-A +A

Gezag van strafrechtelijk gewijsde geen uitwerking ten aanzien van burgerlijke partij die hoger beroep aantekent

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 13/12/2016
A.R.: 
C.10.0234.F

Het gezag van gewijsde van een vrijspraak op strafgebied strekt zich niet uit tot de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering die is gesteund op de feiten waarvoor vrijspraak werd verleend en waartegen de burgerlijke partij hoger beroep heeft ingesteld.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.15.1489.N
S. I. P.,
beklaagde en burgerlijke partij,
eiser,
tegen
1. S. R.,
beklaagde,
2. I. D. W.,
burgerlijke partij,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 14 oktober 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De eiser heeft geen hoedanigheid om op te komen tegen de beslissing over de tegen de verweerder 1 ingestelde strafvordering.
In zoverre het cassatieberoep ook tegen die beslissing is gericht, is het niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 202 Wetboek van Strafvordering, artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 23 Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het strafrechtelijk gewijsde: het bestreden vonnis miskent het strafrechtelijk gewijsde van het beroepen vonnis door ten aanzien van de eiser een fout vast te stellen om hem af te wijzen van zijn burgerlijke rechtsvordering; het bestreden vonnis verantwoordt bijgevolg niet naar recht het oordeel dat de eiser verantwoordelijk is voor het ongeval doordat hij op een onvoorzichtige wijze en in strijd met het Wegverkeersreglement de rijbaan is opgereden.

3. Artikel 23 Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing in strafzaken.
In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

4. Het gezag van gewijsde van een vrijspraak op strafgebied strekt zich niet uit tot de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering die is gesteund op de feiten waarvoor vrijspraak werd verleend en waartegen de burgerlijke partij hoger beroep heeft ingesteld.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het bestreden vonnis beoordeelt de bewijswaarde van de plannen niet, terwijl de eiser in conclusie en op de rechtszitting hierover opmerkingen had gemaakt; het antwoordt evenmin op de door de eiser aangehaalde argumenten over de alcoholintoxicatie; aan de plannen wordt een bijzondere bewijswaarde gehecht; het bestreden vonnis had duidelijk moeten aangeven waarom de bewezen verklaarde telastlegging B niet in oorzakelijk verband staat met het ongeval.

6. Anders dan waarvan het middel uitgaat, hecht het bestreden vonnis geen bijzondere bewijswaarde aan de plannen.
In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.

7. Met de redenen die het vermeldt, beantwoordt het bestreden vonnis het bedoelde verweer, zonder dat het moet antwoorden op de argumenten die ter ondersteuning van dit verweer worden aangevoerd maar geen zelfstandig middel vormen en is de beslissing bijgevolg naar recht verantwoord.

In zoverre kan middel niet worden aangenomen.

8. Voor het overige komt het middel op tegen de beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.

Derde middel

9. Het middel voert schending aan van de artikelen 29, § 1, derde lid, en 38, § 1, 3°, Wegverkeerswet en artikel 12.4 Wegverkeersreglement: ingevolge de in kracht van gewijsde getreden vrijspraak van de eiser moet worden aangenomen dat het door hem uitgevoerde manoeuvre volledig was beëindigd en hij dus niet meer voorrangsplichtig was, maar volledig ingeschakeld in het verkeer; het bestreden vonnis oordeelt dan ook onterecht dat de eiser voorrang moest verlenen aan het verkeer aan zijn linkerzijde; de verweerder 1 bevond zich achter eisers voertuig, zodat het ongeval zich niet anders kan hebben voorgedaan dan door de onaangepaste snelheid van de verweerder 1.

10. In zoverre het middel is afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangehaalde wetsschending, is het niet ontvankelijk.

11. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het evenmin ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 120,51 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, op de openbare rechtszitting van 13 december 2016 

Noot: 

Cass. 17 september 2013, AR P.12.1724.N, AC 2013, nr. 455.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 23/11/2017 - 10:33
Laatst aangepast op: do, 23/11/2017 - 10:33

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.