-A +A

Handelsagentuur bijkomende schadeloosstelling bovenop uitwinningsvergoeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 27/05/2016
A.R.: 
C.15.0292.F

De in artikel 21 van de wet van 13 april 1995 bedoelde bijkomende schadeloosstelling kan, bijgevolg, slechts een schade dekken die onderscheiden is van die welke wordt gedekt door de in artikel 20 bedoelde uitwinningsvergoeding.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1011
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.15.0292.F
BEOBANK nv,
tegen
MICHEL GUILIN bvba.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 31 januari 2014.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 17, inzonderheid § 1 en 2, en 19 van Richtlijn 86/653/EEG van 18 december 1986 van de Raad inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten;
- de artikelen 20 en 21 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst;
- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de bepalingen van internationaal recht (met inbegrip van het gemeenschapsrecht) met directe werking in het interne recht voorrang hebben op alle nationale normen.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest beslist dat de verweerster recht heeft op een bijkomende vergoeding van 38.223,44 euro ten laste van de eiseres, op grond van de onderstaande redenen:

"18. [...] Het recht op de bijkomende schadeloosstelling bepaald door [artikel 21 van de wet van 13 april 1995] is onderworpen aan twee voorwaarden. Ten eerste moet de agent recht hebben op een uitwinningsvergoeding overeenkomstig artikel 20. Het wordt niet betwist dat die eerste voorwaarde hier vervuld is met betrekking tot [de eiseres], die daarvoor spontaan 139.515,27 euro heeft betaald. Daarentegen was MetLife geen enkele uitwinningsvergoeding verschuldigd [...], zodat de vordering tot bijkomende vergoeding ten laste van laatstgenoemde hoe dan ook niet kan worden aangenomen.

Ten tweede moet de agent een schade hebben geleden die het bedrag van de uitwinningsvergoeding te boven gaat. Het bestaan en het bedrag van de schade moeten door de agent worden bewezen. De bijkomende vergoeding van artikel 21 is in dat geval gelijk aan het resterende deel van de werkelijke schade in verhouding tot het bedrag van de uitwinningsvergoeding van artikel 20.

De uitwinningsvergoeding en de bijkomende vergoeding strekken allebei ertoe het klantenverlies te compenseren (Cass., 5 november 2009, AC 2009, nr. 642). Voor de berekening van de bijkomende vergoeding kan enkel schade met betrekking tot klanten in aanmerking worden genomen (Brussel, 10 juni 2013, D.A.O.R., 2013, 378; Antwerpen, 14 februari 2005, NjW, 2005, 669; D. Mertens, ‘Welke schade vergoedt de bijkomende vergoeding van de handelsagent ?', RW, 2008-2009, 1693; contra: Luik, 7 maart 2013, D.A.O.R., 2013, 369; Luik, 28 juni 2007, J.L.M.B., 2009, 1369; M. Willemart en St. Willemart, ‘Les agents autonomes', T.P.D.C., t. II (2e ed.), nr. 947; P. Kileste en C. Staudt, ‘Du dommage réparable au sens de l'article 21 van de wet du 13 avril 1995', J.L.M.B., 2009, 1382; voor een uiteenzetting over de controverse, zie P. Naeyaert, ‘Acte équipollent à rupture en bijkomende schadevergoeding in het handelsagentuurecht', D.A.O.R., 2013, p. 386, nr. 15). Die vergoeding wordt inderdaad slechts toegekend aan de agent die een uitwinningsvergoeding ontvangt en dus klanten heeft aangebracht; indien artikel 21 ertoe zou strekken andere soorten schade te vergoeden, bijvoorbeeld nog niet afgeschreven investeringen, valt niet te begrijpen waarom het aan die voorwaarde onderworpen zou zijn. De opzeggingsvergoeding van artikel 18, § 3, kan trouwens niet worden toegerekend op de bijkomende vergoeding, in tegenstelling tot de uitwinningsvergoeding; welnu, sommige schade, die geen verband houdt met klanten, zoals de opzeggingsvergoedingen die verschuldigd zijn aan het personeel van de agent, worden ten minste gedeeltelijk gedekt door de opzeggingsvergoeding die wordt berekend op grond van de brutovergoeding van de agent, zodat er een dubbele vergoeding zou zijn indien die schade ook in aanmerking zou worden genomen voor de berekening van de bijkomende vergoeding.
19. In deze zaak bood het bankcliënteel van het Citibank-contract [de verweerster] de mogelijkheid om niet alleen bankproducten [van de eiseres] te verkopen, (d.w.z. voornamelijk consumentenkredieten) maar ook schuldsaldoverzekeringspolissen van MetLife.

Een schuldsaldoverzekering kan in beginsel slechts worden verkocht samen met een krediet: een dergelijke polis heeft geen enkel belang voor de verzekerde indien zij niet gepaard gaat met een krediet. Bovendien is het krediet het hoofdproduct voor de klant waarbij de schuldsaldoverzekering slechts een toebehoren is.

De intellectuele demarche van de klant bestaat erin dat hij eerst beslist een krediet te nemen om vervolgens daaraan eventueel een schuldsaldoverzekering toe te voegen. Een omgekeerde demarche heeft geen zin: we kunnen ons niet inbeelden dat een klant eerst beslist een schuldsaldoverzekering te sluiten en vervolgens de opportuniteit onderzoekt om een daarmee overeenstemmende lening aan te gaan.

Het verlies van de bankklanten van [de eiseres] leidde dus noodzakelijkerwijs aan de zijde van [de verweerster] tot het verlies van de hele zakenstroom bestaande in schuldsaldoverzekeringspolissen van MetLife. Dat vormt een schade waarvan de werkelijkheid niet kon worden betwist en die voortvloeit uit de beëindiging van het Citibank-contract en uit het verlies van de bankklanten.

Het gaat bijgevolg niet, in tegenstelling tot hetgeen [de eiseres] en MetLife aanvoeren, om een schade die eigen is aan het MetLife-contract; dezelfde schade zou weliswaar zijn ontstaan indien het MetLife-contract was beëindigd, maar dat neemt niet weg dat, in deze zaak, enkel de beëindiging van het Citibank-contract die schade heeft veroorzaakt.

Het komt evenmin, in tegenstelling tot de toestand die het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft beoordeeld in zijn arrest van 26 maart 2009 (C-348/07, Turgay Semen t/ Deutsche Tamoil GmbH), erop aan rekening te houden met de voordelen die MetLife heeft gehaald uit de beëindiging van het Citibank-contract, maar veeleer rekening te houden met een bestanddeel van [verweersters] schade die, ofschoon zij bestaat in het verlies van de inkomsten uit het MetLife-contract, het gevolg is van de beëindiging van het Citibank-contract en uit het verlies van de bankklanten van [de eiseres].
20.

De in paragraaf 19 besproken schade is rechtstreeks verbonden met de klanten en komt dus in beginsel in aanmerking voor een bijkomende vergoeding.
[De verweerster] kon weliswaar nog schuldsaldoverzekeringspolissen verkopen aan klanten die elders dan bij [de eiseres] een lening aangaan, en inzonderheid aan de klanten van haar nieuwe Record Bank-agentschappen. Maar dat vereiste voor haar de opbouw van een nieuw cliënteel; de werkelijke toestand was zo dat vóór de beëindiging van het Citibank-contract, alle schuldsaldoverzekeringspolissen die door [de verweerster] verkocht werden, aan de bankklanten van [de eiseres] werden verkocht en dat die klanten verdwenen zijn op 16 april 2007 met de beëindiging van de Citibank-agentuurovereenkomst.

21. De schade die [de verweerster] heeft geleden wegens het verlies van de bankklanten overschrijdt het bedrag van de uitwinningsvergoeding die zij heeft ontvangen;

Die schade omvat twee bestanddelen: het verlies van de door die klanten gegenereerde inkomstenstroom via de bankproducten en het verlies van de door diezelfde klanten gegenereerde inkomstenstroom via de schuldsaldoverzekeringen. Het eerste bestanddeel wordt terdege gecompenseerd door de uitwinningsvergoeding die [de eiseres] heeft betaald. Die vergoeding werd berekend op grond van de historische commissies die [de verweerster] van [de eiseres] uitsluitend op de bankproducten heeft ontvangen (twaalf maanden commissies op grond van het gemiddelde van de laatste vijf jaren). Zij heeft het verlies van de inkomsten van bancaire aard volledig vergoed, maar ook niet meer dan dat. Het tweede bestanddeel van de schade, dat bestaat in het verlies van inkomsten uit de verzekeringen, beantwoordt dus exact aan de maatstaf van excedentaire schade die door de bijkomende vergoeding moet worden gedekt.

22. De waarde van de door [de verweerster] gederfde verzekeringsinkomsten kan hier niet anders dan ex aequo et bono worden geraamd. Het is immers onmogelijk om een alternatieve werkelijkheid opnieuw tot leven te roepen, waarin het Citibank-contract niet zou zijn beëindigd en te observeren hoeveel commissies [de verweerster] ten laste van MetLife in een dergelijk scenario zou hebben verdiend.

Gelet op het parallellisme dat bestond tussen de twee zakenstromen acht het hof [van beroep] het verantwoord dat voor de raming van de waarde van de ‘verzekeringen'stroom dezelfde parameters in aanmerking worden genomen dan die welke door de partijen werden gekozen voor de berekening van de uitwinningsvergoeding, die, zoals vermeld in paragraaf 21, overeenstemt met de bancaire zakenstroom. De ‘bancaire' uitwinningsvergoeding ‘werd vastgesteld op twaalf maanden commissies berekend op grond van het gemiddelde van de vijf jaren voorafgaand aan de beëindiging. [De verweerster] betoogt dat die parameters, als ze worden toegepast op de verzekeringsproducten, leiden tot een bedrag van 38.223,44 euro; zij legt de borderellen over van de commissies die zij ten laste van Citilife en vervolgens van MetLife heeft ontvangen. De berekening wordt niet betwist door MetLife.

Het hof [van beroep] merkt op dat [de eiseres] de activiteiten van het agentschap in Fleurus doorverkocht heeft aan de rechtsopvolger [van de verweerster], bij overeenkomst van 16 april 2007, voor de prijs van 155.000 euro. Die prijs is hoger dan de 139.515,27 euro uitwinningsvergoeding die voor dezelfde activiteit en voor dezelfde periode [aan de verweerster] is betaald. Dit is uiteraard niet doorslaggevend omdat de bijkomende vergoeding wordt gemeten in verhouding tot de door de agent geleden schade en niet in verhouding tot de door de principaal verkregen voordelen, maar versterkt het hof [van beroep] in het idee dat de slotsom waartoe het gekomen is voorts niet onredelijk is.

23. [De verweerster] vordert dat de berekening van de bijkomende vergoeding, naast de 38.223,44 euro die in paragraaf 22 zijn toegekend, ook een bedrag omvat van 9.703,05 euro dat overeenstemt met de opzeggingsvergoeding (namelijk zes maanden commissie berekend op grond van het gemiddelde van de laatste twaalf maanden).

De beëindiging met onmiddellijke uitwerking van het Citibank-contract heeft [de verweerster] uiteraard de bezoldiging ontzegd die MetLife haar normaal gezien had betaald gedurende de opzeggingstermijn van zes maanden die [de eiseres] [haar] diende toe te kennen krachtens artikel 18, § 1, van de wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst.

Die schadepost maakt echter geen deel uit van de posten die vergoed kunnen worden op grond van artikel 21 van de wet. Zoals hierboven vermeld in paragraaf 18 is op grond van artikel 21 enkel de vergoeding van de schadepost betreffende het klantenverlies mogelijk. De bezoldiging die MetLife tijdens de opzeggingstermijn zou hebben betaald of de opzeggingsvergoeding die zij had moeten betalen indien zij de overeenkomst met [de verweerster] had beëindigd, hebben een ander voorwerp en kunnen niet ten laste van [de eiseres] worden gelegd door middel van een bijkomende vergoeding. De excedentaire schade betreffende het klantenverlies die artikel 21 vergoedt, wordt integraal hersteld door het hierboven toegekende bedrag van 38.223,44 euro.

Dat aspect van de vordering [van de verweerster] doelt in werkelijkheid op een verhoging van de door [de eiseres] verschuldigde opzeggingsvergoeding bovenop het door artikel 18, § 3, van de wet vastgelegde forfait, wat niet kan worden aangenomen.

24. [De eiseres] en MetLife voeren het gezag aan van beslissingen uit de jurisprudentie die in soortgelijke omstandigheden zijn gewezen, waarin de betrokken handelsagent ook twee overeenkomsten had gesloten met respectievelijk [de eiseres] en MetLife. Die precedenten vertonen echter geen incoherentie met de slotsom waartoe het hof [van beroep] hier komt.

Het arrest van 19 maart 2008 van de achtste kamer van het hof [van beroep] (AR 2005/AR/2662, Joossens t/ Citibank Belgium en MetLife Insurance, gedeeltelijk gepubliceerd in R.A.B.G., 2010, 1080, en in RW, 2008-2009, 1691) verwerpt de vorderingen van de agent betreffende opzeggings- en uitwinnigsvergoedingen die ook op grond van verzekeringscommissies zijn berekend. Die vorderingen zijn vergelijkbaar met die welke het hof [van beroep] ook in deze zaak, in de paragrafen 2 en 4, om grotendeels soortgelijk redenen verwerpt. In de zaak Joossens werd geen enkele vordering tot bijkomende vergoeding "artikel 21" ingesteld.

Ook het vonnis van 6 november 2007 van de rechtbank van koophandel te Brussel (AR 06/08364, Wauters & Co t/ Citibank Belgium en MetLife Insurance) betrof uitsluitend vorderingen van opzeggings- en uitwinningsvergoedingen, die door de rechtbank werden verworpen om redenen die vergelijkbaar zijn met die welke het hof [van beroep] hier in aanmerking neemt, en had evenmin betrekking op een vordering tot bijkomende vergoeding.

25. Kortom, [de verweerster] heeft recht op een bijkomende vergoeding van 38.223,44 euro, maar enkel ten laste van [de eiseres]."

Grieven

Artikel 17 van Richtlijn 86/653/EEG van 18 december 1986 van de Raad inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lidstaten inzake zelfstandige handels-agenten bepaalt:

"1. De Lidstaten nemen de nodige maatregelen om te bewerkstelligen dat de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, vergoeding volgens lid 2 of herstel van het nadeel volgens lid 3 krijgt.
2. a) De handelsagent heeft recht op een vergoeding indien en voor zover:

- hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de transacties met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid en de transacties met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren, en
- de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de uit de transacties met deze klanten voortvloeiende provisie, die voor de handelsagent verloren gaat. De Lidstaten kunnen bepalen dat genoemde omstandigheden ook het al dan niet toepassen van het concurrentiebeding in de zin van artikel 20 kunnen omvatten.

b) Het bedrag van de vergoeding mag niet meer bedragen dan een cijfer dat over-eenkomt met een jaarlijkse vergoeding berekend op basis van het jaarlijkse gemiddelde van de beloning die de handelsagent de laatste vijf jaar heeft ontvangen of, indien de overeenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd, berekend over het gemiddelde van die periode.

c) De toekenning van deze vergoeding laat het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet.

3. De handelsagent heeft recht op herstel van het nadeel dat hem als gevolg van de beëindiging van zijn betrekkingen met de principaal wordt berokkend.

Dit nadeel vloeit in het bijzonder voort uit de beëindiging van de overeenkomst onder omstandigheden waarbij:

- de handelsagent niet de provisies krijgt die hij bij normale uitvoering van de overeenkomst zou hebben ontvangen, waardoor de principaal een aanzienlijk voordeel geniet van de activiteiten van de handelsagent;
- en/of de handelsagent niet de kosten en uitgaven kan dekken die hij op advies van de principaal ten behoeve van de uitvoering van de overeenkomst op zich heeft genomen.

4. Het in lid 2 bedoelde recht op vergoeding of het in lid 3 bedoelde recht op herstel van het nadeel ontstaat eveneens wanneer door het overlijden van de handelsagent de overeenkomst wordt beëindigd.

5. De handelsagent verliest het recht op vergoeding in de in lid 2 bedoelde gevallen of op herstel van het nadeel in de in lid 3 bedoelde gevallen, indien hij de principaal niet binnen een jaar na de beëindiging van de overeenkomst ervan in kennis heeft gesteld dat hij voornemens is zijn rechten geldend te maken.

6. Binnen acht jaar na kennisgeving van deze Richtlijn legt de Commissie aan de Raad een verslag voor over de uitvoering van dit artikel en legt, in voorkomend geval, wijzigingsvoorstellen voor."

In het Belgisch recht werd artikel 17 van de Richtlijn als volgt omgezet in de wet:

"Artikel 20. Na de beëindiging van de overeenkomst heeft de handelsagent recht op een uitwinningsvergoeding wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren.
Indien de overeenkomst voorziet in een concurrentiebeding, wordt de principaal geacht, behoudens tegenbewijs, nog aanzienlijke voordelen te krijgen.

Het bedrag van deze uitwinningsvergoeding wordt bepaald rekening houdend zowel met de gerealiseerde uitbreiding van de zaken als met de aanbreng van klanten.

De uitwinningsvergoeding mag niet meer bedragen dan het bedrag van een jaar vergoeding berekend op basis van het gemiddelde van de vijf voorafgaande jaren of op basis van de gemiddelde vergoeding in de voorafgaande jaren indien de overeenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd.

De uitwinningsvergoeding is niet verschuldigd:

1° indien de principaal de overeenkomst heeft beëindigd vanwege een aan de agent te wijten ernstige tekortkoming zoals bepaald in artikel 19, eerste lid;
2° indien de handelsagent de overeenkomst heeft beëindigd, tenzij de beëindiging voortvloeit uit een aan de principaal te wijten reden, zoals bepaald in artikel 19, eerste lid, of het gevolg is van leeftijd, invaliditeit of ziekte van de handelsagent op grond waarvan redelijkerwijze niet meer van hem kan worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden voortzet;
3° indien de handelsagent of diens erfgenamen, overeenkomstig een afspraak met de principaal, hun rechten en verplichtingen uit hoofde van de agentuurovereenkomst aan een derde overdragen.
De handelsagent verliest zijn recht op de uitwinningsvergoeding indien hij de principaal niet binnen een jaar na de beëindiging van de overeenkomst ervan in kennis gesteld heeft dat hij voornemens is zijn rechten te doen gelden.

Art. 21. Voor zover de handelsagent recht heeft op de uitwinningsvergoeding be-paald in artikel 20 en het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, kan de handelsagent, mits hij de werkelijke omvang van de beweerde schade bewijst, boven deze vergoeding schadeloosstelling verkrijgen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding."

Eerste onderdeel

Artikel 20 van de wet vormt de omzetting naar Belgisch recht van de optie waarvan sprake is in artikel 17.2 van de Richtlijn. De Belgische wetgever heeft geopteerd voor de vergoeding die ertoe strekt voor de agent het verlies te compenseren van de klanten die hij heeft aangebracht of waarmee hij de bestaande zakenstroom heeft uitgebreid en die de principaal nog zal ten goede komen ondanks de beëindiging van de agentuurovereenkomst.

Artikel 21 van de wet vormt dan weer de omzetting van punt c) van de optie van artikel 17.2 van de Richtlijn. Artikel 21 van de wet biedt de agent de mogelijkheid om de werkelijk geleden schade te vorderen ten gevolge van een onrechtmatige beëindiging van de agentuurovereenkomst, overeenkomstig de beginselen van de gemeenrechtelijke aansprakelijkheid.

Artikel 21 van de wet biedt bijgevolg de mogelijkheid voor de agent, "voor zover" hij (i) "recht heeft op de uitwinningsvergoeding bepaald in artikel 20" en (ii) "het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt", schadeloosstelling te verkrijgen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade ten gevolge van een onrechtmatige beëindiging van de agentuurovereenkomst en het bedrag van de klantenvergoeding (of uitwinningsvergoeding) waarvan sprake in artikel 20 van de wet.

Eerste subonderdeel

Artikel 21 van de wet is de omzetting van artikel 17.2.c), van de Richtlijn volgens hetwelk "de toekenning van deze vergoeding [...] het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet [laat]". Het verslag van de Commissie over de toepassing van artikel 17 van de Richtlijn preciseert: "deze bepaling regelt de situatie waarbij de handelsagent krachtens de nationale wettelijke bepalingen het recht heeft schadevergoeding te vorderen wegens contractbreuk of het niet in acht nemen van de in de richtlijn opgenomen opzegtermijn". De Franstalige versie van dat verslag heeft het over "rupture de contrat" en de Engelstalige over "breach of contract".

Artikel 21 van de wet impliceert, bijgevolg, naast de omstandigheid dat (i) de agent recht heeft op een uitwinningsvergoeding overeenkomstig artikel 20 van de wet en (ii) dat hij een schade heeft geleden die het bedrag van de uitwinningsvergoeding te boven gaat, dat er (iii) een onrechtmatig gedrag van de principaal bestaat.

De parlementaire voorbereiding van de wet vermeldt: "steunend op artikel 17, tweede lid, c), van de Richtlijn werd een bepaling ingevoerd, analoog met artikel 103 van de wet van 3 juli 1978" en " in bepaalde uitzonderlijke gevallen kan de handelsagent, mits hij de omvang van het werkelijke nadeel bewijst, boven de uitwinningsvergoeding een bijkomende schadeloosstelling bekomen", wat bevestigt dat het bestaan van een fout van de principaal vereist is voordat er een vergoeding op grond van artikel 20 van de wet kan worden toegekend.

Voornoemd artikel 103 van de wet van 3 juli 1978 strekt immers ertoe de schade-posten te vergoeden die niet gedekt zijn door de opzeggingsvergoeding en de uitwinningsvergoeding. Het doelt uitsluitend op de beëindiging van de overeenkomst om dringende reden die enkel aan de werkgever te wijten is. Artikel 103 geldt dus "enkel in één duidelijk geval: dat waarin de vertegenwoordiger ontslag neemt wegens een ernstige tekortkoming van de werkgever". In dat geval kan de handelsvertegenwoordiger schadeloosstelling verkrijgen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van de uitwinningsvergoeding.

Het bestreden arrest dat beslist dat "ten eerste, de agent recht [moet] hebben op uitwinningsvergoeding overeenkomstig artikel 20" en, "ten tweede, de agent een schade [moet] hebben geleden die het bedrag van de uitwinningsvergoeding te boven gaat", onderwerpt de toekenning van de bijkomende vergoeding, als bedoeld in artikel 21 van de wet, enkel aan twee voorwaarden en niet aan de voorwaarde dat er aan de zijde van de principaal een schuldige gedraging moet hebben plaatsgevonden.

Het bestreden arrest, dat beslist dat het recht op de bijkomende vergoeding slechts "aan twee voorwaarden" is onderworpen, namelijk dat "de agent recht heeft op een uitwinningsvergoeding overeenkomstig artikel 20" en dat "de agent een schade heeft geleden die het bedrag van de uitwinningsvergoeding te boven gaat", terwijl de wil van de Belgische en van de Europese wetgever erin bestond de toekenning van de bijkomende vergoeding van artikel 21 van de wet te onderwerpen aan de voorwaarde dat er aan de zijde van de principaal een schuldige gedraging moet hebben plaatsgevonden, miskent bijgevolg artikel 21 van de wet alsook artikel 17 van de Richtlijn.

Tweede subonderdeel

Artikel 17.1 van de Richtlijn laat de Lidstaten een keuze tussen enerzijds het stelsel van de klantenvergoeding dat ertoe strekt de agent te vergoeden voor het verlies dat hij lijdt in zoverre hij klanten zou hebben aangebracht voor de principaal, wat laatstgenoemde nog ten goede zou komen na de beëindiging van de overeenkomst en waarbij de agent niet voor dat verlies werd vergoed, en anderzijds het stelsel van het herstel van de schade die de agent lijdt door de beëindiging van de overeenkomst, wat hem belet nog commissies te genereren en aldus de onkosten en uitgaven af te schrijven die hij op instructie van de principaal ter uitvoering van de overeenkomst heeft gemaakt.

Volgens het eerste luik van het alternatief kan de agent, bij de beëindiging van de overeenkomst, aanspraak maken op een vergoeding die zijn aanbreng van klanten vergoedt indien hij aantoont dat welbepaalde voorwaarden vervuld zijn. Een der-gelijke vergoeding biedt aldus de voordelen die voor de principaal blijven voortvloeien uit de activiteit van de agent. De betaling van die vergoeding wordt commercieel verantwoord door het feit dat, gedurende de looptijd van de overeenkomst, de aan de agent betaalde commissies niet exact de meerwaarde weergeven die de agent voor de principaal heeft gegenereerd dankzij de aanbreng van klanten. Die optie is geplafonneerd.

Daarentegen bestaat het tweede luik van het alternatief, dat gebaseerd is op de Franse en de Scandinavische regelingen, in een herstelregeling. Zij strekt weliswaar ertoe een schade te herstellen, maar zij is evenmin onderworpen aan een fout van de principaal. Die optie strekt ertoe de agent te vergoeden voor het verlies dat hij geleden heeft ten gevolge van de beëindiging van de overeenkomst en is, in tegenstelling tot het andere luik van de optie, niet geplafonneerd.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft herhaaldelijk eraan herinnerd dat artikel 17.1 van de Richtlijn een regeling instelt die de Lidstaten de mogelijkheid beidt tussen twee oplossingen te kiezen. Die Lidstaten moeten immers de nodige maatregelen nemen om te bewerkstelligen dat de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst ofwel een vergoeding krijgt die bepaald wordt volgens de in artikel 17.2 vermelde criteria en die een vergoeding vormt van de schade geleden door de agent die elk volgrecht verliest op de klanten die hij heeft aangebracht, met, evenwel, een wettelijk maximum, ofwel het herstel van de schade volgens de in lid 3 omschreven criteria, wat de schadeloosstelling impliceert van de schade die de agent ten gevolge van de beëindiging van de agentuurovereenkomst heeft geleden.

De rechtspraak van het Hof van Justitie heeft tevens duidelijk gesteld dat artikel 17 van de Richtlijn van dwingende aard is, wat bovendien nader wordt omschreven in artikel 19 van de Richtlijn dat luidt als volgt: "voordat de overeenkomst is beëindigd, mogen de partijen niet ten nadele van de handelsagent van de bepalingen van de artikelen 17 en 18 afwijken".

Het bestreden arrest beslist dat "de bijkomende vergoeding van artikel 21 in dat geval gelijk is in het resterende deel van de werkelijke schade in vergelijking met het bedrag van de uitwinningsvergoeding van artikel 20" en kent bijgevolg een vergoeding toe die dient om de meerwaarde te compenseren van de klanten die aan de principaal zijn aangebracht, en een herstel van de schade ten gevolge van het klantenverlies, zodat het arrest de door de richtlijn opgelegde keuze tussen de twee vergoedingsregelingen niet naleeft.

Het bestreden arrest, dat beslist dat het recht op de bijkomende vergoeding de "schade die het bedrag van de uitwinningsvergoeding te boven gaat" dekt, ofschoon de Richtlijn de Lidstaten een keuze oplegt tussen twee verschillende oplossingen en de Lidstaten niet tegelijkertijd punt 2 én punt 3 van artikel 17 van de Richtlijn kunnen omzetten, schendt artikel 17 van de Richtlijn.

Tweede onderdeel

Artikel 20 van de wet, dat artikel 17.2.b), van de Richtlijn overneemt, bepaalt: "De uitwinningsvergoeding mag niet meer bedragen dan het bedrag van een jaar vergoeding berekend op basis van het gemiddelde van de vijf voorafgaande jaren of op basis van de gemiddelde vergoeding in de voorafgaande jaren indien de overeenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd".

De rechter dient het in artikel 17.2.b), van de gemeenschapstekst vastgelegde pla-fond te eerbiedigen. Het plafond is de facto dwingend voor de rechter en voor de partijen, althans zolang de contractuele betrekkingen blijven bestaan.

De in artikel 21 van de wet bedoelde bijkomende schade moet van een andere aard zijn dan de schade die door de klantenvergoeding werd hersteld, daar elke andere uitlegging erop zou neerkomen dat het wettelijke plafond van de klantenvergoeding kan worden overschreden.

Het bestreden arrest oordeelt dat "de uitwinningsvergoeding en de bijkomende vergoeding [...] allebei ertoe [strekken] het klantenverlies te compenseren" en dat "voor de berekening van de bijkomende vergoeding [...] enkel schade met betrekking tot klanten in aanmerking [kan] worden genomen", en kent bijgevolg, op grond van artikel 21 van de wet, het gedeelte toe van de vergoeding dat door artikel 20 van de wet dient te worden gecompenseerd, en niet gedekt is door laatstgenoemd artikel.

Bijgevolg kent het arrest, op grond van artikel 21 van de wet, niet de schadeloosstelling toe die dient om de schade te herstellen die de agent heeft geleden ten gevolge van een onrechtmatige beëindiging van de agentuurovereenkomst, maar wel het gedeelte van de vergoeding van het verlies van klanten, dat het wettelijke plafond overschrijdt.

Het bestreden arrest, dat beslist dat "het verlies van de bankklanten van [de eise-res] [...] dus noodzakelijkerwijs aan de zijde van [de verweerster] [leidde] tot het verlies van de hele zakenstroom bestaande in schuldsaldoverzekeringspolissen van MetLife", dat het gaat om een schade "die rechtstreeks verbonden is met de klanten", die "[...] dus in beginsel in aanmerking [komt] voor een bijkomende vergoeding" en dat "[verweeersters] schade wegens het verlies van de bankklanten het bedrag van de uitwinningsvergoeding die zij heeft ontvangen, te boven gaat", kent als vergoeding een bedrag toe voor klantenverlies dat hoger is dan het wettelijke maximum van één jaar, terwijl de op grond van artikel 21 van de wet herstelde schade niet van dezelfde aard mag zijn als die welke door de klantenvergoeding wordt hersteld daar, zodoende, het in artikel 20 vastgelegde plafond niet wordt geëerbiedigd, en schendt, bijgevolg, artikel 21 van de wet alsook artikel 17. 2, b), van de Richtlijn.

Derde onderdeel

Artikel 21 kan door de agent slechts ten aanzien van de principaal-medecontractant worden aangevoerd. Zelfs in de veronderstelling de uitwinningsvergoeding of de klantenvergoeding en de bijkomende schadeloosstelling allebei daadwerkelijk ertoe strekken het verlies van klanten te vergoeden (quod non), kan de eiseres niet ertoe worden verplicht de agent een bijkomende vergoeding toe te kennen voor een schade die betrekking heeft op klanten die hem eigen zijn en die de eiseres voorts geen enkel voordeel opleveren.

In dit geval waren er twee verschillende soorten klanten - de ene met betrekking tot de bankactiviteiten en de andere met betrekking tot de verzekeringsactiviteiten - zoals bepaald in de tussen de partijen ondertekende handelsagentuurovereenkomst.

De verweerster, die het bedrag wil ontvangen dat haar betaald had moeten worden indien het verzekeringsagentcontract beëindigd was volgens de voorwaarden van de wet van 13 april 1995, krachtens artikel 20, mag niet proberen de toekenningsvoorwaarden ervan te omzeilen om het vermomde herstel ervan te vorderen via artikel 21 van de wet.

Bovendien heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in een arrest van 26 maart 2009 reeds uitspraak gedaan over de in artikel 17 van de richtlijn bedoelde contractuele relatie en geoordeeld dat voornoemd artikel uitsluitend de verhouding tussen de principaal en zijn handelsagent in aanmerking mag nemen.

Het bestreden arrest beslist niettemin dat "het bankcliënteel van het Citibank-contract [de verweerster] de mogelijkheid [bood] om niet alleen bankproducten [van de eiseres] te verkopen, (d.w.z. voornamelijk consumentenkredieten) maar ook schuldsaldoverzekeringspolissen van MetLife", dat "het verlies van de bankklanten van [de eiseres] [...] dus noodzakelijkerwijs aan de zijde van [de verweerster] [leidde] tot het verlies van de hele zakenstroom bestaande in schuldsaldoverzekeringspolissen van MetLife", dat het gaat om schade die voortvloeit uit het verlies van de bankklanten en dat zij "rechtstreeks verbonden is met de klanten en [...] dus in beginsel in aanmerking [komt] voor een bijkomende vergoeding" en kent zodoende de agent een vergoeding toe voor een verlies van klanten voor andere producten (in casu, verzekeringsproducten) dan die welke door de eiseres op de markt worden gebracht (in casu, bankproducten) en die haar geen enkel voordeel opleveren.

Het bestreden arrest dat beslist dat de schade ten gevolge van het verlies van de bankklanten een schade is die "rechtstreeks verbonden is met de klanten", en "[...] dus in beginsel in aanmerking [komt] voor een bijkomende vergoeding", terwijl, indien de uitwinningsvergoeding of de klantenvergoeding en de bijkomende schadeloosstelling daadwerkelijk allebei ertoe strekken het klantenverlies te vergoeden, de MetLife-klanten een cliënteel zijn dat geen verband houdt met de (bank)producten van de eiseres en dat haar bovendien geen enkel voordeel oplevert na de beëindiging van de overeenkomst, schendt bijgevolg artikel 21 van de wet, alsook artikel 17 van de Richtlijn.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
Tweede subonderdeel

Volgens artikel 17.1, van de Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lidstaten inzake zelfstan-dige handelsagenten nemen de Lidstaten de nodige maatregelen om te bewerkstel-ligen dat de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, vergoeding volgens lid 2 of herstel van het nadeel volgens lid 3 krijgt.

Krachtens artikel 20 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagen-tuurovereenkomst, dat van toepassing is op het geschil en de omzetting vormt van artikel 17.2, a) en b), van de Richtlijn, heeft de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, onder de daarin bepaalde voorwaarden, recht op een uit-winningsvergoeding wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren, en mag die vergoeding niet meer bedragen dan het bedrag van een jaar vergoeding.

Artikel 17.2, c), van de Richtlijn bepaalt dat de toekenning van die vergoeding het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet laat.

Bij arrest C-338/14 van 3 december 2015 heeft het Hof van Justitie van de Euro-pese Unie voor recht gezegd dat artikel 17.2, van de Richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling waarin is bepaald dat de handelsagent bij de beëindiging van de agentuurovereenkomst zowel recht heeft op een klantenvergoeding van maximaal een jaar beloning als op bijkomende schadevergoeding wanneer die vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig dekt, voor zover een dergelijke regeling er niet toe leidt dat de agent tweemaal een vergoeding ontvangt voor het verlies van provisies door de verbre-king van die overeenkomst.

De vordering tot schadeloosstelling op grond van artikel 17.2.c), van de Richtlijn moet een schade tot voorwerp hebben die onderscheiden is van de schade die door de klantenvergoeding wordt gedekt.

Artikel 21 van de wet van 13 april 1995, dat van toepassing is op het geschil en de omzetting vormt van artikel 17.2.c), van de Richtlijn, bepaalt dat de handelsagent, voor zover hij recht heeft op de uitwinningsvergoeding bepaald in artikel 20 en het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, mits hij de werkelijke omvang van de beweerde schade bewijst, boven deze vergoeding schadeloosstelling kan verkrijgen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding.

De in artikel 21 van de wet bedoelde bijkomende schadeloosstelling kan, bijge-volg, slechts een schade dekken die onderscheiden is van die welke wordt gedekt door de in artikel 20 bedoelde uitwinningsvergoeding.

Het bestreden arrest stelt vast dat, op 19 maart 1996, de verweerster met de eiseres "‘een overeenkomst van gemachtigd agent' [heeft ondertekend] voor de exploitatie van een agentschap in Fleurus", dat artikel 2.4. van die overeenkomst, "dat stelt dat de verkoop van verzekeringspolissen deel uitmaakt van de functies van [de verweerster]", "ertoe strekte [haar] te verbieden andere verzekeringen te verkopen dan die van de maatschappijen waarmee [de eiseres] een samenwer-kingsakkoord heeft ondertekend" en dat "[de verweerster] dezelfde dag met de vennootschap MetLife [...] een ‘overeenkomst van zelfstandig verzekeringsagent' heeft ondertekend". Het stelt voorts vast dat "de door [de verweerster] verdeelde Citibank-producten hoofdzakelijk bestonden in consumentenkredieten, en in min-dere mate [...] in hypothecaire kredieten", dat "de MetLife-producten die zij ver-deelt uitsluitend levensverzekeringen zijn van het type ‘schuldsaldo', gekoppeld aan de Citbank-kredieten" en dat "de aan [de verweerster] verschuldigde commissies afzonderlijk worden berekend voor de bankproducten en de verzekeringsproducten en respectievelijk door [de eiseres] en de vennootschap MetLife worden betaald".

Het vermeldt ook nog dat "[de eiseres] op 16 april 2007, [de verweerster] op de hoogte heeft gebracht van de beëindiging van haar overeenkomst, met onmiddel-lijke uitwerking, middels betaling van een opzeggingsvergoeding van 69.424,74 euro en van een uitwinningsvergoeding van 139.515,27 euro [...] berekend op grond van de commissies die [de verweerster] heeft ontvangen voor de verkoop van de bankproducten".

Het arrest dat eerst erop wijst dat "het bankcliënteel van het Citibank-contract [de verweerster] de mogelijkheid [bood] om niet alleen bankproducten [van de eise-res] te verkopen, [...] maar ook schuldsaldoverzekeringspolissen van MetLife", aangezien een dergelijke verzekering "praktisch enkel samen met een krediet kan worden verkocht" en "slechts een toebehoren is", overweegt vervolgens dat "het verlies van de bankklanten van [de eiseres] [...] dus noodzakelijkerwijs aan de zijde van [de verweerster] [leidde] tot het verlies van de hele zakenstroom be-staande in schuldsaldoverzekeringspolissen van MetLife", dat het erop aankomt "rekening te houden met een bestanddeel van [verweersters] schade die, ofschoon zij bestaat in het verlies van de inkomsten uit het MetLife-contract, het gevolg is van de beëindiging van het Citibank-contract en uit het verlies van de bankklanten", dat "die schade [...] twee bestanddelen [omvat]: het verlies van de door die klanten gegenereerde inkomstenstroom via de bankproducten en het verlies van de door diezelfde klanten gegenereerde inkomstenstroom via de schuldsaldover-zekeringen" en dat "het eerste bestanddeel [...] terdege [werd] gecompenseerd door de uitwinningsvergoeding, die [...] werd berekend op grond van de histori-sche commissies die [de verweerster] van [de eiseres] uitsluitend op de bankpro-ducten heeft ontvangen".

Het arrest verantwoordt aldus naar recht zijn beslissing dat "het tweede bestand-deel van de schade, dat bestaat in het verlies van inkomsten uit de verzekeringen, [...] dus exact [beantwoordt] aan de maatstaf van excedentaire schade die door de bijkomende vergoeding moet worden gedekt".

De overige overwegingen van het arrest waartegen dit subonderdeel opkomt, zijn bijgevolg ten overvloede gegeven.

Het subonderdeel kan niet worden aangenomen.

Eerste subonderdeel

Bij voornoemd arrest C-338/14 van 3 december 2015 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voor recht gezegd dat de harmonisatie van de vergoedings-voorwaarden overeenkomstig artikel 17.2, van de Richtlijn slechts de klantenver-goeding betreft, aangezien daarbij de voorwaarden worden bepaald die gelden voor de toekenning van die vergoeding, dat de Richtlijn, en met name artikel 17.2, c), niet nader bepaalt onder welke voorwaarden aan de handelsagent schadever-goeding verschuldigd is en dat het dus aan de lidstaten staat om in hun nationale recht te bepalen of de toekenning van schadevergoeding afhankelijk is van het be-staan van een fout - contractueel of buitencontractueel - die toerekenbaar is aan de principaal en die in oorzakelijk verband staat met de beweerde schade.

Artikel 21 van de wet van 13 april 1995, dat van toepassing is op het geschil en dat artikel 17. 2, c), van de Richtlijn omzet, bepaalt: voor zover de handelsagent recht heeft op de uitwinningsvergoeding bepaald in artikel 20 en het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, kan de han-delsagent, mits hij de werkelijke omvang van de beweerde schade bewijst, boven deze vergoeding schadeloosstelling verkrijgen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding.

Uit die bepaling volgt niet dat de toekenning van de schadeloosstelling onderwor-pen is aan de voorwaarde dat er aan de zijde van de principaal een schuldige ge-draging moet hebben plaatsgevonden.

Het subonderdeel dat op de tegengestelde opvatting steunt, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

Uit de vermeldingen die weergegeven zijn in het antwoord op het tweede subon-derdeel van het eerste onderdeel volgt dat het bestreden arrest overweegt dat de schade die bestaat in het verlies van inkomsten uit de MetLife-verzekeringen een schadepost is die onderscheiden is van die welke door de uitwinningsvergoeding is hersteld en die niet het verlies van inkomsten vergoedt uit de bankproducten die het voorwerp uitmaken van de agentuurovereenkomst met de eiseres.

Het verantwoordt aldus naar recht zijn beslissing om, naast de uitwinningsvergoe-ding die niet meer mag bedragen dan het bedrag van een jaar vergoeding, bijko-mende schadeloosstelling toe te kennen krachtens artikel 21 van de wet van 13 april 1995.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

Uit het antwoord op het tweede subonderdeel van het eerste onderdeel volgt dat de in artikel 21 van de wet bedoelde bijkomende schadeloosstelling een schade-post herstelt die onderscheiden is van die welke wordt hersteld door de in artikel 20 vastgelegde uitwinningsvergoeding.

Het onderdeel, dat op de tegengestelde hypothese berust, faalt naar recht.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel,  en in openbare terechtzitting van 27 mei 2016 uitgesproken 

Noot: 

• Revue de Jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles [JLMB] DEJOLLIER, Alice; KILESTE, Patrick; Observations 'La question de la nature du préjudice couvert par l'indemnité complémentaire due à l'agent commercial: une controverse aujourd'hui tranchée' 2017, n° 12, p. 542-548.
• Bulletin Juridique et Social [B.J.S.] RUE, Guillaume; Note 'Agent commercial: l'indemnité complémentaire couvre un préjudice distinct de celui couvert par l'indemnité d'éviction' 2017, n° 587, p. 11.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 29/08/2017 - 18:15
Laatst aangepast op: di, 29/08/2017 - 18:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.