-A +A

Handelsagentuur concurrentiebeding matiging door de rechter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie

De contractuele sanctie ingevolge het concurrentiebeding in een handelsagentuurofereenkomst is onderworpen aan het matigingsrecht van de rechter, overeenkomstig artikel 1231 van het Burgerlijk Wetboek.

De rechter kan oordelen dat een degelijke sanctie kennelijk overdreven is. Bij de vaststelling van de sanctie dient geen rekening gehouden met de mate, waarin de agent het concurrentieverbod overtreedt. Het is immers evident dat er een immens verschil bestaat tussen een occasionele overtreding van een dergelijk verbod en een systematisch beconcurreren van de vroegere principaal door de agent, die zich in de regio van de principaal vestigt.

Publicatie
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Hof van Beroep Gent op 12 november 2003 

N.V. SOFIMO, met maatschappelijke zetel te 8800 Roeselare, Noordstraat 4 en ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nr. 75.143,

appellante,

tegen:

DD,

geïntimeerde,

Het Hof heeft in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies gehoord, alsmede de stukken ingezien.

De hogere beroepen tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Ieper van 5 maart 2001, werden ingesteld bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 mei 2001 (A.R. 2001/1252) en 25 mei 2001 (A.R. 2001/1263). Zij zijn tijdig en regelmatig naar de vorm. Een exploot van betekening ligt niet voor.

I. Voorgaanden.

1. Op 20 december 1994 werd een agentuurovereenkomst gesloten tussen Sofimo (actief in de immobiliënsector) en DD, die in de regio Roeselare voor rekening van Sofimo contracten zou negotiëren met derden betreffende het verkopen, verhuren en beheren van eigendommen, handelsovernames en het bemiddelen bij verzekeringen en leningen. Aan deze voor onbepaalde tijd gesloten overeenkomst, werd door DJ een einde gesteld met een aangetekend schrijven van 28 september 1998, met in achtneming van een opzeggingstermijn van vier maanden.

Met dagvaarding van 25 januari 2000 vordert DJ van Sofimo betaling van drie facturen, voor een totaal bedrag van 280.710 frank (= € 6.958,62), uit hoofde van onbetaalde commissielonen, meer één frank provisie voor nog te factureren commissielonen. In conclusies wordt deze vordering definitief begroot op 535.355 frank (= € 13.271,10), meer de conventionele rente en een (niet-begroot) schadebeding.

Met dagvaarding van 26 januari 2000 vordert Sofimo van DJ schadevergoeding wegens inbreuken op de overeenkomst, meer bepaald 529.329 frank (= € 13.121,72), wegens diverse overtredingen van het concurrentieverbod tijdens de duur van de overeenkomst (artikel 5.3), en 3.178.532 frank (= € 78.793,75), wegens gelijkaardige inbreuken na de beëindiging van de overeenkomst (artikel 8). In conclusies wordt de vergoeding wegens inbreuk op artikel 8 van de overeenkomst verminderd tot één jaar commissie, hetzij 1.341.738 frank (= € 33.260,82), teneinde te voldoen aan de beperkingen, opgelegd door artikel 24, § 4 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst.

2. De eerste rechter voegt de beide zaken samen en stelt vooreerst vast dat de aanspraken van DJ op achterstallige niet-betaalde commissielonen ten bedrage van 535.355 frank (= _ 13.271,10) niet worden betwist.

De door Sofimo aangeklaagde inbreuken op het concurrentieverbod in hoofde van DJ worden grotendeels bewezen geacht. Haar vordering wordt gegrond verklaard tot beloop van 529.329 frank (= _ 13.121,72), wat de inbreuken op artikel 5.3 van de overeenkomst betreft. Er worden tevens inbreuken vastgesteld na de beëindiging van de overeenkomst, maar de uit dien hoofde door DJ verschuldigde vergoeding, wordt door de eerste rechter verminderd tot 50.000 frank (= _ 1.239,47), met toepassing van artikel 1231 van het Burgerlijk Wetboek.

Aldus wordt, na compensatie en onder voorbehoud van door DJ nog niet gefactureerde B.T.W., DJ veroordeeld tot betaling van 84.333 frank (= _ 2.090,56), met dien verstande dat deze som verminderd wordt tot 43.974 frank (= _ 1.090,09), mits door DJ een regelmatige factuur voor het saldo van de commissielonen wordt voorgelegd.

3. Het hoger beroep, ingesteld door Sofimo (A.R. 2001/1252), betreft enkel de vergoeding wegens de inbreuken op artikel 8 van de overeenkomst, die volgens haar door de eerste rechter ten onrechte werd verminderd tot 50.000 frank (= € 1.239,47). Zij blijft uit dien hoofde aanspraak maken op 1.341.738 frank (= € 33.260,82).

4. DJ stelt eveneens hoger beroep in (A.R. 2001/1263). Hij besluit tot de afwijzing van de vordering van Sofimo en vordert betaling van de conventionele rente en het schadebeding op de onbetaalde facturen.

II. Bespreking.

1. De beide hogere beroepen hebben betrekking op hetzelfde vonnis, zodat de beide zaken dienen te worden samengevoegd.

2. De vordering van Sofimo.

2.1. De inbreuken op artikel 5.3 van de overeenkomst.

Artikel 5.3 van de agentuurovereenkomst van 20 december 1994 legt de agent verbod op om voor concurrerende firma’s op te treden of, in eigen naam of onder het mom van een vennootschap, dezelfde activiteit als de principaal uit te oefenen. In hetzelfde artikel is bovendien bedongen dat, bij een tweede inbreuk op dit concurrentieverbod, de handelsagent aan de principaal een schadevergoeding zal betalen, welke forfaitair wordt begroot op 500.000 frank (= € 12.394,68), geïndexeerd op basis van de index van december 1994.

Het is op grond van deze bepaling dat Sofimo een vergoeding vordert van 529.329 frank (= € 13.121,72).

Tot staving van deze vordering verwijst Sofimo naar vier inbreuken, waarvan krachtens artikel 5.3 van de overeenkomst het bewijs door alle middelen van recht mag worden geleverd.

In een schriftelijke verklaring zet de genaamde AG uiteen dat DJ hem betaling heeft gevraagd van 15.000 frank (= _ 371,84), vooraleer hij een eigendom te Koolskamp kon aankopen.

Wanneer hij in juni 1997 wordt geconfronteerd met deze verklaring, beperkt DJ zich tot een ontkenning van de feiten. Het aan Ghekiere toegeschreven document, waarop Sofimo zich steunt, wordt evenwel niet van valsheid beticht, zodat, bij gebrek aan bewijs van het tegendeel, mag worden aangenomen dat de voorgelegde verklaring met de werkelijkheid strookt.

In een per 12 maart 1998 gedateerd document verklaren KV-HE dat DJ ongevraagd aanwezig was bij het verlijden van de akte betreffende de verkoop van hun eigendom te Roeselare en dat hij alsdan van hen een commissie vroeg van 65.000 frank (= € 1.611,31), eraan toevoegend dat op die manier Sofimo door hen niet hoefde betaald te worden.

Wanneer DJ hieromtrent op 19 maart 1998 wordt in gebreke gesteld, is zijn reactie verwarrend en tegenstrijdig. Waar hij vooreerst voorhoudt dat de kwestieuze verkoop niet door hem werd bemiddeld, geeft hij geen plausibele uitleg voor zijn aanwezigheid bij het verlijden van de akte. Verder heeft hij nooit tegengesproken dat hij zijn aanwezigheid aldaar pas heeft toegegeven, nadat hij door Sofimo geconfronteerd was met de verklaring van V-H. Er is geen reden om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen.

Uit de stukken, voorgelegd door Sofimo onder nummers 2.4 van haar dossier, blijkt dat DJ zich begin 1998 bezig hield met de promotie van nieuwbouwwoningen voor C.H.B. Woningbouw. Zulks kan worden afgeleid uit de vermelding van het gsm-nummer van DJ in kranten-advertentie. Zijn verklaring, dat de vermelding van zijn telefoonnummer op een vergissing, berust, is een ongeloofwaardige uitvlucht.

Op de kwestie van het kasteel te Brakel dient niet verder te worden ingegaan, nu op grond van het voorgaande, in de loop van de uitvoering van de overeenkomst, in hoofde van DJ minstens twee inbreuken op het concurrentieverbod kunnen worden weerhouden.

Dienvolgens heeft de eerste rechter terecht de bij toepassing van artikel 5.3 van de agentuurovereenkomst gevorderde vergoeding toegekend.

2.2. De inbreuken op artikel 8 van de overeenkomst.

Onder de titel ‘Concurrentiebeding’ wordt in de overeenkomst van 20 december 1994 het volgende bedongen:

8.1. Na het einde van de agentuurovereenkomst zal de handelsagent zich gedurende 5 jaren onthouden van elke vertegenwoordiging en activiteiten, rechtstreeks of onrechtstreeks, welke concurrerend zijn met de activiteiten van de N.V. Sofimo, en dit in een straal van 15 km rond de gemeente of stad waar er zich een kantoor Sofimo of agentuur bevindt. De concurrerende activiteiten mogen ook niet uitgeoefend worden onder de dekmantel van een vennootschap.

8.2. De handelsagent zal bij inbreuk op art. 8.1, en dit nadat hij een tweede maal in gebreke werd gesteld, aan de principaal een schadevergoeding betalen welke forfaitair en in gemeenschappelijk overleg begroot wordt op drie miljoen geïndexeerd op basis van de index van december 1994. Partijen komen overeen dat inbreuken kunnen bewezen worden door alle middelen van recht.

Vooraleer de door Sofimo ingeroepen overtredingen van dit beding te onderzoeken, dient te worden ingegaan op de problematiek van de toepasselijkheid van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, die in werking is getreden, nadat de agentuurovereenkomst tussen partijen was tot stand gekomen, maar voor deze overeenkomst een einde nam.

Het staat vast dat artikel 24 van de voornoemde wet, dat betrekking heeft op de geldigheidsvereisten van een concurrentiebeding en waarin een aantal beperkingen worden opgelegd, van dwingend recht is. Deze vaststelling doet geen afbreuk aan de principiële geldigheid van een overeenkomst, die voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet rechtsgeldig is tot stand gekomen, met dien verstande dat, na de inwerkingtreding van de wet, het concurrentiebeding nog slechts uitwerking kan krijgen binnen de grenzen, die de nieuwe wet stelt.

De aanspraken van Sofimo wegens overtreding van het concurrentieverbod vallen derhalve onder de beperkingen van artikel 24 van de wet van 13 april 1995. Meer in het bijzonder wat betreft de beperking in de tijd tot zes maanden na de beëindiging van de overeenkomst (artikel 24, § 1, 4°), de beperking tot het geografisch gebied, dat aan de agent was toevertrouwd (artikel 24, § 1, 3¿), en de beperking van de in de overeenkomst forfaitair bepaalde vergoeding, in principe tot één jaar commissie, tenzij de principaal bewijst dat het door hem geleden nadeel groter is (artikel 24, § 4).

Ten deze stelt zich geen probleem wat de omvang van de in de overeenkomst forfaitair vastgestelde vergoeding betreft, aangezien Sofimo vrijwillig haar vordering beperkt tot een bedrag, gelijk aan één jaar gemiddelde commissie, berekend over de laatste vijf jaar. Wel dient rekening gehouden te worden met de beperking in de tijd (tot zes maanden).

Wat het geografisch toepassingsgebied betreft, dient te worden uitgegaan van het principe dat, waar een concurrentiebeding een (tijdelijke) beperking inhoudt van de professionele mogelijkheden van de agent, een dergelijke bepaling restrictief dient te worden geïnterpreteerd.

Rekening houdend met de grenzen, die de wet vastlegt, en de aan DJ toegewezen zone (het gebied met een straal van 15 km rond Roeselare), dient het verbod om concurrerende activiteiten uit te oefenen te worden beperkt tot het gebied rond Roeselare. Van de door Sofimo voorgestane uitbreiding van het geografisch toepassingsgebied tot de streek van Ieper, omdat de agent occasioneel ook werkzaam was buiten de hem oorspronkelijk toegewezen zone, kan geen sprake zijn.

Dit houdt meteen in dat Sofimo zich niet kan steunen op vermeende overtredingen van het concurrentiebeding, tengevolge van de werkzaamheden van DJ voor rekening van de vastgoedmakelaar Beverko, die zich situeren in de regio Ieper of Diksmuide. De bemiddeling van DJ met betrekking tot een hoeve, gelegen in Krombeke, kan bijgevolg niet als een overtreding worden aangemerkt, evenmin als zijn activiteiten te Merkem, Stavele, Elverdinge en Westvleteren (zie de vaststelling van gerechtsdeurwaarder Paul Van Nieuwenhuyse van 29 maart 1999 – stuk 4.3 van het dossier Sofimo), welke alle buiten de regio Roeselare liggen.

Wat de regio Roeselare betreft, kunnen de volgende inbreuken worden vastgesteld.

In tegenstelling tot hetgeen de eerste rechter heeft aangenomen, valt Klerken wel binnen een straal van 15 km rond Roeselare (stukken 1.4 en 1.5 van Sofimo). Stuk 4.5 van het dossier van Sofimo toont aan dat DJ aldaar op 10 februari 1999 (dus binnen de zes maanden na de beëindiging van zijn overeenkomst met Sofimo) een verkoopopdracht ondertekend heeft voor rekening van Beverko.

Uit de verklaring van mevrouw ND (stuk 4.4. – dossier Sofimo) blijkt dat DJ, voor mei 1999, herhaalde malen de door haar gehuurde woning te Roeselare heeft bezocht in gezelschap van kandidaat-kopers. Dat DJ dienaangaande pas later werd in gebreke gesteld, belet niet dat de inbreuk zelf zich situeert binnen de periode van zes maanden na de beëindiging van de overeenkomst met Sofimo.

Dienvolgens kunnen in hoofde van DJ twee inbreuken op het concurrentiebeding van artikel 8 van de overeenkomst worden weerhouden, waaromtrent hij respectievelijk op 27 mei (activiteiten voor Beverko) en op 27 augustus 1999 werd in gebreke gesteld.

De voorwaarden zijn dan ook vervuld opdat Sofimo aanspraak zou kunnen maken op een schadevergoeding.

De contractuele clausule in artikel 8 van de overeenkomst, welke deze schadevergoeding forfaitair vaststelt op het geïndexeerd bedrag van 3.000.000 frank (= _ 74.368,06), doch door Sofimo in overeenstemming met artikel 24, § 4 van de wet van 13 april 1995 verminderd wordt tot 1.341.768 frank (= _ 33.261,56), is een strafbeding, zoals bepaald in artikel 1226 van het Burgerlijk Wetboek.

Het bepaalt immers de forfaitaire schadevergoeding, die de agent verschuldigd is, indien hij zijn contractuele verbintenissen niet naleeft, meer specifiek, indien hij zich, na de beëindiging van de overeenkomst, niet onthoudt van activiteiten, die concurrerend zijn met de activiteiten van de principaal, binnen een bepaald gebied en gedurende een bepaalde termijn.

Als zodanig is dit beding onderworpen aan het matigingsrecht van de rechter, overeenkomstig artikel 1231 van het Burgerlijk Wetboek.
De in dit geval vastgestelde vergoeding, zelfs beperkt tot één jaar commissie, moet als een kennelijk overdreven bedrag worden bestempeld, omdat bij de vaststelling ervan geen rekening is gehouden met de mate, waarin de agent het concurrentieverbod overtreedt. Het is immers evident dat er een immens verschil bestaat tussen een occasionele overtreding van een dergelijk verbod en een systematisch beconcurreren van de vroegere principaal door de agent, die zich in de regio van de principaal vestigt.

Het Hof treedt de eerste rechter dan ook bij waar deze heeft geoordeeld dat de bedongen vergoeding dient te worden gematigd. Evenwel is het Hof van oordeel dat een hoger bedrag dan 50.000 frank (= € 1.239,47) kan worden toegekend. Rekening houdend met alle gegevens van de zaak, komt een vergoeding van 250.000 frank (= € 6.197,34) billijk en verantwoord voor.

3. De vordering van DJ.

3.1. Er is vanwege Sofimo geen betwisting met betrekking tot de onbetaalde facturen van DJ, wiens vordering wat dit betreft door de eerste rechter terecht gegrond werd verklaard.

3.2. Waar blijkt dat de schuldvordering van Sofimo het bedrag van deze facturen overtreft en er derhalve schuldvergelijking diende te worden toegepast, mocht Sofimo haar betalingsverplichting opschorten en kan DJ geen aanspraak maken op conventionele intresten, noch op een schadebeding (voor zover dit conventioneel zou zijn voorzien).

Besluit: het hoger beroep van DJ is ongegrond; het hoger beroep van Sofimo is deels gegrond, in die zin dat haar een aanvullend bedrag van 200.000 frank (= € 4.957,87) wordt toegekend. Over de gedingskosten heeft de eerste rechter oordeelkundig beslist.

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Melding makende van de toepassing van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.
Voegt de zaken samen.
Verklaart de hoger beroepen toelaatbaar, het hoger beroep van DJ ongegrond en het hoger beroep van Sofimo deels gegrond.
Bevestigt het bestreden vonnis, mits deze wijziging dat, boven het door de eerste rechter toegekend bedrag, DD daarenboven veroordeeld wordt om aan N.V. Sofimo te betalen de som van € 4.957,87, meer de gerechtelijke intresten vanaf 26 januari 2000.

Verwijst DD in de kosten van de beroepsinstantie, aan de zijde van N.V. Sofimo vereffend op € 185,92 rolrecht, € 57,02 uitgavenvergoeding verzoekschrift, €456,12 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, kamer twaalf bis, recht doende in burgerlijke zaken op twaalf november tweeduizend en drie .

Noot: 

RABG 2010, afl. 15-16, 1039, noot NAEYAERT, P.; RABG 2010, afl. 18, 1194, noot VERBEKE, R.; TBH 2010, afl. 7, 686; RW 2012-2013, 658.

Rechtsleer:

• HANSEBOUT, A., Interest op de uitwinningsvergoeding van de handelsagent, RW 2008-09, afl. 4, 152-155

• KVT, Uitwinningsvergoeding handelsagent: Cassatie bevestigt principes, Balans 2008, afl. 587, 4-5

• VAN GOMPEL, H., De rol van de billijkheid bij de bepaling van de uitwinningsvergoeding van een agent, Limb.Rechtsl. 2008, afl. 4, 342-343

• MERTENS, D., Welke schade vergoedt de bijkomende vergoeding van de handelsagent?, RW 2008-09, afl. 40, 1693-1697

• CRAHAY, P., La rupture du contrat d'agence commerciale

• LAMBRECHT, B., NAEYAERT, P., Kan het bedrag of de berekeningswijze van de uitwinningsvergoeding en van de bijkomende schadevergoeding rechtsgeldig contractueel bepaald worden vóór de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst?, DAOR 2007, afl. 84, 424-436

• WAGNER, K., Agentuurovereenkomst en cliëntèlevergoeding , RW 2008-09, afl. 40, 1686-1688

• VAN DEN BROECK, K., De voorwaarden tot toekenning van de uitwinningsvergoeding – Artikel 20 handelsagentuurwet, RABG 2010, afl. 15-16, 1066-1070

• DURSIN, E., Beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst Bijdragen in boek - In: X., Beëindiging van overeenkomsten met handelstussenpersonen, 155-205
Beëindiging handelsagentuurovereenkomst

• NAEYAERT, P., Concurrentiebeding en het dubbele vermoeden inzake cliënteelvergoeding bij agentuur, RABG 2010, afl. 15-16, 1046-1054

• CNUDDE, S., De bijkomende vergoeding bovenop de uitwinningsvergoeding na de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst, RABG 2010, afl. 15-16, 1084-1087

• WAGNER, K., Over de niet-toepasselijkheid van de interestvoet wet bestrijding betalingsachterstand handelstransacties op de cliënteelvergoeding van artikelen 20 en 21 handelsagentuurwet, RABG 2010, afl. 15-16, 1080

• DAMBRE, M., Ruimte voor de billijkheid bij de begroting van de uitwinningsvergoeding van de handelsagent, RABG 2010, afl. 15-16, 1025-1031

• NAEYAERT, P., LAMBRECHT, B., De conventionele vaststelling van de uitwinningsvergoeding in een handelsagentuurovereenkomst, DAOR 2010, afl. 94, 179-183

• MERTENS, D., De uitwinningsvergoeding van de handelsagent en de invloed van rechtmatige mededinging, RW 2009-10, afl. 42, 1781-1784 en http://www.rw.be (24 juni 2010)

• MERTENS, D., Werd vervolgd. De uitwinningsvergoeding wanneer de agent 'zijn'cliënteel meeneemt, TBH 2009, afl. 3, 248-258

 

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 07/02/2018 - 17:01
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 18:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.