-A +A

Groepsverzekering bij echtscheiding uitbetaald ruim voor ontbinding huwelijk

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 28/01/2016

Naarmate de opbouw van het pensioenfonds (bij wijze van spaarverrichting) gebeurde tijdens de werking van de huwelijksgemeenschap, is de vermogenswaarde ervan gemeenschappelijk.

Dat de premiebetalingen gebeurden hetzij door een echtgenoot, hetzij door diens door zijn werkgever, is op zich niet cruciaal: punt is de bedoelde spaarverrichting als aanvullend inkomen.

Aannemen dat de aanspraken m.b.t. het pensioenfonds tot de gewezen huwelijksgemeenschap behoren, althans in voormelde mate van opbouw tijdens de werking ervan, heeft tot gevolg dat de vermogenswaarde van dit pensioenfonds moet worden verdeeld bij de vereffening-verdeling na echtscheiding.

Ingeval de uitbetaling is gedaan, is onmiddellijke verrekening zonder meer mogelijk.

In beginsel moet de nettowaarde van het kapitaal van de groepsverzekering op de datum van de effectieve verdeling in aanmerking worden genomen, dit is de waarde na aftrek van de RIZIV-bijdragen en andere bijzondere bijdragen en belastingen, zij het enkel rekening gehouden met de tot op het tijdstip van ontbinding door middel van arbeidsinkomsten betaalde premies. Daarbij kan enkel rekening worden gehouden met de opbouw van de groepsverzekering tot op de datum van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel, maar is wel actualisering aangewezen ten tijde van de verdeling, gelet op art. 890 BW. De actuele aangroei van de nettowaarde van het kapitaal van de groepsverzekering moet ten tijde van de verdeling worden bekeken.

Wanneer de uitbetaling heeft plaatsgevonden (geruime tijd) vóór de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel (met investering van het kapitaal in een onroerend goed), is concrete verdeling van de vermogenswaarde van deze groepsverzekering (als zodanig) bij de vereffening-verdeling na echtscheiding niet aan de orde.

De rechtbank stelde vat dat de groepsverzekering werd aangewend tot terugbetaling van een overbruggingskrediet tot aankoop van dit onroerende goed waarna de vergoedingsregels werden toegepast van art. 1434 en 1435 B.W.:

 

Art. 1434.  Het gemeenschappelijk vermogen is vergoeding verschuldigd ten belope van de eigen of uit vervreemding van een eigen goed voortkomende gelden die in dat vermogen zijn gevallen en niet zijn belegd of wederbelegd, alsook, in het algemeen, telkens als het voordeel heeft getrokken uit de eigen goederen van een der echtgenoten.

Art. 1435.  De vergoeding mag niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. Hebben de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is; is het vervreemde goed vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed.
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
832
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

V. t/ C.

...

I. Relevante feitelijke en procedurele elementen

1. V. en C. zijn in het huwelijk getreden op 17 februari 1995 onder een bij huwelijkscontract van 25 januari 1995 bedongen gemeenschapsstelsel.

Zij zijn, na een feitelijke scheiding, uit de echt gescheiden bij (definitief) vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne van 7 oktober 2004, met navolgende betekening (op 22 oktober 2004) en overschrijving (op 23 december 2004) van het beschikkende gedeelte van de echtscheidingsuitspraak in de registers van de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.

2. Krachtens art. 1278, tweede lid Ger.W. is het huwelijk in de vermogensrechtelijke verhouding tussen de partijen ontbonden op 18 april 2003, dit is de datum van de dagvaarding tot echtscheiding met toepassing van het oude art. 231 BW, uitgaande van C.

3. In het echtscheidingsvonnis van 7 oktober 2004 beveelt de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne de gerechtelijke vereffening-verdeling (in de zin van de oude artt. 1207 e.v. Ger.W.) van de gewezen huwelijksgemeenschap V.-C., met aanwijzing van notaris V.D. als notaris-vereffenaar in de zin van het oude art. 1209, tweede lid Ger.W. en notaris V.W. als notaris-vertegenwoordiger in de zin van het oude art. 1209, derde lid Ger.W.

4. Na voorafgaande notariële werkzaamheden (...) komt de notaris-vereffenaar tot een staat van vereffening-verdeling van 1 februari 2007.

...

5. Blijkens de notariële akte van 27 maart 2007 formuleren zowel V. als C. een aantal bezwaren.

...

6. Bij akte van 3 augustus 2007 brengt de notaris-vereffenaar advies uit, met aanpassing van zijn staat van vereffening-verdeling.

...

II. Beroepen vonnis

1. Op 10 augustus 2007 legt de notaris-vereffenaar voor eensluidend verklaarde afschriften van voormelde notariële akten neer ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne, en dit met toepassing van het oude art. 1219, § 2 Ger.W.

2. De partijen nemen conclusie in de lijn van hun respectieve bezwaren met het oog op (verdere) aanpassing van de (aangepaste) staat van vereffening-verdeling van 3 augustus 2007.

...

4. Bij (tussen)vonnis van 20 oktober 2010 (...) beoordeelt de rechtbank de respectieve bezwaren om het gros ervan af te wijzen.

...

III. Hogere beroepen

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 23 januari 2014 stellen de rechtsopvolgers van V. beperkt hoger beroep in (enkel) tegen voormeld (tussen)vonnis van 20 oktober 2010. Met hun hoger beroep beogen de rechtsopvolgers van V., met hervorming van het beroepen vonnis, de (verdere) inwilliging van bepaalde bezwaren van V. met het oog op (verdere) aanpassing van de (aangepaste) staat van vereffening-verdeling van 3 augustus 2007.

2. C. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep van de rechtsopvolgers van V.

Bij wijze van incidenteel hoger beroep beoogt zij de (verdere) inwilliging van bepaalde van haar bezwaren met het oog op (verdere) aanpassing van de (aangepaste) staat van vereffening-verdeling van 3 augustus 2007.

...

IV. Beoordeling

...

d. Groepsverzekering – pensioenfonds – bedrijfspensioenvoorziening

1. Blijkens de staat van vereffening-verdeling van 1 februari 2007, met bevestiging in de aangepaste staat van vereffening-verdeling van 3 augustus 2007:

– heeft V. recht op een vergoeding ten laste van de gewezen huwelijksgemeenschap V.-C. wegens de inbreng van eigen gelden bij de aankoop van het appartement te D.;

– bedraagt deze inbreng 72.440,60 euro, dit is het deel van de naar aanleiding van het pensioen van V. (einde 1997) via zijn werkgever uitbetaalde kapitaal van een groepsverzekering, in overeenstemming met de vóórhuwelijkse premiebetalingen of 386/420 van het in totaal uitbetaalde kapitaal ten bedrage van 78.821,37 euro;

– is dit deel van het uitbetaalde kapitaal van de groepsverzekering (die als een spaarverrichting kan worden beschouwd) eigen, terwijl het uitbetaalde kapitaal ten bedrage van 6.380,77 euro, in overeenstemming met de huwelijkse premiebetalingen of 34/420 van het in totaal uitbetaalde kapitaal ten bedrage van 78.821,37 euro, een gemeenschappelijk karakter vertoont;

– is derhalve van het in totaal uitbetaalde kapitaal van de groepsverzekering ten bedrage van 78.821,37 euro (1) een bedrag van 72.440,60 euro eigen van V. en (2) een bedrag van 6.380,77 euro gemeenschappelijk;

– heeft V. wegens de inbreng ten bedrage van 72.440,60 euro bij de aankoop van het appartement te D. ten bedrage van 88.002,20 euro recht op een met toepassing van art. 1435 BW geherwaardeerde vergoeding ten bedrage van 82.318 euro.

2. Het staat buiten kijf dat naar aanleiding van het pensioen van V. (einde 1997) via zijn werkgever (begin 1998) een kapitaal van een groepsverzekering is uitbetaald ten bedrage van 78.821,37 euro.

Het staat evenzeer buiten kijf dat hiervan (1) 386/420 of een bedrag van 72.440,60 euro overeenstemt met de vóórhuwelijkse premiebetalingen en (2) 34/420 of een bedrag van 6.380,77 euro overeenstemt met de huwelijkse premiebetalingen.

3. Enkel de huwelijkse premiebetalingen gebeurden (door V. en/of zijn werkgever) met (huwelijkse inkomsten van V. en derhalve met) gemeenschapsgelden, zodat van het uitbetaalde kapitaal enkel het bedrag van 6.380,77 euro een gemeenschappelijk karakter vertoont.

Naarmate de opbouw van het pensioenfonds (bij wijze van spaarverrichting) gebeurde tijdens de werking van de huwelijksgemeenschap V.-C. en meer precies in de periode vanaf het huwelijk op 17 februari 1995 tot aan het pensioen van V. eind 1997 (34 maanden), is de vermogenswaarde ervan gemeenschappelijk (GwH 27 juli 2011, JT 2012, 156, noot Y.-H. Leleu en L. Rousseau, NFM 2012, noot B. Scheers, RABG 2011, 1353, noot C. Hendrickx, RNB 2012, 3061, 211, noot H. Casman, TBH 2012, 272, noot C. Devoet, T.Fam. 2012, 19, noot U. Cerulus, T.Not. 2011, 595, noot J. Du Mongh; Cass. 30 november 2012, RTDG 2013, 968; R. Barbaix, «Groepsverzekeringen en familiaal vermogensrecht: een nieuwe invalshoek?» in R. Barbaix e.a. (eds.), De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 114-120, nrs. 17-27; H. Casman, «Actualia huwelijksvermogensrecht», Not.Fisc.M. 2015, 245-247).

Dat de premiebetalingen gebeurden hetzij door V. hetzij zijn werkgever is op zich niet cruciaal: punt is de bedoelde spaarverrichting als aanvullend inkomen (R. Barbaix, «Groepsverzekeringen en familiaal vermogensrecht: een nieuwe invalshoek?» in R. Barbaix e.a. (eds.), De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 116-117, nr. 20).

Gelet op de reeds voorliggende rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (inzonderheid) aangaande de alsdan nog toepasselijke bepalingen van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, is geen (verdere) prejudiciële vraagstelling aan dit Hof nodig (J. Vanpraet en C. Forniville, «Prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof: rol van de rechter en de partijen in het bodemgeschil» in J. Ghysels en B. Vanlerberghe (eds.), Prejudiciële vragen – De techniek in kaart gebracht, Antwerpen, Intersentia, 2013, p. 121-122, nr. 71).

4. Aannemen dat de aanspraken m.b.t. de groepsverzekering (met uitbetaling aan V., gelet op het bereiken van diens pensioenleeftijd) tot de gewezen huwelijksgemeenschap V.-C. behoren, althans in voormelde mate van opbouw tijdens de werking ervan (zie: A. Van Geel en Ch. Declerck, «Actuele planningstechnieken in vraag gesteld», NFM 2011, p. 197, nr. 43), heeft tot gevolg dat de vermogenswaarde van deze groepsverzekering moet worden verdeeld bij de vereffening-verdeling na echtscheiding. Ingeval de uitbetaling is gedaan, is onmiddellijke verrekening zonder meer mogelijk (vgl. R. Barbaix, «Groepsverzekeringen en familiaal vermogensrecht: een nieuwe invalshoek?» in R. Barbaix e.a. (eds.), De groepsverzekering als aanvullend pensioen, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 118-120, nrs. 25-26).

In beginsel moet de nettowaarde van het kapitaal van de groepsverzekering op de datum van de effectieve verdeling in aanmerking worden genomen, dit is de waarde na aftrek van de RIZIV-bijdragen en andere bijzondere bijdragen en belastingen, zij het enkel rekening gehouden met de tot op het tijdstip van ontbinding door middel van arbeidsinkomsten betaalde premies (zie: A. Van Geel en Ch. Declerck, «Actuele planningstechnieken in vraag gesteld», NFM 2011, p. 196-197, nr. 42). Daarbij kan, zoals reeds aangegeven, enkel rekening worden gehouden met de opbouw van de groepsverzekering tot op de datum van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel, maar is wel actualisering aangewezen ten tijde van de verdeling, gelet op art. 890 BW (zie ook: Gent 24 maart 2005, T.Not. 2005, 481). De actuele aangroei van de nettowaarde van het kapitaal van de groepsverzekering moet ten tijde van de verdeling worden bekeken.

In casu heeft de uitbetaling evenwel plaatsgevonden (geruime tijd) vóór de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel (op 18 april 2003) en meer precies begin 1998.

Bovendien is het uitbetaalde kapitaal (volledig) geïnvesteerd bij de aankoop van het appartement te D.

Een concrete verdeling van de vermogenswaarde van deze groepsverzekering (als zodanig) bij de vereffening-verdeling na echtscheiding is derhalve niet aan de orde.

5. De aankoopprijs van het appartement te D. op 26 april 1997 bedroeg 88.002,20 euro.

Met het oog op deze aankoop zijn de echtgenoten V.-C. begin april 1997 bij de bank een overbruggingskrediet aangegaan ten bedrage van 4.000.000 + 202.400 = 4.202.400 fr. (thans: 104.174,77 euro).

Het later uitbetaalde kapitaal van de groepsverzekering is volledig aangewend tot terugbetaling van het overbruggingskrediet (art. 1434 BW). In die optiek is aan de werkgever van V. onherroepelijk opdracht gegeven om het kapitaal van de groepsverzekering rechtstreeks te storten op een rekeningnummer van de bank.

Terwijl gemeenschapsgelden zijn aangewend ten bedrage van 6.380,77 euro, zijn eigen gelden van V. aangewend ten bedrage van 72.440,60 euro.

Wegens de aanwending van zijn eigen gelden ten bedrage van 72.440,60 euro bij de aankoop van het appartement te D. ten bedrage van 88.002,20 euro met financiering ten bedrage van 104.174,77 euro heeft V. recht op een met toepassing van art. 1435 BW geherwaardeerde vergoeding ten belope van 72.440,60/104.174,77 = 69,54%.

Het gaat niet op om zowel 72.440,60 euro aan eigen gelden van V. als (zoals hierna aangegeven) 24.789,35 euro aan eigen gelden van C. aan te rekenen op het bedrag van 88.002,20 euro (wat de partijen ook beamen). De bedoelde bedragen van respectievelijk 72.440,60 euro en 24.789,35 euro dienden immers concreet tot terugbetaling van de lening, zodat de percentages in die zin moeten worden gezocht.

V. heeft derhalve recht op een vergoeding ten belope van 69,54% van de waarde van het appartement te D., zoals zij (mede gelet op het deskundigenverslag van 6 maart 2012) zal worden opgenomen in de definitieve staat van vereffening-verdeling (art. 890 BW).

6. Om deze redenen verdient de staat de vereffening-verdeling van 1 februari 2007, zoals bevestigd in de aangepaste staat van vereffening-verdeling van 3 augustus 2007, (verdere) aanpassing.

...

Noot: 

• Groepsverzekering wat bij echtscheiding;  C. Hendrickx, RABG, 2011/19, 1358

• Ulrike Cerelus, Het statuut van het groepsverzekeringskapitaal in een gemeenschapsstelsel: Het grondwettelijk hof hakt de knoop door. T. Fam. 2012/1, pagina 22 alwaar het arrest eveneens werd gepubliceerd.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 14/01/2018 - 11:45
Laatst aangepast op: zo, 14/01/2018 - 11:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.