-A +A

Grootouders kunnen een beperkt omgangsrecht eisen maar geen ouderlijk gezag

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
maa, 02/03/2009
A.R.: 
2008/JR/158

Grootouders hebben geen rechtstreekse toegang tot de familierechtbank om de oplegging of wijziging van beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag te vragen.

De rechtstreekse toegang van de grootouders tot de familierechtbank is beperkt tot het kader van artikel 375bis B.W., op grond waarvan zij hun recht op persoonlijk contact kunnen laten gelden. En dit recht op persoonlijk contact is inderdaad een autonoom recht dat geenszins kan worden gelijkgesteld met een verblijfsrecht of "recht van bewaring", als onderdeel van het ouderlijk gezag.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat

 Arrest

Het HOF VAN BEROEP te BRUSSEL, 31ste kamer, jeugdsectie

Nr.: na beraad, wijst volgend arrest :

A.R. Nr. 2008/JR/158

Rep.nr.: 2009/

IN ZAKE VAN :

1. De heer V, en zijn echtgenote,

2. Mevrouw W,

samenwonende te

appellanten,

vertegenwoordigd door Mr. Michel KIEKENS, advocaat te 1082 BRUSSEL, Dr. A. Schweitzerplein 18 ;

TEGEN :

De heer X , wonende te

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. Pieter FEYS loco Mr. Filip VAN BELLEGHEM, advocaat te 8870 IZEGEM, Ommegangstraat 8 ;

Het hof heeft partijen ter zitting gehoord en kennis genomen van :

- het bestreden vonnis, uitgesproken door de jeugdrechtbank te Brussel op 13 juni 2008, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd,

- het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 22 augustus 2008,

- de conclusie van appellanten, neergelegd op 25 november 2008,

- de conclusies van geïntimeerde, neergelegd op 12 november en 8 december 2008.

Het hoger beroep werd regelmatig en tijdig ingesteld en is ontvankelijk.

VOORGAANDEN

X en Y zijn gehuwd op 26 september 1992 en zijn de ouders van Z, geboren op 29 juli 1993.

V en W zijn de ouders van Y en dus de moederlijke grootouders van Z .

In juni 1999 kwam er een einde aan de samenleving van de echtgenoten X -Y en vanaf dat ogenblik verbleef Z samen met zijn moeder bij de echtgenoten V-W. Sinds 15 juni 1999 is hij ook gedomicilieerd op hun adres.

De echtscheiding tussen de ouders van Z werd uitgesproken op 19 juni 2001 door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Bij beschikking uitgesproken op 26 september 2001 door de voorzitter van dezelfde rechtbank, zetelend in kort geding, werden volgende voorlopige maatregelen bevolen omtrent Z :

- gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag;

- hoofdverblijf en domiciliëring bij de moeder;

- verblijfsregeling bij de vader : om de veertien dagen, van vrijdag om 18 uur tot zondag om 18 uur, de helft van de kerst- en paasvakantie, en de eerste week van de maanden juli en augustus, telkens op last voor de vader het kind af te halen en terug te brengen bij de moeder;

- onderhoudsbijdrage van 12.000 frank per maand, vooraf betaalbaar, jaarlijks aangepast aan het indexcijfer van augustus 2001.

Op 29 juli 2006 is Y overleden.

De eerste maanden nadien verbleef Z verder bij zijn grootouders. Tussen partijen werd evenwel overeengekomen dat hij vanaf de kerstvakantie 2006 bij zijn vader zou gaan wonen. Reeds na enkele dagen keerde Z echter bij zijn grootouders terug, op zijn uitdrukkelijke vraag en met instemming van zijn vader.

Sindsdien blijken partijen er niet meer in te slagen om tot gezamenlijke afspraken te komen omtrent onder meer de onderhoudsbijdrage voor Z en de contacten met zijn vader.

Op 14 november 2007 legden de echtgenoten V-W een verzoekschrift neer voor de jeugdrechtbank te Brussel, teneinde de materiële bewaring over Z te bekomen. De heer X stelde een tegenvordering in.

In hun laatste conclusie in eerste aanleg vroegen de echtgenoten V-W aan de rechtbank de hierna volgende maatregelen te bevelen :

- de materiële bewaring over Z aan hen toe te vertrouwen;

- te zeggen voor recht dat Z derhalve zijn hoofdverblijfplaats zal behouden bij de echtgenoten V-W bij wie hij ook zal ingeschreven blijven in het bevolkingsregister;

- te zeggen voor recht dat de modaliteiten van het omgangsrecht uit te oefenen door de heer X , in onderling overleg met Z zullen worden bepaald;

- te zeggen voor recht dat Z gedurende de kerst- en paasvakantie één week zal verblijven bij de heer X , evenals gedurende tweemaal veertien dagen tijdens de zomervakantie;

- te zeggen voor recht dat de verdere modaliteiten van dit omgangsrecht bij onderling akkoord zullen worden vastgelegd;

- te zeggen voor recht dat de heer X bij de uitoefening van zijn omgangsrecht, het kind bij de echtgenoten V-W zal komen ophalen en terugbrengen tenzij Z deze verplaatsingen doet met het openbaar vervoer, in welk geval de heer X gehouden zal zijn alle reiskosten ten laste te nemen;

- de heer X te veroordelen om retroactief vanaf 1 augustus 2006 aan de echtgenoten V-W, bij wijze van onderhoudsbijdrage voor Z , de som van 400 euro per maand te betalen;

- te zeggen voor recht dat de onderhoudsbijdrage jaarlijks automatisch zal worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen door vergelijking met dat van de maand oktober 2007;

- de heer X retroactief, met ingang van 1 augustus 2006, te veroordelen tot terugbetaling aan de echtgenoten V-W van alle buitengewone kosten gedragen voor Z voor onderwijs, gezondheid en ontspanning hier inbegrepen :

· de medische, paramedische en farmaceutische kosten voor het deel dat niet wordt terugbetaald door mutualiteit of hospitalisatieverzekering, kosten voor orthodontie of ophtalmologie, hier inbegrepen bril en lenzen;

· de buitengewone schoolkosten waaronder schoolreizen, uitstappen en pedagogische stages, inschrijvingsgeld, boeken en didactisch materiaal hier inbegrepen computer en indien nodig internetabonnement en de kosten verbonden aan parascolaire activiteiten;

- te zeggen voor recht dat de kinderbijslagen rechtstreeks door de echtgenoten V-W zullen worden geïnd.

Het bestreden vonnis, uitgesproken op 13 juni 2008, verklaarde de hoofdvordering onontvankelijk, bij gebrek aan hoedanigheid, en de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond.

De echtgenoten V-W vragen aan het hof, bij hervorming van dit vonnis, hun oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren.

De heer X besluit tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

BEOORDELING

Aangaande de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering

1.

1.1 Tot aan zijn meerderjarigheid of zijn ontvoogding blijft het kind onder het gezag van zijn ouders (art. 372 B.W.). In principe oefenen zij dit gezag gezamenlijk uit, zowel wanneer ze samenleven (art. 373) als wanneer ze niet samenleven (art. 374). Indien één van beide ouders echter overleden is, oefent de andere het ouderlijk gezag alleen uit (art. 375). De regelgeving aangaande het ouderlijk gezag is van openbare orde (art. 1388).

Sedert het overlijden van mevrouw Y oefent de heer X het ouderlijk gezag over Z alleen uit.

1.2 Luidens artikel 387bis B.W., ingevoegd bij de wet van 13 april 1995, "kan de jeugdrechtbank in het belang van het kind, op verzoek van beide ouders of van één van hen dan wel van de procureur des Konings, alle beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag opleggen of wijzigen".

Er wordt niet betwist dat de jeugdrechtbank, op verzoek van de ouders, van één van hen of van de procureur des Konings, het hoofdverblijf van een kind ook aan zijn grootouders kan toevertrouwen, nu de jeugdrechtbank "alle beschikkingen" met betrekking tot het ouderlijk gezag kan opleggen of wijzigen.

De vraag die ter beoordeling ligt van het hof is echter niet of de jeugdrechtbank een dergelijke beslissing kan nemen, maar wel door wie de jeugdrechtbank in een dergelijke aangelegenheid kan worden gevat. Het betreft een bijzonder delicate en controversiële vraag.

Reeds vóór de wet van 13 april 1995 had de procureur des Konings, naast de ouders, een vorderingsrecht inzake beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag .

De op 30 juli 1988 en op 23 december 1991 neergelegde wetsvoorstellen van de heer Beaufays (Gedr. St., Kamer, 1273/1-89/90 en 34/1-91/92), die geleid hebben tot de wet van 13 april 1995, bepaalden dat de uitoefening van het ouderlijk gezag kan worden onderworpen aan de controle van de hoven en rechtbanken, op vordering niet alleen van het openbaar ministerie maar ook van "elkeen die zich op bloedverwantschap of een affectieve band met het kind kan beroepen" (voorgesteld art. 372).

In zijn advies op dit voorstel stelde de Raad van State : "Het lijkt overdreven dat ieder die zich kan beroepen op bloedverwantschap het vorderingsrecht kan uitoefenen. In de toelichting bij het voorstel wordt de situatie van de grootouders als voorbeeld gegeven. Door de wetgever behoort te worden bepaald tot welke graad van verwantschap dit vorderingsrecht zou kunnen worden uitgeoefend. Des te meer nog is het toekennen van een vorderingsrecht wegens een affectieve band met het kind zodanig vaag geformuleerd dat hierdoor geschillen zouden kunnen ontstaan die het kind nadeel zouden berokkenen" (Gedr. St., Kamer, 1273/2-89/90, p. 9).

Het oorspronkelijk voorstel om aan "elkeen die zich op bloedverwantschap of een affectieve band met het kind kan beroepen" een vorderingsrecht met betrekking tot de uitoefening van het ouderlijk gezag toe te kennen werd dan ook opgegeven ter gelegenheid van de werkzaamheden van de parlementaire subcommissie die opgericht werd om een aantal wetsvoorstellen met betrekking tot het ouderlijk gezag te onderzoeken.

In het nieuwe wetsvoorstel, dat op 1 april 1994 werd ingediend door de heer Beaufays en andere leden van de subcommissie , werd een duidelijk onderscheid ingevoerd tussen :

- enerzijds de vordering tot oplegging of wijziging van beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag; deze vordering kan worden ingesteld op verzoek van de ouders of van de procureur des Konings (nieuw art. 387bis);

- anderzijds de vordering tot regeling van het recht op persoonlijk contact van de grootouders of van ieder ander persoon die een bijzondere affectieve band met het kind heeft; deze vordering kan worden ingesteld op verzoek van de partijen of van de procureur des Konings (nieuw art. 375bis), waarbij met "partijen" zowel "de personen die het ouderlijk gezag over het kind uitoefenen" als "de personen die het recht op persoonlijk contact opeisen" wordt bedoeld (Gedr. St., Kamer, 1430/4-93/94, p. 13) .

Het zijn deze teksten die werden aangenomen en die thans nog steeds toepasselijk zijn.

Bijgevolg blijkt zowel uit de analyse van de parlementaire werkzaamheden als uit de tekst van de wet dat de wetgever in expliciete termen en op limitatieve wijze de personen heeft aangeduid die de jeugdrechtbank kunnen vatten om beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag te laten opleggen of wijzigen, met name : de ouders en de procureur des Konings.

Deze duidelijke wettekst behoeft geen interpretatie en moet gevolgd worden.

1.3 In de huidige stand van de Belgische wetgeving hebben de grootouders derhalve geen rechtstreekse toegang tot de jeugdrechtbank om de oplegging of wijziging van beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag te vragen.

Zoals terecht vermeld door de eerste rechter, is de rechtstreekse toegang van de grootouders tot de jeugdrechtbank inderdaad beperkt tot het kader van artikel 375bis B.W., op grond waarvan zij hun recht op persoonlijk contact kunnen laten gelden. En dit recht op persoonlijk contact is inderdaad een autonoom recht dat geenszins kan worden gelijkgesteld met een verblijfsrecht of "recht van bewaring", als onderdeel van het ouderlijk gezag.

De echtgenoten V-W hebben dus niet de vereiste hoedanigheid om een dergelijke vordering in te stellen.

Hun vordering is onontvankelijk, zowel op grond van artikel 387bis B.W. als op grond van artikel 17 Ger.W., nu de afwijzing van de vordering wegens onontvankelijkheid niet steunt op het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van een subjectief recht dat appellanten aanvoeren - hetgeen verband houdt met de gegrondheid van de vordering - maar op de omstandigheid dat de wetgever aan appellanten geen rechtstreekse toegang tot de rechter verleent om beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag te laten opleggen of wijzigen.

De keuze van de wetgever om alleen aan de ouders en aan de procureur des Konings een rechtstreekse toegang tot de jeugdrechtbank te verlenen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag kan worden betreurd. Het hof heeft daar begrip voor. Ook het Arbitragehof heeft, in een arrest van 8 oktober 2003 , gesteld dat het aan de wetgever toekomt om te preciseren in welke vorm, onder welke voorwaarden en volgens welke procedure het ouderlijk gezag zou kunnen worden uitgebreid tot andere personen dan de ouders, aangezien de bepalingen van de artikelen 371 tot 387bis B.W. niet als dusdanig, naar analogie, op de aan het Arbitragehof uiteengezette situatie kunnen worden toegepast.

In onderhavige procedure is deze discussie echter niet ter zake dienend, omdat het de rechter niet toegelaten is om wettelijke bepalingen naast zich neer te leggen op grond van de overweging dat ze vatbaar zijn voor kritiek. De aan het hof gestelde vraag is niet of het wenselijk is dat de grootouders zelf een vordering kunnen instellen teneinde het hoofdverblijf van hun kleinkind te bekomen. De vraag is wel of de wet dit toelaat, en die vraag moet ontkennend worden beantwoord .

2.

2.1 Ten onrechte beroepen appellanten zich op een arrest van het Hof van cassatie van 19 december 1975 (Arr. Cass., 1976, 492) om voor te houden dat zij gerechtigd zijn om een vordering in te stellen strekkende tot het toekennen van de "materiële bewaring" van het kind.

Daarbij verliezen ze uit het oog dat dit arrest in een volledig verschillende context werd uitgesproken.

Dit arrest is immers tussengekomen in een geschil tussen de ouders en de pleegouders, waarvan één als voogd was aangesteld door de familieraad. De vordering van de ouders tot afgifte van hun natuurlijk kind werd afgewezen op grond van de overweging dat ze een ernstig gevaar opleverden voor zijn verdere ontwikkeling, omdat de ouders de affectieve binding tussen het kind en de pleegouders wilden verbreken en omdat hun vordering de algemene opvoedingsvoorwaarden van het kind op grove en nadelige wijze wou wijzigen. De door die ouders ingestelde vordering had de exceptie van onontvankelijkheid uiteraard niet kunnen opwekken, zoals dit in onderhavige procedure wel het geval is.

Bovendien bevatte de toenmalige wetgeving belangrijke leemten die thans niet meer bestaan. Het aan de ouders en de procureur des Konings

toegekende vorderingsrecht was toen alleen voorzien voor geschillen ontstaan tijdens een procedure tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten (art. 1279 Ger.W.) en geschillen ontstaan na de ontbinding van het huwelijk (art. 302 B.W.). Er bestond geen wettelijke regeling van de geschillen m.b.t. de uitoefening van het ouderlijk gezag over kinderen van ongehuwde ouders, noch van het recht op persoonlijk contact van grootouders of personen die een bijzondere affectieve band met het kind hadden.

2.2 Wie nu nog de term "materiële bewaring" hanteert houdt bovendien geen rekening met het feit dat die term in 1995 uit het Burgerlijk Wetboek verdwenen is.

De in de vroegere wetgeving gebruikte terminologie vond haar oorsprong in de geschriften van H. De Page die de begrippen "materiële bewaring" ("garde matérielle") en "juridische bewaring" ("garde juridique") had ontwikkeld in de eerste editie van zijn "Traité élémentaire de droit civil" .

Vóór de hervorming van 1995 bepaalde het Burgerlijk Wetboek dat, wanneer de ouders niet samenleefden, "alleen de ouder die de materiële bewaring over het kind (had)" gerechtigd was om het ouderlijk gezag uit te oefenen (oud art. 374 en 377) .

Tijdens de parlementaire werkzaamheden voorafgaand aan de wet van 13 april 1995 werd de term "materiële bewaring" meermaals als verwarringwekkend en voorbijgestreefd beschreven. Dienaangaande kan o.m. worden verwezen naar :

- het verslag van de hoorzittingen met deskundigen, waar gewezen wordt op een grote verwarring over wat inhoudelijk onder de begrippen "materiële bewaring" en "juridische bewaring" (of "bewaring in rechte") moet worden verstaan (1430/4-93/94, p. 19) en waar gesteld wordt : "Wie het heeft over 'de bewaring van het kind' behandelt het kind eigenlijk als een object" (1430/4-93/94, p. 85);

- de toelichting van het wetsvoorstel : "De voorgestelde tekst moderniseert de begrippen ..." (1430/1-93/94, p. 3);

- het verslag van de heer Swennen namens de commissie voor de justitie : "Het voorstel (...) brengt de begrippen bewaring en bezoekrecht bij de tijd" (1430/4-93/94, p. 8);

- het artikelsgewijs commentaar : "Het woord 'bewaring' werd met opzet geweerd. Het schept verwarring omdat dit begrip in het vigerende recht zowel betrekking heeft op de materiële bewaring als op het zogenaamde hoederecht. Aangezien de tekst ook de terminologie wil moderniseren, zou het gevaarlijk zijn een bestaande term over te nemen en hem een nieuwe inhoud te geven. (...) Huisvesting betekent dat men het kind bij zich heeft, dat men het onderdak geeft" (1430/1-93/94, p. 4).

De wet van 13 april 1995 heeft de term "materiële bewaring" dus bewust afgeschaft, in een poging tot modernisering van de gehanteerde terminologie. Het begrip "recht van bewaring" bestaat nog in de artikelen 33 van de wet van 8 april 1965 (ontzetting van het ouderlijk gezag) en 475quater B.W. (pleegvoogdij) , terwijl talrijke wetteksten verwijzen naar de persoon "die het kind onder zijn bewaring heeft" of "aan wie de bewaring van het kind is toevertrouwd", zodat het onderscheid tussen de vaststelling van de feitelijke toestand van bewaring en de toekenning van het recht van bewaring pertinent blijft. Maar het onderscheid tussen de "materiële" en de "juridische" bewaring - waarmee eigenlijk het recht van opvoeding wordt bedoeld - heeft thans geen wettelijke basis meer en de formule "materiële bewaring" is dus voorbijgestreefd .

Hoe dan ook, appellanten houden ten onrechte voor dat hun vordering op een andere - ongeschreven - rechtsgrond zou steunen dan op artikel 387bis B.W. omdat de term "materiële bewaring" een andere betekenis zou hebben dan de term "huisvesting". Het belangrijkste verschil tussen beide termen is dat het kind in het eerste geval optreedt als 'object' en in het tweede als 'subject'. Er kan niet worden ontkend dat het recht van "materiële bewaring" een bestanddeel is van het ouderlijk gezag, zodat het niet veel zin heeft te stellen dat de grootouders "weliswaar geen aanspraak kunnen maken op het juridische huisvestingsrecht" maar wél "op de toekenning van het recht op de materiële bewaring van het kind" .

De logica van de huidige wetgeving is die van de regeling van het verblijf van het kind, met de vaststelling van zijn hoofd- of gewone verblijfplaats, of, zoals de wet het formuleert, de organisatie van zijn huisvesting .

Hetgeen de echtgenoten V-W vorderen is dat Z bij hen zijn hoofdverblijfplaats en zijn woonplaats behoudt.

Hun vordering betreft zodoende wel degelijk de regeling van het verblijf van hun kleinzoon, met toekenning van zijn hoofdverblijf bij hen.

De rechtsgrond van hun vordering is wel degelijk artikel 387bis B.W., nu zij ongetwijfeld een wijziging beoogt van de bestaande uitoefening van het ouderlijk gezag over het kind .

3.

3.1 De stelling volgens dewelke derden toch rechtstreeks een vordering kunnen instellen teneinde het hoofdverblijf van een kind te bekomen vindt weliswaar steun in een deel van de rechtsleer en de rechtspraak, op grond van uiteenlopende redeneringen aangaande zowel de rechtsgrond van de vordering als de gevolgen van de beslissing die een

dergelijke vordering toekent, ondermeer met betrekking tot de limieten van het beslissingsrecht dat daarmee gepaard gaat en tot de organisatie van de persoonlijk contacten tussen het kind en zijn ouders.

3.2 Sommigen kennen dit vorderingsrecht toe op grond van een stilzwijgende lastgeving uitgaande van de ouders. Deze eerder kunstmatige redenering, die hoe dan ook slechts toepasselijk zou kunnen zijn op een beperkt aantal situaties, leidt tot teleurstellende resultaten. Zo heeft de vrederechter van Westerlo in het reeds geciteerde vonnis van 26 februari 2007 beslist dat de toekenning van de "materiële bewaring" aan de grootouders "geen eigenlijke gezagsrechten (verleent) : het beslissingsrecht over het kind blijft toebehoren aan de ouders" en "dat elk van de beide ouders permanent het recht heeft om te allen tijde het minderjarig kind (...) te zien, te horen en te ontmoeten doch enkel in zoverre dit strookt met het aan de grootouders van de minderjarige toegekende recht op de permanente materiële bewaring van de minderjarige. Bepalen dat dit laatste recht voorrang heeft op het recht van de beide ouders om te allen tijde het minderjarig kind (...) te zien, te horen en te ontmoeten".

3.3 Volgens anderen putten de grootouders hun vorderingsrecht uit hun hoedanigheid van "eerste, bevoorrechte getuigen" en/of van "natuurlijke beschermers van hun afstammelingen" . Daarbij wordt evenwel uit het oog verloren dat niet alleen grootouders maar ook andere personen in aanmerking komen om kinderen op te vangen : hier de pleegouders, daar een stiefvader, een 'meemoeder' of een oudere zus ...

3.4 Nog anderen verwijzen naar "een algemeen rechtsbeginsel van de gerechtelijke controle op de uitoefening van het ouderlijk gezag". Volgens deze leer zou iedere derde in het belang van het kind een vordering kunnen instellen aangaande de wijze waarop het ouderlijk gezag door de ouders wordt uitgeoefend. In die context zou de betrokkene derde het hoofdverblijf van het kind kunnen vorderen, of zelfs de uitoefening van andere bestanddelen van het ouderlijk gezag, hoewel hij niet beschikt over een subjectief recht tot uitoefening van dit ouderlijk gezag .

Het bestaan van dit algemeen rechtsbeginsel kan niet worden bevestigd.

Algemene rechtsbeginselen nemen plaats in het recht naast de wet, maar niet tegen de wet , terwijl er gesteld wordt dat een vordering tot gerechtelijke controle op de uitoefening van het ouderlijk gezag er uiteindelijk toe kan leiden dat het hoofdverblijf van het kind en de uitoefening van andere bestanddelen van het ouderlijk gezag aan derden kan worden toevertrouwd, hetgeen neerkomt op een omzeiling van de expliciete bepalingen van artikel 387bis B.W.

Overigens wordt hierbij niet uiteengezet waarom de gerechtelijke controle over de uitoefening van het ouderlijk gezag niet via de filter van de procureur des Konings zou kunnen gebeuren.

3.5 Bij toekenning van de "materiële bewaring" van een kind aan een derde wordt er dikwijls benadrukt dat het beslissingsrecht blijft toebehoren aan de ouders . Dit lijkt conceptueel onlogisch en in de praktijk onhoudbaar, indien daarmee bedoeld wordt dat het beslissingsrecht van de ouders met betrekking tot, bvb., de schoolkeuze niet zou kunnen worden aangevochten door de derde aan wie de "materiële bewaring" van het kind wordt toevertrouwd.

De kinderen hebben nood aan - en recht op - een coherent statuut, met duidelijke afbakening van de verantwoordelijkheden van de volwassenen die voor hen zorgen, hetgeen niet het geval is voor kinderen die niet bij hun ouders wonen wanneer alleen over hun "materiële bewaring" kan worden beslist, en niet over de te nemen beslissingen betreffende hun gezondheid, hun opvoeding, hun opleiding en hun ontspanning, noch over hun persoonlijke contacten met hun ouders.

4.

4.1 Ten onrechte roepen appellanten artikel 8 E.V.R.M. in om te stellen dat zij een eigen recht hebben dat hen toelaat maatregelen te vorderen met betrekking tot hun kleinzoon die tot hun gezin behoort.

Het recht van eenieder op respect voor zijn familie- en gezinsleven (art. 8.1), zoals geïnterpreteerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, biedt eerder een bijkomende reden tot voorzichtigheid, temeer nu een inmenging door de overheid op het ouderlijk gezag enkel toegestaan is voor zover deze door de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is voor o.m. de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (art. 8.2) .

Ook artikel 7.1 I.V.R.K., luidens hetwelk het kind voor zover mogelijk het recht heeft door zijn ouders te worden verzorgd, dwingt tot die voorzichtigheid.

Het komt aan de Belgische wetgever toe om te beslissen onder welke voorwaarden en binnen welke limieten een aantal rechten en plichten verbonden aan de ouderlijke verantwoordelijkheden - dagelijkse zorg en opvoeding, en recht om de ermee gepaard gaande beslissingen te nemen - kunnen worden toevertrouwd aan derden, naast of in plaats van de ouders.

4.2 Tenslotte wordt eveneens ten onrechte verwezen naar artikel 3.1 I.V.R.K., krachtens hetwelk bij alle maatregelen betreffende kinderen, hun belangen de eerste overweging dienen te vormen.

Wanneer grootouders in het kader van een burgerlijke procedure het hoofdverblijf van hun kleinkind willen bekomen, zonder dat dit door één van de ouders wordt gevorderd, dienen zij zich te richten tot de procureur des Konings. Dat is hetgeen de huidige Belgische wetgeving voorziet.

De echtgenoten V-W hebben dit niet gedaan maar kunnen dit nog altijd doen.

Zij tonen niet aan dat het in het hoger belang van Z verantwoord is om de door de Belgische wetgever voorziene procedure te negeren.

In afwachting van een wettelijk statuut voor zgn. zorgouders is de filter van de procureur des Konings zeker verdedigbaar.

Het is immers zo dat kinderen die door derden worden opgevangen, zonder duidelijk geakteerde toestemming van de ouders, zich dikwijls in problematische opvoedingssituaties bevinden.

Het is begrijpelijk dat de wetgever de procureur des Konings als een geschikt orgaan beschouwt om te oordelen of een burgerlijke procedure op grond van artikel 387bis B.W. gepast is, dan wel of een hulpverleningsaanbod zich opdringt in het kader van de decreten inzake bijzondere jeugdbijstand.

De vrijwillige of gerechtelijke jeugdbijstand biedt een aantal voordelen, waaronder het tijdelijk karakter, de gespecialiseerde begeleiding en de regelmatige evaluatie van de maatregel, zodat onder meer aan het herstel van de ouder-kind relatie kan worden gewerkt.

5.

Concluderend treedt het hof de beslissing en de pertinente motieven van de eerste rechter volledig bij.

Het hoger beroep is ongegrond.

Aangaande de gerechtskosten

De eerste rechter heeft oordeelkundig beslist omtrent de kosten van de rechtspleging in eerste aanleg.

Gelet op de hoedanigheid van partijen past het de kosten van de rechtspleging in hoger beroep om te slaan zoals hierna gepreciseerd.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, jeugdkamer,

Rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Gehoord mevrouw Deneulin, substituut van de heer Procureur-generaal, in haar advies,

Ontvangt het hoger beroep maar verklaart het ongegrond. Wijst appellanten ervan af.

Slaat de kosten van hoger beroep om met dien verstande dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de 31ste kamer, jeugdsectie van het hof van beroep te Brussel

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 12/08/2017 - 12:44
Laatst aangepast op: za, 12/08/2017 - 12:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.