-A +A

Groepsverzekering waardering bij vereffening-verdeling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 05/11/2015

De vermogenswaarde van de groepsverzekering moet worden verdeeld bij de vereffening-verdeling na echtscheiding. Dit is het logisch gevolg van de actueel aanvaarde stelling dat de aanspraken m.b.t. een groepsverzekering tot de huwelijksgemeenschap behoren, voor de gelden die dienden tot de opbouw van een spaarvolume tijdens de werking ervan.

Om tot verdeling over te gaan dient de nettowaarde van het kapitaal van de groepsverzekering op de datum van de affectieve verdeling in aanmerking worden genomen; dit is de waarde na aftrek van de RIZIV-bijdragen en andere bijzondere bijdragen en belastingen, dit echter enkel rekening houdende met de tot op het tijdstip van ontbinding met arbeidsinkomsten betaalde premies. Er mag bovendien enkel rekening worden gehouden met de opbouw van de groepsverzekering tot op de datum van ontbinding van het huwelijksvermogensstelstel. Anderzijds dient er actualisering plaats te vinden ten tijde van de verdeling, gelet op art. 890 BW. De actuele aangroei van de nettowaarde van het kapitaal van de groepsverzekering wordt ten tijde van de verdeling bekeken.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
580
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

H. t/ C.

...

I. Relevante feitelijke en procedurele elementen

1. Gilbert H. (hierna: H.) en Lucienne C. (hierna: C.) zijn ex-echtgenoten met twee gemeenschappelijke (intussen meerderjarige) kinderen.

Zij zijn in het huwelijk getreden op 4 juli 1975 onder een bij huwelijkscontract van 27 juni 1975 bedongen gemeenschapsstelsel.

Zij zijn, na hun feitelijke scheiding sinds het najaar van 1990, uit de echt gescheiden bij (definitief) vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent van 3 februari 2004, met navolgende betekening (op 4 maart 2004) en overschrijving (op 20 april 2004) van het beschikkende gedeelte van de echtscheidingsuitspraak in de registers van de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.

2. Krachtens art. 1278, tweede lid Ger.W. is het huwelijk in de vermogensrechtelijke verhouding tussen de partijen ontbonden op 18 juni 1999, dit is de datum van de eerste dagvaarding tot echtscheiding met toepassing van de oude artt. 229 en 231 BW, uitgaande van C.

De tweede dagvaarding tot echtscheiding van 28 november 2003 met toepassing van het oude art. 232, eerste lid BW, uitgaande van H. verandert voormelde refertedatum niet.

3. In het echtscheidingsvonnis van 3 februari 2004 beveelt de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent de gerechtelijke vereffening-verdeling (in de zin van de oude artt. 1207 e.v. Ger.W.) van de gewezen huwelijksgemeenschap H.-C., met aanwijzing van notaris D. en notaris V. als notarissen-vereffenaars in de zin van het oude art. 1209, tweede lid Ger.W. en notaris K. als notaris-vertegenwoordiger in de zin van het oude art. 1209, derde lid Ger.W.

4. Na voorafgaande notariële werkzaamheden (blijkens processen-verbaal van 14 juni 2004, 10 september 2004, 12 december 2005 en 22 september 2006) komen de notarissen-vereffenaars tot een staat van vereffening-verdeling van 29 april 2008. Bepaalde deelakkoorden vinden daarbij bevestiging.

5. Blijkens de notariële akte van 6 mei 2011 formuleren zowel H. als C. een aantal bezwaren.

6. Bij akte van 7 maart 2012 brengen de notarissen-vereffenaars advies uit.

II. Beroepen vonnis

1. Op 19 april 2012 leggen de notarissen-vereffenaars voor eensluidend verklaarde afschriften van voormelde notariële akten neer ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, en dit met toepassing van het oude art. 1219, § 2 Ger.W.

2. De partijen nemen conclusie in de lijn van hun respectieve bezwaren met het oog op aanpassing van de staat van vereffening-verdeling van 29 april 2008, (...).

3. Bij vonnis van 23 mei 2013 (...) beoordeelt de rechtbank de respectieve bezwaren, om het grootste gedeelte ervan af te wijzen.

...

Aldus verzendt de rechtbank de zaak terug naar de notarissen-vereffenaars met het oog op voortzetting van de werkzaamheden van vereffening-verdeling met toepassing van het oude art. 1223 Ger.W. Het komt de notarissen-vereffenaars toe hun staat van vereffening-verdeling van 29 april 2008 aan te passen, deels in de lijn van de akte van 7 maart 2012 en overeenkomstig de rechterlijke instructies.

...

III. Hogere beroepen

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 23 juli 2013 stelt H. hoger beroep in. Met zijn beroep beoogt H., met hervorming van het beroepen vonnis, de verdere inwilliging van zijn bezwaren met het oog op aanpassing van de staat van vereffening-verdeling van 29 april 2008.

...

2. C. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep van H. Bij wijze van incidenteel hoger beroep beoogt zij de inwilliging van haar bezwaren met het oog op aanpassing van de staat van vereffening-verdeling van 29 april 2008.

...

IV. Beoordeling

...

A. Al dan niet toepassing van art. 1278, vierde en vijfde lid Ger.W. voor wat betreft (1) de schelpenverzameling en (2) het pensioenfonds

1. Zoals aangegeven, leven de partijen feitelijk gescheiden sinds het najaar van 1990.

Het staat buiten kijf dat de start van (1) de schelpenverzameling en (2) het pensioenfonds dateert van vóór de feitelijke scheiding, met dien verstande dat zij nadien verder zijn opgebouwd (vgl. Cass. 6 februari 2009, RW 2009-10, 743).

2. H. voert aan dat de sinds het najaar van 1990 verder opgebouwde schelpenverzameling en het eveneens sinds het najaar van 1990 verder opgebouwde pensioenfonds buiten de vereffening-verdeling van de huwelijksgemeenschap H.-C. moeten worden gehouden. Hij beroept zich op art. 1278, vierde en vijfde lid Ger.W. en voert aan dat in casu afdoende uitzonderlijke omstandigheden voorliggen die maken dat bij de vereffening-verdeling van de huwelijksgemeenschap H.-C. billijkerwijze geen rekening kan worden gehouden met de (verder opgebouwde) schelpenverzameling en het (eveneens verder opgebouwde) pensioenfonds. Hij preciseert dat de jarenlange feitelijke scheiding heeft meegebracht dat er geen solidariteit of samenwerking meer was. Hij illustreert dit gebrek aan samenwerking met een verwijzing naar beslissingen van de vrederechter van 1993 die maakten dat hij (1) beide kinderen hoofdzakelijk bij zich had en (2) de vermogensportefeuille op gemoduleerde wijze alleen bestuurde.

3. Zoals reeds aangegeven, is het huwelijk in de vermogensrechtelijke verhouding tussen de partijen ontbonden op 18 juni 1999, dit is de datum van de dagvaarding tot echtscheiding met toepassing van de oude artt. 229 en 231 BW, uitgaande van C (art. 1278, eerste lid Ger.W.).

...

De gewezen huwelijksgemeenschap wordt een postcommunautaire onverdeeldheid, met het oog op vereffening-verdeling. Ten aanzien van derden speelt de datum van de overschrijving van het beschikkende gedeelte van de echtscheidingsuitspraak in de registers van de ambtenaar van de burgerlijke stand, in casu 20 april 2004.

De terugwerking van de echtscheidingsuitspraak tussen de (ex-)echtgenoten tot de dag van het instellen van de echtscheidingsprocedure vangt echter gebeurlijk onvoldoende het gebrek aan zogeheten affectio societatis op indien de echtgenoten (reeds voordien) feitelijk gescheiden leven. Vandaar dat, krachtens art. 1278, vierde lid Ger.W., de rechter, op vordering van een van de echtgenoten, indien hij dit wegens uitzonderlijke omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, billijk acht, in het echtscheidingsvonnis kan beslissen dat bij de vereffening-verdeling van de huwelijksgemeenschap geen rekening wordt gehouden met sommige goederen die zijn verworven of met sommige schulden die zijn aangegaan sinds het tijdstip dat de echtgenoten feitelijk gescheiden leefden (zie o.m.: E. Coene, «Commentaar bij art. 1278 Ger.W.» in Comm. Pers. 1999, p. 31-44, nrs. 49-83; W. Pintens e.a., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 247-251, nrs. 450-455). Krachtens art. 1278, vijfde lid Ger.W. kunnen de partijen een dergelijke vordering ook instellen in de loop van de vereffening-verdeling van de huwelijksgemeenschap.

De vordering is ontvankelijk zolang de notariële staat van vereffening-verdeling hetzij ingevolge bekrachtiging door de partijen hetzij ingevolge rechterlijke homologatie geen definitief karakter heeft verkregen. De vordering kan gerust in de loop van de notariële werkzaamheden, bijvoorbeeld in het raam van de bezwarenprocedure, worden ingesteld. In voorkomend geval is het eerst aan de notaris(sen)-vereffenaar(s) om standpunt in te nemen en (zo nodig) nadien pas aan de rechter.

Goederen die zijn verworven of schulden die zijn aangegaan vóór de feitelijke scheiding worden derhalve niet bedoeld. Evenmin worden bedoeld goederen of schulden die krachtens de regels aangaande het gemeenschapsstelsel eigen zijn, eventueel tegen betaling van vergoeding aan het gemeenschappelijke vermogen.

Art. 1278, vierde en vijfde lid Ger.W. geldt voor elke vorm van echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting. De echtgenoot die er zich op beroept, moet de feitelijke scheiding bewijzen.

De toepassing van art. 1278, vierde lid Ger.W. onderstelt (bewezen) uitzonderlijke omstandigheden, terwijl de feitelijke scheiding in se daartoe niet volstaat. Omstandigheden die inherent zijn aan elke feitelijke scheiding komen niet in aanmerking. De omstandigheden moeten in essentie hierop neerkomen dat m.b.t. de bedoelde goederen en schulden geen affectio societatis tussen de echtgenoten bestaat, omdat zij van gescheiden inkomsten en met gescheiden uitgaven hebben geleefd. Is er een belangengemeenschap tussen de echtgenoten blijven bestaan (m.b.t. de bedoelde goederen en schulden), dan is de toepassing van art. 1278, vierde lid Ger.W. uitgesloten.

De rechter spreekt uit naar billijkheid. Hij is niet verplicht op het verzoek tot toepassing van art. 1278, vierde lid Ger.W. in te gaan indien uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn. De rechter beslist in feite en op onaantastbare wijze over het uitzonderlijke karakter van de omstandigheden eigen aan de zaak, die hij releveert. De billijkheid houdt niet in dat de rechter verplicht is met de schuld aan de feitelijke scheiding rekening te houden. De centrale maatstraf is het gebrek aan affectio societatis en niet de schuld aan de feitelijke scheiding.

De toepassing van art. 1278, vierde lid Ger.W. kan als zodanig geen terugwerking behelzen van de ontbinding van het huwelijk in de vermogensrechtelijke verhouding tussen de partijen. Het moet specifiek gaan om bepaalde goederen en schulden waarmee, gelet op de uitzonderlijke omstandigheden eigen aan de zaak, billijkheidshalve geen rekening kan worden gehouden, met dien verstande dat die bepaalde goederen en schulden de facto kunnen gelijkstaan met de geheelheid van goederen en schulden die sedert de feitelijke scheiding zijn verworven of aangegaan.

4. Naar het oordeel van het hof liggen (los van de discussie over de toepassing van art. 1278, vierde lid Ger.W., ondanks het gegeven dat de start van de schelpenverzameling en het pensioenfonds dateert van vóór de feitelijke scheiding) in casu (hoe dan ook) geen afdoende uitzonderlijke omstandigheden voor. De door H. aangevoerde omstandigheden maken niet dat bij de vereffening-verdeling van de huwelijksgemeenschap H.-C. billijkerwijze geen rekening kan worden gehouden met de sinds het najaar van 1990 verder opgebouwde schelpenverzameling en het sinds het najaar van 1990 verder opgebouwde pensioenfonds. De jarenlange feitelijke scheiding in se volstaat niet, terwijl de focus op de schelpenverzameling en het pensioenfonds (los van andere elementen van de huwelijksgemeenschap H.-C.) niet duidelijk is, behalve als de vermogenswaarde aanzienlijk is. De beslissingen van de vrederechter van 1993 die meebrachten dat H. (1) beide kinderen hoofdzakelijk bij zich had en (2) de vermogensportefeuille op gemoduleerde wijze alleen bestuurde, bieden onvoldoende verantwoording voor de beoogde toepassing van art. 1278, vierde en vijfde lid Ger.W. Het in de beslissing van de vrederechter van 22 juni 1993 bedoelde alleenbestuur omvat overigens de verplichting om «de opbrengst te plaatsen op een gemeenschappelijke rekening waarover de partijen enkel in onderling overleg kunnen beschikken».

De verdere redenering van H. op basis van de parlementaire voorbereiding van medio 2013 «tot wijziging van art. 130 BW en van diverse bepalingen inzake het huwelijksvermogensrecht, in het bijzonder met betrekking tot de levensverzekering, de vergoedingsregelingen en de gevolgen van de echtscheiding» gaat niet op. De parlementaire voorbereiding van een (nog) niet tot stand gekomen wet kan hic et nunc niet zonder meer gelden (zie: R. Barbaix, «Groepsverzekeringen en familiaal vermogensrecht: een nieuwe invalshoek?» in R. Barbaix e.a. (eds.), De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 120 e.v., nrs. 28 e.v.; R. Barbaix, «Individuele levensverzekeringen en aanvullende pensioenen in het nieuwe huwelijksvermogensrecht», TEP 2014, 276 e.v.). Voorts speelt art. 1278, vierde en vijfde lid Ger.W. niet voor het pensioenfonds. De huwelijksgemeenschap H.-C. is ook dienaangaande onverkort blijven werken. Naarmate de opbouw van het pensioenfonds gebeurde tijdens de werking van de huwelijksgemeenschap H.-C. en meer precies tot 18 juni 1999, is de vermogenswaarde ervan gemeenschappelijk (R. Barbaix, «Groepsverzekeringen en familiaal vermogensrecht: een nieuwe invalshoek?» in R. Barbaix e.a. (eds.), De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 114-120, nrs. 17-27).

5. Het bezwaar van H. slaagt niet, in de lijn van wat ook de notarissen-vereffenaars en de eerste rechter oordelen.

...

E. Pensioenfonds

1. Zoals reeds aangegeven, kan het bezwaar van H. niet dienen in zoverre hij zich beroept op art. 1278, vierde en vijfde lid Ger.W. om het pensioenfonds (...) buiten vereffening-verdeling van de huwelijksgemeenschap H.-C. te houden.

De huwelijksgemeenschap H.-C. is ook dienaangaande onverkort blijven werken. Naarmate de opbouw van het pensioenfonds gebeurde tijdens de werking van de huwelijksgemeenschap H.-C. en meer precies tot 18 juni 1999, is de vermogenswaarde ervan gemeenschappelijk (GwH 27 juli 2011, JT 2012, 156, noot Y.-H. Leleu en L. Rousseau, NFM 2012, noot B. Scheers, RABG 2011, 1353, noot C. Hendrickx, RNB 2012, 3061, 211, noot H. Casman, TBH 2012, noot C. Devoet, T.Fam. 2012, 19, noot U. Cerulus, T.Not. 2011, 595, noot J. Du Mongh; Cass. 30 november 2012, Rev.trim.dr.fam. 2013, 968; R. Barbaix, «Groepsverzekeringen en familiaal vermogensrecht: een nieuwe invalshoek?» in R. Barbaix e.a. (eds.), De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 114-120, nrs. 17-27).

2. Aannemen dat de aanspraken m.b.t. het zogeheten HPF, dat een groepsverzekering uitmaakt (met recente uitbetaling aan H., gelet op het bereiken van diens pensioenleeftijd), tot de huwelijksgemeenschap H.-C. behoren, althans in voormelde mate van opbouw tijdens de werking ervan (zie: A. Van Geel en Ch. Declerck, «Actuele planningstechnieken in vraag gesteld», NFM 2011, p. 197, nr. 43), heeft tot gevolg dat de vermogenswaarde van deze groepsverzekering moet worden verdeeld bij de vereffening-verdeling na echtscheiding. De vraag rijst hoe die verdeling concreet moet gebeuren, mede gelet op het (ter terechtzitting van 15 oktober 2015 te kennen gegeven) feit dat het verzekerde kapitaal van de groepsverzekering intussen is uitbetaald. H. geeft aan dat hij medio 2015 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, zodat uitbetaling heeft plaatsgevonden.

Werken met een onmiddellijke verrekening via een (in voorkomend geval tegen nadelige voorwaarden door te voeren of te verrekenen) vervroegde afkoop(waarde) was een optie. Door de onmiddellijke verrekening verkrijgt de echtgenoot-niet-houder van de groepsverzekering een vervroegd en zeker recht. Zowel deze vervroegde betaling als het wegvallen van het vroegtijdig overlijdensrisico moeten worden verrekend bij de waardebepaling. Daarbij moeten bovendien ook de sociale, fiscale en andere lasten worden verrekend (R. Barbaix, «Groepsverzekering en familiaal vermogensrecht: een nieuwe invalshoek?» in R. Barbaix e.a. (eds.), De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 119-120, nr. 26). Die optie was echter economisch moeilijk te verantwoorden. In die optiek kon worden gewerkt met uitgestelde aanspraken of aanspraken onder opschortende voorwaarde. Tot de huwelijksgemeenschap behoort dan een niet-vervallen recht op kapitaal van de groepsverzekering (R. Barbaix, «Groepsverzekeringen en familiaal vermogensrecht: een nieuwe invalshoek?» in R. Barbaix e.a. (eds.), De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 118-119, nr. 25).

Gelet op de effectieve uitbetaling is een en ander in het onderhavige geval niet meer aan de orde. Ingevolge de uitbetaling is onmiddellijke verrekening zonder meer mogelijk.

In casu opteren beide partijen sowieso voor een onmiddellijke verrekening. De discussie is beperkt tot de waardering. Meer precies rijst de vraag naar het ijkpunt voor de waardering: de datum van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel (18 juni 1999) of de datum van de effectieve verdeling (art. 890 BW).

3. Het hof sluit zich aan bij de gevestigde zienswijze in de rechtspraak en de rechtsleer dat de nettowaarde van het kapitaal van de groepsverzekering op de datum van de effectieve verdeling in aanmerking moet worden genomen: dit is de waarde na aftrek van de RIZIV-bijdragen en andere bijzondere bijdragen en belastingen, zij het enkel rekening gehouden met de tot op het tijdstip van ontbinding met arbeidsinkomsten betaalde premies (zie: A. Van Geel en Ch. Declerck, «Actuele planningstechnieken in vraag gesteld», NFM 2011, p. 196-197, nr. 42). Zoals C. terecht aanstipt, kan enkel rekening worden gehouden met de opbouw van de groepsverzekering tot op de datum van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel (18 juni 1999), maar is wel actualisering aangewezen ten tijde van de verdeling, gelet op art. 890 BW (zie ook: Gent 24 maart 2005, T.Not. 2005, 481). De actuele aangroei van de nettowaarde van het kapitaal van de groepsverzekering moet ten tijde van de verdeling worden bekeken.

De aldus bedoelde waarde ligt voor, gelet op door de notarissen-vereffenaars in die zin (via het bedrijf T.W.) ingewonnen informatie. De informatie maakt dat het gaat om een bedrag van 432.739,85 euro. Zoals reeds aangegeven, blijkt evenwel intussen uitbetaling (van, in totaal, een veel ruimer nettobedrag) te hebben plaatsgevonden. Het past derhalve voormelde formule en zodoende berekening aan de hand van «de waarde na aftrek van de RIZIV-bijdragen en andere bijzondere bijdragen en belastingen, zij het enkel rekening gehouden met de tot op het tijdstip van ontbinding met arbeidsinkomsten betaalde premies» en «de verdere aangroei van de nettowaarde van het kapitaal van de groepsverzekering ten tijde van de verdeling» op basis van het effectief uitbetaalde bedrag door te voeren.

4. Het bezwaar van H. slaagt niet, in de lijn van wat de notarissen-vereffenaars (uiteindelijk in hun akte van 7 maart 2012, gelet op het bezwaar van C.) en de eerste rechter oordelen.

De notarissen-vereffenaars moeten hun staat van vereffening-verdeling van 29 april 2008 in voormelde zin verder aanpassen. Het komt hen toe daarbij te werken met gebeurlijk via het bedrijf T.W. bijkomend in te winnen informatie, gelet op het effectief uitbetaalde bedrag.

...

I. Actualiseren van de gemeenschappelijke effectenrekeningen en bijhorende zichtrekeningen

1. H. betoogt dat de gemeenschappelijke effectenrekeningen en bijhorende zichtrekeningen los van een gebeurlijke toebedeling (die H. overigens betwist) moeten worden gewaardeerd ten tijde van de verdeling (art. 890 BW; Cass. 12 september 2008, RABG 2009, 822). Dit geldt voor alle onverdeelde elementen, ongeacht of zij aan H. dan wel aan C. toekomen. Dat de (actuele) waarden moeilijk of zelfs nagenoeg niet meer te achterhalen zijn, verleent volgens H. geen vrijbrief. H. vervolgt dat diegene die de bedoelde rekeningen beheert, in het raam van een beheersrekening rekening en verantwoording is verschuldigd (art. 577-2 BW). Daar blijkens de staat van vereffening-verdeling van 29 april 2008 C. houder is van de effectenrekening met bijhorende zichtrekening (...), moet zij dienovereenkomstig rekening en verantwoording afleggen.

C. betwist, mede gelet op de afgesproken toebedeling die blijkt uit de staat van vereffening-verdeling van 29 april 2008 en de notariële akte van 7 maart 2012, terwijl het voorts gaat om een nieuw bezwaar dat geenszins besloten zit in de notariële akte van 6 mei 2011.

2. Mede in het licht van de cassatiearresten van 6 mei 1990 (Arr.Cass. 1989-90, 1036) en tevens 9 mei 1997 (Arr.Cass. 1997, 531) beklemtoont het hof dat uit de (oude) artt. 1209-1223 Ger.W. en uit de toelichting daarbij in het verslag van de Koninklijke Commissie (Ch. Van Reephingen) over de gerechtelijke hervorming volgt dat die wetsbepalingen aldus moeten worden gelezen dat slechts de betwistingen uitgedrukt in of voortvloeiend uit de beweringen en zwarigheden opgenomen (overeenkomstig oud art. 1218 Ger.W.) in het proces-verbaal van de notaris(sen)-vereffenaar(s) door de neerlegging ter griffie van de uitgifte van dit proces-verbaal, bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt, tenzij de partijen akkoord gaan om andere betwistingen aan de rechtbank of het hof voor te leggen. Een dergelijk akkoord ligt in het onderhavige geval niet voor.

Ook de andere mogelijke uitzonderingen (openbare orde, overmacht, in gebreke blijvende notaris(sen)-vereffenaar(s)) zijn hier niet aan de orde.

Hierbij dient nog aangestipt te worden dat, in alle voormelde uitzonderingssituaties, de (homologatie)rechter de «nieuwe» bezwaren nooit rechtstreeks kan beslechten. Zij moeten steeds in eerste instantie door de notaris(sen)-vereffenaar(s) worden behandeld die, bij gebrek aan verzoening, zijn/haar/hun advies te kennen geeft/geven. Een en ander geldt ook bij akkoord van de partijen (zie: A. Van Den Bossche, «Proces-verbaal van beweringen en zwarigheden & afsluiting van de procedure» in KFBN (ed.), Vereffening-verdeling, Antwerpen, Kluwer, 1992, 135; vgl.: M. Puelinckx-Coene en J. Verstraete, «Overzicht van rechtspraak (1988-1995): Erfenissen», TPR 1997, p. 339, nr. 246).

Nu geen van voormelde uitzonderingssituaties in het onderhavige geval aan de orde zijn, kan het hof niet ingaan op voormeld(e) «nieuw» bezwaar/vordering.

...

Noot: 

• Groepsverzekering wat bij echtscheiding;  C. Hendrickx, RABG, 2011/19, 1358

• Ulrike Cerelus, Het statuut van het groepsverzekeringskapitaal in een gemeenschapsstelsel: Het grondwettelijk hof hakt de knoop door. T. Fam. 2012/1, pagina 22 alwaar het arrest eveneens werd gepubliceerd.

• dit arrest werd ook gepubliceerd in het RW 2012-2013 met vermelding datum 27 juli 2011

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 05/12/2017 - 08:36
Laatst aangepast op: do, 07/12/2017 - 09:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.