-A +A

Handelsagentuur bijkomende schadeloosstelling heeft ander voorwerp dan verlies cliënteel en derving

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
don, 16/03/2017

Voor zover de handelsagent recht heeft op de uitwinningsvergoeding bepaald in art. X.18 WER en het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, kan de handelsagent, mits hij de werkelijke omvang van de beweerde schade bewijst, boven deze vergoeding schadeloosstelling verkrijgen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding (art. X.19 WER, vroeger art. 21 Wet Handelsagentuurovereenkomst).

De vordering van schadevergoeding op basis van art. 17, tweede lid, c) van de richtlijn moet dus betrekking hebben op andere schade dan de door de klantenvergoeding gedekte schade.

Voor de toekenning van schadevergoeding is niet vereist dat een aan de principaal toerekenbare fout wordt aangetoond, die in oorzakelijk verband staat met de beweerde schade, maar wel dat de beweerde schade verschilt van de door de klantenvergoeding vergoede schade.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1263
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Faillissement NV E.P. t/ NV A.B.

1. De antecedenten en de vorderingen

Het hof sluit aan bij zijn arrest van 23 oktober 2014 en werkt het verder uit.

Het hof herhaalt dat de betwisting tussen de partijen de vergoedingen betreft waarop het faillissement van NV E.P. meent recht te hebben ingevolge de beëindiging door NV A.B. van de handelsagentuurovereenkomst die tussen haar en NV E.P. bestond.

...

Aangaande die vorderingen van de curator had A.B. geconcludeerd tot de volledige afwijzing ervan als ongegrond. Minstens vorderde zij dat de eisen inzake de bijkomende schade met toepassing van art. 21 Wet Handelsagentuurovereenkomst (thans art. X.19 WER) en inzake de commissies zouden worden herleid tot ieder 1 euro bij gebrek aan eender welke gerechtvaardigde afrekening en/of stavingstuk.

In ieder geval vorderde A.B. de afwijzing van de subsidiaire eis van de curator tot aanstelling van een gerechtsdeskundige. Het hof herhaalt dat de eerste rechter wel een deskundige had aangesteld, maar enkel voor de achterstallige commissies, andere voordelen en vergoedingen voor E.P. op basis van haar prestaties voor A.B., waaronder tevens de commissies voor de bemiddeling bij kredietverstrekking.

...

2. Beoordeling

Betreffende de bijkomende vergoeding overeenkomstig art. 21 Wet Handelsagentuurovereenkomst (art. X.19 WER).

1. Voor zover de handelsagent recht heeft op de uitwinningsvergoeding bepaald in art. X.18 WER en het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, kan de handelsagent, mits hij de werkelijke omvang van de beweerde schade bewijst, boven deze vergoeding schadeloosstelling verkrijgen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding (art. X.19 WER, vroeger art. 21 Wet Handelsagentuurovereenkomst).

2. De door de curator bovenop het bedrag van de uitwinningsvergoeding gevorderde bijkomende vergoeding voor de door de gefailleerde werkelijk geleden schade op grond van art. 21 Wet Handelsagentuurovereenkomst/art. X.19 WER bestaat in dit geval uit zes onderdelen. Het betreft (i) kosten, uitgaven en investeringen gemaakt ten behoeve van de handelsagentuur in de agentschappen te Laken en Sint-Agatha-Berchem; (ii) de rentelast van de investeringskredieten; (iii) de aan de bankbedienden betaalde ontslagvergoedingen; (iv) het verlies van de verzekeringsportefeuille; (v) de schade door het faillissement van E.P. en (vi) morele schade.

De eerste rechter wees dit onderdeel van de vordering van de curator volledig af bij gebrek aan bewijs.

Het hof stelde in zijn tussenarrest van 23 oktober 2014 echter voorafgaandelijk de vraag of voornoemde zes schadeposten wel vergoedbare schade uitmaken zoals bedoeld in art. 21 Wet Handelsagentuurovereenkomst, art. X.19 WER. Het hof stelde meer bepaald de vraag of de toepassing van die bepaling niet beperkt is tot het geval van bijkomende cliënteelschade, andere en/of ruimere dan die welke door de uitwinningsvergoeding wordt vergoed. De heropening van het debat strekte er derhalve toe partijen standpunt te laten innemen over de kwestie of de curator op grond van art. 21 Wet Handelsagentuurovereenkomst art. X.19 WER aanspraak kàn maken op vergoeding van een andere dan (bijkomende) cliënteelschade, dan wel of ook art. 21 Wet Handelsagentuurovereenkomst/art. X.19 WER net als art. 20 Wet Handelsagentuurovereenkomst art. X.18 WER er – uitsluitend – toe strekt het verlies aan cliënteel te compenseren.

In de respectieve conclusies na heropening van het debat nam appellant het standpunt in dat de bijkomende vergoeding (enkel) kan worden toegekend voor andere schade dan die welke strekt tot de compensatie van het verlies van cliënteel, terwijl A.B. aansloot bij de stelling in de rechtsleer en de rechtspraak dat de bijkomende schadevergoeding uitsluitend een bijkomende cliënteelvergoeding beoogt. A.B. verdedigde derhalve het standpunt dat de door de curator aangevoerde schadeposten niet kunnen worden vergoed op grond van de bijkomende vergoeding op grond van art. 21 Wet Handelsagentuurovereenkomst, omdat de curator geen bewijs levert van het bestaan van cliënteelschade van een dergelijke omvang dat dit het bedrag van de uitwinningsvergoeding overschrijdt.

3. Nà de neerlegging van die conclusies na heropening van het debat brengen de partijen het arrest bij van het Hof van Justitie van 3 december 2015, gewezen in de zaak C-338/14, op een prejudiciële vraag gesteld door het Hof van Beroep te Brussel in de procedure SPRL Q.K. SPRL t/ SA Beobank en SA Metlife Insurance. Ook de conclusie van de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie wordt neergelegd.

De feiten die aan de grondslag van het arrest-Quenon liggen, zijn vergelijkbaar met huidige zaak. Quenon meende dat de uitwinningsvergoeding die zij van Citibank (nadien Beobank) ontving voor de opzegging van de bankagentuurovereenkomst niet volstond. Zij meende dat overeenkomstig art. 21 Wet Handelsagentuurovereenkomst bovenop de compensatoire opzeggings- en uitwinningsvergoedingen, ook het geheel van haar schade in aanmerking moest worden genomen.

De verweerders voerden aan dat art. 21 Wet Handelsagentuurovereenkomst, in de interpretatie die Quenon eraan geeft, in strijd is met art. 17, eerste tot derde lid, van de Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten.

In die omstandigheden heeft het Hof van Beroep te Brussel aan het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vragen gesteld:

«1. Moet art. 17 van de richtlijn aldus worden uitgelegd dat het de nationale wetgever toestaat te bepalen dat de handelsagent na de beëindiging van de overeenkomst recht heeft op een klantenvergoeding waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan de beloning van één jaar evenals, wanneer het bedrag van die vergoeding niet de volledige, werkelijke geleden schade dekt, op de schadevergoeding ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijke geleden schade en het bedrag van die vergoeding?

«2. Moet meer in het bijzonder art. 17, tweede lid c) van de richtlijn aldus worden uitgelegd dat het slechts een aanvullende schadevergoeding naast de klantenvergoeding toestaat voor zover de principaal de overeenkomst heeft miskend of een onrechtmatige daad heeft gesteld die in oorzakelijk verband staat met de beweerde schade, en voor zover er een schade bestaat die verschilt van de schade die wordt vergoed door de forfaitaire klantenvergoeding?

«3. Indien deze laatste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet het dan om een andere onrechtmatige daad gaan dan de eenzijdige verbreking van de overeenkomst, zoals de betekening van een ontoereikende opzeggingstermijn, de toekenning van een ontoereikende compensatoire opzeggingsvergoeding en van een ontoereikende klantenvergoeding, het bestaan van dringende redenen bij de principaal, een misbruik van het recht om de overeenkomst te verbreken of enige andere onrechtmatige handelswijze, met name inzake marktpraktijken?»

Art. 17, tweede lid, a) en b), van de Richtlijn handelt over de klantenvergoeding.

Art. 17, tweede lid c) van deze richtlijn luidt vervolgens letterlijk: «De toekenning van deze vergoeding laat het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet.» Ook art. 17, derde lid van deze richtlijn handelt over het recht van de handelsagent op herstel van het nadeel dat hem als gevolg van de beëindiging van zijn betrekkingen met de principaal wordt berokkend.

In het arrest-Quenon wordt in randnr. 35 op de eerste vraag geantwoord dat «art. 17, tweede lid van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling waarin is bepaald dat de handelsagent bij de beëindiging van de agentuurovereenkomst zowel recht heeft op een klantenvergoeding van maximum een jaar beloning als op bijkomende schadevergoeding wanneer die vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig dekt, voor zover een dergelijke regeling er niet toe leidt dat de agent tweemaal een vergoeding ontvangt voor het verlies van provisies door de verbreking van die overeenkomst.»

Aangaande de tweede en derde vraag wordt onder meer geoordeeld:

«39. Wat in de tweede plaats de vraag betreft of de schadevergoeding betrekking moet hebben op andere schade dan de door de klantenvergoeding vergoede schade, volgt zowel uit de bewoordingen van art. 17, tweede lid van de richtlijn als uit haar opzet een bevestigend antwoord op deze vraag.

«40. Uit het gebruik van verschillende begrippen voor de twee elementen van het stelsel van klantenvergoeding zoals neergelegd in art. 17, tweede lid van de richtlijn, namelijk «vergoeding» en «schadevergoeding», de omstandigheid dat deze schadevergoeding aanvullend en facultatief is, en de verschillende mate van harmonisatie die de richtlijn met betrekking tot deze twee elementen beoogt, volgt immers dat de schadeloosstelling van de handelsagent door schadevergoeding enkel betrekking kan hebben op andere schade dan de door de klantenvergoeding vergoede schade. Anders zou het in art. 17, tweede lid, b) van de richtlijn neergelegde plafond voor het bedrag van de vergoeding worden omzeild.

«41. De vordering van schadevergoeding op basis van art. 17, tweede lid, c) van de richtlijn moet dus betrekking hebben op andere schade dan de door de klantenvergoeding gedekte schade.

«42. Uit een en ander volgt dat op de tweede en derde vraag moet worden geantwoord dat art. 17, tweede lid, c) van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat voor de toekenning van schadevergoeding niet vereist is dat een aan de principaal toerekenbare fout wordt aangetoond, die in oorzakelijk verband staat met de beweerde schade, maar wel dat de beweerde schade verschilt van de door de klantenvergoeding vergoede schade.»

4. Over de juiste interpretatie die volgens hen aan het arrest-Quenon dient gegeven te worden, is door de partijen niet meer geconcludeerd, ofschoon hen hiertoe bij beschikking van het hof van 28 april 2016 op hun eigen verzoek de mogelijkheid was geboden.

Hierover ondervraagd door het hof ter zitting van 13 januari 2017, namen beide raadslieden het gelijkluidend standpunt in dat het arrest in die zin dient verstaan te worden dat art. 21 Wet Handelsagentuurovereenkomst/art. X.19 WER, dat verwijst naar art. 17, tweede lid, c) van de Richtlijn, er wel degelijk toe strekt andere schade dan het verlies van cliënteel te compenseren. De bijkomende schadevergoeding heeft dus betrekking op alle schade die de handelsagent lijdt omdat de handelsagentuurovereenkomst eindigt, met uitzondering van de cliënteelschade.

Ook dit hof begrijpt het arrest-Quenon in die zin dat de bijkomende schadevergoeding die gevorderd wordt een afzonderlijk voorwerp moet hebben dan de schade die geleden wordt door het verlies van cliënteel, en, hiermee samenhangend, door de derving van de zaken die de agent in de toekomst met dat cliënteel had kunnen realiseren en de vergoedingen die hij eruit had kunnen verwerven. Derhalve is er geen verdere prejudiciële vraagstelling aan het Hof van Justitie van de Europese Unie nodig.

De zes posten waarvoor door de curator schadevergoeding wordt gevorderd, komen dus in principe in aanmerking voor vergoeding op grond van art. 21 Wet Handelsagentuurovereenkomst/art. X.19 WER voormeld, op voorwaarde dat hun bestaan en hun omvang bewezen worden door appellant.

5. In het algemeen neemt het hof bij de beoordeling hierna van de onderscheiden componenten van de vordering van appellant, mee in overweging dat de parlementaire voorbereidingsstukken van de Belgische Wet Handelsagentuurovereenkomst bepalen dat de bijkomende schadevergoeding bedoeld in art. 21, slechts in «bepaalde uitzonderlijke gevallen» (sic) verschuldigd kan zijn (Parl.St. Senaat, buitengewone zitting 1991-92, nr. 355-1, p. 20).

Bovendien dient vermeden te worden dat door de toekenning van al te ruime schadevergoedingen, het recht van de principaal om de overeenkomst op elk ogenblik eenzijdig te beëindigen in het gedrang komt. Meer concreet, nu het Hof van Justitie oordeelt dat de aanspraak op de bijkomende vergoeding geen fout van de principaal veronderstelt, moet worden vermeden dat vergoeding van alle schade overcompenserend is en de agent prikkels zou geven om overmatig te investeren, engagementen op lange termijn aan te gaan en/of zich tot zware opzeggingsvergoedingen te verbinden (D. Mertens, «Welke schade vergoedt de bijkomende vergoeding van de handelsagent?», RW 2008-09, (1693), p. 1695, nr. 5).

Met geïntimeerde stelt het hof in deze context vast dat de in hoofdsom gevorderde bijkomende schadevergoeding maar liefst 1.964.330,01 euro bedraagt, wat in schril contrast staat met de toegekende opzeggings- en uitwinningsvergoeding voor samen 170.044,89 euro in hoofdsom.

Daartegenover staat dat niet kan worden ingegaan op het verweer van A.B. dat de vordering van de curator tot bijkomende schadevergoeding sowieso geheel ongegrond is omdat de agentuurovereenkomst in werkelijkheid is beëindigd wegens nalatigheden begaan door E.P. en haar aangestelden. Bij de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst per brief van 21 oktober 2009 heeft geïntimeerde zich geenszins op motieven van die aard beroepen als ernstige tekortkoming van de zijde van de agent.

6. De kosten van de investeringen die door de handelsagent werden gemaakt om de agentuurovereenkomst te kunnen uitvoeren, in zoverre zij bij de beëindiging van het contract nog niet zijn afgeschreven, en die door de beëindiging elk nut hebben verloren voor de voormalige handelsagent, kunnen voor schadevergoeding in aanmerking komen.

6.1. Appellant zet uiteen dat het agentschap in Laken werd ondergebracht in een pand dat eigendom is van de h. H.E.M., oprichter-bestuurder van E.P. Deze voerde werken uit in het pand teneinde het dienstig te maken voor de uitbating van de bankagentuur, die nadien in natura voor een waarde van 500.000 euro door hem werden ingebracht bij de oprichting van E.P. Hij meent aan de hand van een eenzijdig opgemaakte expertise van 2 mei 2012 door de h. F. (met foto’s) te kunnen aantonen op welke specifieke wijze het pand werd ingericht als bankfiliaal, waarbij volgens hem nauwgezet de instructies en het advies van de bank dienden gevolgd te worden, onder meer inzake alarmsystemen, bewakingssystemen, branddetectoren, veiligheidssas, gepantserd glas en gepantserde deuren, beveiliging kluis, inrichting self-service, etc. De h. F. raamt de uitgevoerde werken (exclusief btw) op een totaalbedrag van 370.374,63 euro, waarbij appellant ook verwijst naar het bedrijfsrevisoraal waarderingsverslag met bijgevoegde facturen over de inbreng in natura van de uitgevoerde werken. Uitgaande van een lineaire afschrijvingstermijn van tien jaar voor deze werken, waarbij voor de jaren 2006 tot en met 2009 derhalve telkens 37.037,46 euro afschrijving in mindering wordt gebracht, kan volgens appellant de netto-boekwaarde op 31 december 2009 redelijkerwijze worden geraamd op 222.224,79 euro. Dit bedrag dient volgens appellant ten laste te worden gelegd aan A.B.

Het hof wijst erop dat dit bedrag in eerste aanleg nog meer dan 740.000 euro bedroeg.

6.2. Voor het agentschap in Sint-Agatha-Berchem is volgens appellant het bedrag van 419.848,83 euro als verlies ten laste te leggen van A.B. (in eerste aanleg was dit 927.403,42 euro).

Hij zet uiteen dat het onroerend goed is aangekocht door E.P. op 3 december 2008 tegen de prijs van 575.117,72 euro, kosten inbegrepen, uitgesplitst over 150.000 euro voor het terrein en 425.117,72 euro voor de constructie.

Het terrein wordt niet afgeschreven en het gebouw wordt lineair afgeschreven over 33 jaar. De afschrijvingen van telkens 12.881,07 euro worden in rekening gebracht voor 2008 en 2009, zodat de nettoboekwaarde van het gebouw op 31 december 2009 volgens appellant redelijkerwijze kan worden geraamd op 399.355,58 euro.

In het kader van het faillissement is het gebouw in 2013 verkocht met de inboedel tegen de prijs van 230.000 euro, welk bedrag door appellant in mindering wordt gebracht van zijn eis.

De uitgevoerde werken aan het pand opdat het als bankagentschap zou kunnen worden gebruikt, worden door de h. F. in een verslag van 2 mei 2012 geraamd op 125.616,55 euro exclusief btw. Rekening houdend met een lineaire afschrijving over tien jaar, is volgens appellant tweemaal 12.561,65 euro (2008 en 2009) af te trekken, zodat hij de nettoboekwaarde van de werken op 31 december 2009 schat op 100.493,25 euro.

Samenvatting van zijn vordering: 150.000 euro + 399.355,58 euro = 549.355,58 euro min 230.000 euro = 319.355,58 euro + 100.493,25 euro.

6.3. Voor de aankoop noch voor de inrichting van het pand in Sint-Agatha-Berchem komt aan appellant enig vergoedingsrecht toe.

Het is geenszins bewezen dat de opening van dit tweede agentschap zou hebben plaatsgevonden op uitdrukkelijke vraag, laat staan onder druk, van A.B. Integendeel blijkt uit de e-mailberichten die aan de oorsprong liggen van de opening van het agentschap in Sint-Agatha-Berchem dat dit project een initiatief was van E.P. en alleen van haar, wat er niet aan in de weg staat dat nadien de bank haar akkoord verleende eveneens bijstand in de verwezenlijking van het project.

De aankoop van het pand betrof evenwel een vrije beslissing van de agent. E.P. verkoos deze oplossing boven de goedkopere optie voorgesteld door de bank, zijnde de overname van een reeds bestaand (en dus voor een bankfiliaal uitgerust) agentschap, gelegen (...) in een huurpand.

6.4. Voor de becijfering van de bijkomende schadevergoeding wegens de investeringen in het pand in Laken wordt aan deskundige D., aangesteld door de eerste rechter met een beperkte zending, een aanvullende opdracht gegeven. Door de eerste rechter was de h. D. enkel aangesteld om advies te verlenen over de achterstallige commissies, andere voordelen en vergoedingen voor E.P.

Het pand in Laken diende onmiskenbaar aanpassingen te ondergaan teneinde dienstig te zijn als bankkantoor voor A.B. Voor de becijfering van de hierbij door de beëindiging van de agentuurovereenkomst door E.P. geleden schade, kan niet worden gestoeld op het verslag van de h. F. dat eenzijdig op louter verzoek van appellant is opgesteld. De h. F. was trouwens een werknemer van E.P.

Een deskundigenonderzoek is nodig om op tegenspraak na te gaan aan de hand van de stukken en eventueel een plaatsbezoek (het is onduidelijk of dit pand nog eigendom is van de h. E.M. en nog in de vroegere staat kan worden bezichtigd) of de door appellant aangevoerde investeringen om van het pand een bankfiliaal van A.B. te maken, werden verwezenlijkt, en zo ja, in welke mate. Het hof stelt vast dat verschillende van de door appellant ter staving van die bewering bijgebrachte documenten slechts bestelbonnen en offertes betreffen maar geen facturen, terwijl van andere posten geen rechtvaardiging door stukken wordt overgelegd.

De deskundige dient na te gaan welk deel van de in het gebouw gedane investeringen effectief gerealiseerd werden voor het functioneren van het bankfiliaal van A.B. Kennelijk werd slechts een deel van het gebouw gebruikt voor dit bankfiliaal, terwijl andere lokalen werden gebruikt door E.P. persoonlijk en/of haar bestuurders en/of voor de tak Verzekeringen. Voor de investeringen gedaan met het oog op privégebruik dan wel met het oog op de uitbating van de tak «Verzekeringen» door E.P. kan van A.B. geen vergoeding worden gevraagd. De deskundige zal hierbij tevens oog hebben voor de vraag welke investeringen effectief noodzakelijk waren voor de uitvoering van de bankagentuurovereenkomst. A.B. dient niet in te staan voor niet-gerechtvaardigde of bovenmatig grote investeringen. Als voorbeeld wijst zij op een veel te kostelijke en luxueuze wijze van renovatie van het gebouw met bv. gebruik van duur Italiaans marmer, grote kosten voor informatica, terwijl zij aan haar agent het nodige materiaal ter beschikking stelde en enkel dit materiaal mocht worden gebruikt voor bancaire verrichtingen. De deskundige zal nagaan of de door E.P. gemaakte kosten buitensporig waren, rekening houdend met o.m. de omvang van het te ontwikkelen agentschap.

In zijn afrekening van de voor E.P. door de beëindiging van de agentuur verloren gegane investeringen zal de deskundige rekening houden met de gedane afschrijvingen en met de opbrengst van de realisatie van de goederen door de curatele, maar ook met de contractueel tussen de partijen bedongen tussenkomsten die betrekking hadden op de realistatie van het businessplan, eerst in de bijzondere samenwerkingsovereenkomst van 8 november 2005 en nadien aangepast in de overeenkomst van 11 december 2007. Het betreft met name geplafonneerde tussenkomsten in de kosten voor de inrichting van het bankkantoor, tussenkomsten voor de huur van een self-service, tussenkomsten voor personeelskosten in de vorm van een bijkomende commissie met een degressief plafond en jaarlijkse terbeschikkingstelling van een commercieel budget. Ook met de tussenkomsten door de bank die niet gerelateerd waren aan de realisatie van het businessplan moet rekening worden gehouden, zijnde een marketingbudget, een budget voor publiciteit, tussenkomst in de kosten van een fiscaal raadsman en gratis configuratie van de informatica, dit alles tijdens welbepaalde jaren.

7. Appellant zet uiteen dat er grote schulden door E.P. werden gemaakt teneinde aan de eisen en doelstellingen van de bank te voldoen waartoe haar door A.B. investeringskredieten werden toegestaan, met name voor de aankoop van het gebouw in Sint-Agatha-Berchem op 18 november 2008 en een roerend investeringskrediet toegestaan op 23 juni 2008. Zij vordert als bijkomende schadevergoeding de rentelast van die kredieten, die zij berekent op 332.882,90 euro voor het onroerend investeringskrediet (5,968% op 500.000 euro) en op 71.328,80 euro voor het roerend investeringskrediet (5,910% op 260.000 euro), zijnde in totaal 404.211,70 euro.

Appellant geeft niet aan op welke grondslag A.B. tot betaling van het gevorderde zou dienen gehouden te zijn. Voor de eerste rechter werd deze vordering niet gesteld.

A.B. heeft voor de openstaande saldi van de kredieten aangifte moeten doen in het passief van het faillissement van E.P.

Zoals hierboven uiteengezet, kan appellant op grond van het krediet toegestaan voor de verwerving van het gebouw in Sint-Agatha-Berchem op geen enkele vergoeding aanspraak maken.

Nog los van dat alles maakt deze schadepost doublure uit met wat appellant vordert als vergoeding voor de ingevolge het einde van de agentuurovereenkomst verloren zijnde investeringskosten.

Dit onderdeel van de vordering van de curator is ongegrond.

8. Opzeggingsvergoedingen betaald aan het ontslagen personeel kunnen voor schadevergoeding in aanmerking komen op grond van art. X.19 WER, althans in zoverre de opzeggingstermijn die de agent aan zijn personeel moest toestaan de duur van de door de agent zelf gekregen opzeggingstermijn overschrijdt.

Onder verwijzing naar zijn stukken nrs. 95 en 97 argumenteert appellant dat wegens de verbreking van de handelsagentuurovereenkomst, de bankbedienden B.A.S. en A.-I.K. die op dat ogenblik nog in dienst waren, dienden ontslagen te worden door E.P. en hen een bruto-opzegvergoeding moest worden betaald van respectievelijk 10.440 euro en 7.062,93 euro = 17.502,93 euro, welk bedrag wordt gevorderd van A.B.

Ook hier wijst het hof erop dat de vordering op deze grondslag voor de eerste rechter nog 190.811 euro bedroeg.

Het hof stelt vast dat mevr. A.-I.K. was aangeworven voor de dienst «verzekeringen» van E.P. Dit blijkt uit de stukken van geïntimeerde waarop de dame als verantwoordelijke voor de verzekeringen wordt voorgesteld, wat ook zo is vermeld in haar bij dat stuk gehechte arbeidsovereenkomst.

Ten tweede is geïntimeerde kennelijk vreemd aan het ontslag van A.-I.K., omdat zij een opzeg betekend kreeg op 24 september 2009, terwijl de beëindiging van de agentuurovereenkomst door de bank slechts plaatsvond bij brief van 21 oktober 2009. Het staat dus geenszins vast dat het ontslag van deze bediende het gevolg is van het verlies van het mandaat als bankagent door E.P.

S.B.A. werd opgezegd op 26 oktober 2009, met een opzeggingstermijn tot 1 februari 2010, terwijl de agentuurovereenkomst tussen A.B. en E.P., na een verlenging, is beëindigd met ingang van 1 december 2009. Voor zover E.P. de veroordeling bij vonnis van de Arbeidsrechtbank te Brussel van 21 september 2010 effectief heeft betaald, zou zij recht hebben op een bijkomende schadevergoeding voor de maanden december 2009 en januari 2010. Bij gebrek aan stukken hieromtrent wordt dit onderdeel van de eis van appellant mee opgenomen in de bijkomende opdracht aan de deskundige.

9. Appellant raamt het verlies op de verzekeringsportefeuille als rechtstreeks gevolg van de verbreking van de handelsagentuur op driemaal het jaargemiddelde van de commissies op de verzekeringsportefeuille, zijnde 3 x 170.000 euro of 510.000 euro.

Volgens appellant leidde de verbreking van de handelsagentuurovereenkomst rechtstreeks tot het verlies van klanten op de verzekeringsportefeuille die bij het agentschap van E.P. hun rekeningen aanhielden en door de bank werden getransfereerd naar een ander bank- én verzekeringsagentschap. Die klanten werden volgens appellant door A.B. benaderd en gevraagd hun verzekeringspolissen over te brengen naar het agentschap dat voortaan ook hun rekeningen zou beheren. Appellant meent dus dat dit de facto leidde tot de verbreking door A. Verzekeringen van de overeenkomst die zij had gesloten met E.P., ook al werd een opzeg van die overeenkomst nooit formeel betekend en werd er evenmin ooit enige vergoeding voor de overgebrachte klantenportefeuille door A. Verzekeringen aan E.P. betaald.

Dit onderdeel van de eis van appellant wordt ongegrond verklaard.

Met de eerste rechter meent het hof dat het gegeven dat klanten van het bankagentschap ook de overstap zouden hebben gemaakt inzake hun verzekeringsportefeuilles niet aan A.B. toe te schrijven is. Dit geldt des te meer nu E.P., die zich van dit risico bewust moest zijn, niet aangeeft acties ondernomen te hebben om het verzekeringscliënteel aan zich te binden.

Bovendien heeft E.P. in maart 2010 haar verzekeringsportefeuille verkocht aan de heren T. en G. tegen de prijs van 36.000 euro. Dat het cliënteel voor de verzekeringen toen al grotendeels vertrokken was naar een andere bankagent/verzekeringsmakelaar van A. door manoeuvres van de bank of haar agenten, blijkt niet.

Als basis voor de prijsbepaling is uitgegaan van de inkomsten van het jaar 2009 (art. 4).

10. Appellant ziet het faillissement van E.P. als een rechtstreeks gevolg van de verbreking van de handelsagentuurovereenkomst door A.B. Zij wijst erop dat volgens het vijfde en laatste proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen van 27 februari 2012 er voor een bedrag van in totaal 1.947.203,01 euro aan schuldvorderingen is ingediend in het faillissement van E.P., waarvan voorlopig door de curator een bedrag van 125.541,76 euro is aanvaard.

In afwachting dat de omvang van het passief van het faillissement op definitieve wijze komt vast te staan, wordt de schade door de appellant voorlopig geraamd op 125.541,76 euro provisioneel.

Niet bewezen is dat deze schade (die trouwens geen rekening houdt met het actief van het faillissement) voorkomt uit de beslissing van geïntimeerde om een einde te maken aan de agentuurovereenkomst.

E.P. had een andere bankinstelling kunnen vinden om mee samen te werken na de verbreking van de overeenkomst door A.B. Bovendien blijkt A. aan E.P. te hebben voorgesteld de samenwerking voort te zetten als kredietbemiddelaar, wat deze heeft geweigerd.

Het hof stelt ook vast dat appellant niet tegenspreekt dat de jaarrekening van 2008 door E.P. niet werd gepubliceerd, er sedert begin 2009 een achterstand op de leningen bij A. bestond en E.P. sedert april 2009 was aangegeven als slechte betaler bij de dienst «Coface». Voorts diende de latere gefailleerde midden 2009 reeds verschillende akkoorden te sluiten met diverse gerechtsdeurwaarders.

Voor het jaar 2008 werd door E.P. geen enkel van de streefcijfers behaald.

Vanaf het boekjaar 2006 waren er aanzienlijke overgedragen verliezen. In die omstandigheden is het oorzakelijk verband tussen de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst en het faillissement in het geheel niet bewezen. Bij gebrek aan dat bewijs wordt appellant van zijn eis afgewezen.

11. Volgens appellant kon E.P. na de verbreking van de agentuurovereenkomst nergens nog aan de slag in het bank- en financiewezen noch in het verzekeringswezen, omdat haar goede naam was beklad. De schade geleden als imago- en publiciteitsschade raamt zij in billijkheid op 35.000 euro.

Geen bewijs wordt geleverd van het beweerde zwartmaken door A.B. van E.P. bij cliënten of andere bank- of verzekeringsinstellingen. Evenmin wordt enig stuk bijgebracht dat aannemelijk maakt dat een andere bank door E.P. werd benaderd maar werd afgewezen.

De eis kan niet worden toegekend.

Noot: 

• HvJ, 3 december 2015, arrest nr. C-338/14, JLMB 2016, 1094, noot P. Crahay («Une indemnisation complémentaire pour les agents commerciaux»), RW 2016-17, 1180, noot D. Mertens («De bijkomende schadevergoeding voor de handelsagent. Eindelijk uitgeklaard?»).

• Revue de Jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles [JLMB] DEJOLLIER, Alice; KILESTE, Patrick; Observations 'La question de la nature du préjudice couvert par l'indemnité complémentaire due à l'agent commercial: une controverse aujourd'hui tranchée' 2017, n° 12, p. 542-548.

• Bulletin Juridique et Social [B.J.S.] RUE, Guillaume; Note 'Agent commercial: l'indemnité complémentaire couvre un préjudice distinct de celui couvert par l'indemnité d'éviction' 2017, n° 587, p. 11.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 01/04/2018 - 14:26
Laatst aangepast op: vr, 11/05/2018 - 00:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.