproducten betreft, op de datum van de beëindiging van de activiteiten van geïntimeerde de waarderingsregels van toepassing waren die al sedert 1 juni 1998 in voege waren en erop neerkomen dat de vergoeding voor de verzekeringsproducten, behalve voor wat betreft de groepsverzekeringen, 12 5 % bedraagt van het jaarlijks commissieloon voor de contracten die actief zijn op het ogenblik van de waarde bepaling.

10. Er wordt niet betwist dat geïntimeerde recht heeft op een uitwinningsvergoeding.

Krachtens art. 20, derde en vierde lid van de Wet van 13 april 1995 :

- wordt het bedrag van deze vergoeding bepaald, rekening houdend zowel met de gerealiseerde uitbreiding van de zaken als met de aanbreng van klanten ( derde lid); en

- mag deze vergoeding niet meer bedragen dan het bedrag van één jaar vergoeding berekend op basis van het gemiddelde van de vijf voorafgaande jaren of op basis van de gemiddelde vergoeding in de voorafgaande jaren, indien de overeenkomst minder dan vijf jaren heeft geduurd (vierde lid).

Art. 23 bepaalt dat, vooraleer de overeenkomst is beëindigd, de partijen niet, ten nadele van de handelsagent, mogen afwijken van de bepalingen van de artt. 20, 21 en 22, en laat derhalve toe ten voordele van de agent afwijkende bepalingen te bedingen in de overeenkomst.

Art. 2 3 staat er niet aan in de weg dat partijen in de overeenkomst de berekeningswijze kunnen bepalen van de uitwinningsvergoeding.

Het is slechts indien dit beding strengere toekenningsvoorwaarden of -modaliteiten zou bepalen, of indien de bedongen berekeningswijze zou leiden tot een vergoeding die minder bedraagt dan deze die zou voortvloeien uit de toepassing van de wettelijke criteria, dat de rechter dit beding niet van toepassing moet verklaren.

Op het eerste gezicht blijkt niet dat het door appellante ingeroepen beding geen rekening zou houden met de gerealiseerde uitbreiding van de zaken en met de aanbreng van klanten.

Verder geeft art. 20, vierde lid van de Wet van 13 april 1995 enkel het maximumbedrag aan van de totale uitwinningsvergoeding, hetgeen niet uitsluit dat deze vergoeding minder kan bedragen.

De wet viseert bovendien de uitwinningsvergoeding en de commissielonen in hun geheel, zonder een opsplitsing te maken naarge- 1 ang de aard van de producten (bank of verzekering) of de cliënten.

Bijgevolg kan niet a priori worden beslist dat art. 27 van de overeenkomst, zoals gewijzigd door aanhangsel nr. 1, nietig is.

Aangezien de vergoeding waartoe de bedongen berekeningswijze leidt, moet worden getoetst aan de vergoeding die volgens het hof verschuldigd is overeenkomstig de wettelijke criteria, roept geïntimeerde ten onrechte in dat haar het recht wordt ontnomen om aanspraak te maken op de maximale uitwinningsvergoeding van één jaar vergoeding.

Ter zake moet ook worden opgemerkt dat deze contractuele regeling in beginsel ook voordelen biedt voor geïntimeerde als handelsagent, aangezien haar het recht op een uitwinningsvergoeding wordt toegekend, en dit zonder bijkomende voorwaarde.

Gelet op de aanwezigheid van een niet-concurrentiebeding in de overeenkomst geniet zij wel van het vermoeden van de artt. 20, tweede lid en 24, § 3 van de Wet van 13 april 199 5, maar appellante beschikt niet meer over de mogelijkheid om het tegenbewijs te leveren.

Bovendien kan geïntimeerde in ieder geval aanspraak maken op de bedongen vergoeding, zonder dat zij moet bewijzen in welke mate zaken werden uitgebreid en klanten werden aangebracht.

[ ... ]

Het hof oordeelt dat, in tegenstelling tot hetgeen door appellante wordt voorgehouden, wel degelijk rekening moet worden gehouden met de door haar uitbetaalde forfaitaire kostenvergoedingen, en dit om de volgende redenen.

In de overeenkomst is er geen sprake van een vaste, forfaitaire kostenvergoeding en in art. 6, vierde lid wordt bepaald dat de commissielonen forfaitair en definitief alle prestaties vergoeden die de agent in het kader van zijn mandaat heeft geleverd, alsmede de door hem gemaakte kosten. Deze kosten werden gemaakt met het oog op de uitoefening van dit mandaat en zijn inherent aan de uitoefening van de activiteit van de zelfstandige handelsagent.

De vergoeding van geïntimeerde bestond uit commissies in functie van de door haar behaalde resultaten en, voor zover zij daarnaast ook nog een kostenvergoeding ontving, diende zij hiermee onder meer alle gebruikelijke kosten te betalen in verband met het door haar uitgebate agentschap, die te haren laste waren.

In ieder geval blijkt niet dat het ter zake ging om de terugbetaling door appellante van wel bepaalde specifieke kosten die contractueel te haren laste waren.

Voor de berekening van de uitwinningsvergoeding is er dan ook geen reden om kostenvergoedingen in mindering te brengen.

Indien men alle kostenvergoedingen zou toerekenen op de bankactiviteiten, moet er, wat de bankproducten betreft, het bedrag van 87 484,58 EUR (75 % van 116 646,11 EUR) in rekening worden gebracht.

Wat de verzekeringsproducten betreft, heeft de eerste rechter ten onrechte 125 % van het gemiddelde van de commissielonen van de laatste vijf jaren in rekening gebracht, daar waar volgens de formule van art. 2 7 van het contract dit bedrag 36 316,38 EUR had dienen te bedragen.

Het totale bedrag dat verschuldigd is op grond van dit art. 2 7 bedraagt dan ook 123 997,06 EUR, som die echter nog moet worden gecorrigeerd ingevolge het feit dat de kostenvergoedingen verhoudingsgewijs moeten worden toegerekend aan de bank- en verzekeringsactiviteiten.

12. Het hof moet in het licht van art. 2 3 van de Wet van 13 april 1995 vervolgens nagaan of deze contractuele uitwinningsvergoeding al dan niet minder bedraagt dan de uitwinningsvergoeding waarop geïntimeerde aanspraak had mogen maken op basis van deze wet.

Aan geïntimeerde werd een beheers- en uitbatingsrecht toegekend met betrekking tot de bestaande bank- en verzekeringsportefeuilles, zodat enkel rekening kan worden gehouden met de aanbreng van nieuwe klanten en met de uitbreiding van zaken vanaf 1 januari 1996.

Deze aanbreng of uitbreiding moet te danken zijn aan de activiteiten van geïntimeerde, maar moet niet uitsluitend aan haar inspanningen kunnen worden toegeschreven. Dat ook de eigen organisatie, de naambekendheid en de uitstraling van appellante en haar rechtsvoorgangster en de door hen gevoerde publiciteit hierbij ongetwijfeld een rol hebben gespeeld, doet hieraan geen afbreuk.

De jaarlijkse stijging van de aan geïntimeerde uitbetaalde commissielonen toont aan dat zij in aanzienlijke mate de zaken heeft uitgebreid en het cliënteel heeft uitgebouwd.

Gelet op het niet-concurrentiebeding in de overeenkomst moet krachtens de artt. 24, § 3 en 20, tweede lid van de Wet van 13 april 1995 overigens worden vermoed dat geïntimeerde klanten heeft aangebracht en dat appellante hiervan nog aanzienlijke voordelen krijgt.

Het hof houdt hierbij ook rekening met het feit dat het op het einde van de agentuur bestaande cliënteel de mogelijkheid bood om toekomstige bestellingen te bekomen, en dit op een voortdurende en zelfs dagelijkse basis, gelet op de eigen aard van de betrokken producten, diensten en relaties.

Gelet op deze elementen, oordeelt het hof dat geïntimeerde aanspraak mag maken op een uitwinningsvergoeding, gelijk aan tien maanden vergoedingen, berekend op grond van het gemiddelde van de vergoedingen die tijdens de vijf voorgaande jaren werden uitbetaald.

Deze vergoedingen bedragen :

- 1999 (pro rata vanaf 14.9): 45 013,24 EUR

- 2000: 145 392,08 EUR

- 2001 : 158 288,74 EUR

- 2002: 213 576,26 EUR

- 2003 : 202 461,49 EUR

- 2004: 139 565,48 EUR

 

Dit levert een jaarlijks gemiddelde op van 180 859,45 EUR.

De aan geïntimeerde toekomende uitwinningsvergoeding bedraagt derhalve 150 716,20 EUR.

Gelet op het imperatief karakter van art. 20 van de Wet van 13 april 1995 kan geïntimeerde aanspraak maken op dit bedrag, zelfs indien dit meer bedraagt dan de vergoeding zoals bepaald in art. 2 7 van het contract.

Aangezien appellante op 31 augustus 2005 een bedrag heeft betaald van 113 076,80 EUR, blijft zij in hoofdsom derhalve een saldo verschuldigd van 37 639,40 EUR.

13 .Wat de gevorderde interest betreft, overweegt het Hof het volgende.

Geïntimeerde vordert interest op grond van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties.

Krachtens art. 14 tweede lid is deze wet in elk geval van toepassing op betalingen in uitvoering van lopende overeenkomsten twee jaar na 7 augustus 2002. Op 7 augustus 2004 liep de overeenkomst tussen partijen nog steeds, aangezien deze pas werd beëindigd op 13 september 2004.

Het hof oordeelt echter dat het onderwerp van de vordering geen handelstransactie is, zoals bedoeld in art. 2, 1 ° van de Wet van 2 augustus 2002. Er is immers geen sprake van een transactie tussen ondernemingen die leidt tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding, maar wel van een uitwinningsvergoeding die krachtens een wettelijke bepaling toekomt aan de handelsagent, zelfs indien het bedrag van deze vergoeding contractueel werd bepaald.

Bovendien strekt deze vergoeding er niet toe een bepaalde transactie te vergoeden maar gaat het om de vergoeding voor het voordeel dat kan worden opgeleverd door de aanbreng van klanten en de uitbreiding van zaken.

Gëintimeerde kan bijgevolg geen interest vorderen op grond van de Wet van 2 augustus 2002.

Zij heeft daarentegen wel recht op verwijlinterest aan de wettelijke rentevoet.

[ ... ]
 

Noot: 

zie noot in DAOR

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 18/07/2016 - 13:12
Laatst aangepast op: za, 10/03/2018 - 17:01

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.