-A +A

Gezag van gewijsde en uitwerking ten aanzien van nieuwe feiten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 11/12/2015
A.R.: 
C.14.0581.F

Indien de feiten die hebben geleid tot een beslissing in de eerste procedure, onderscheiden zijn van de feiten die worden aangevoerd tijdens de tweede procedure, is er geen gezag van gewijsde.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
991
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Vennootschap naar Luxemburgs recht V. en J.M.T. t/ NV L.G.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 8 mei 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Eerste middel

De niet-ontvankelijkheid die voortvloeit uit het gezag van het rechterlijk gewijsde veronderstelt krachtens art. 23 Ger.W., in burgerlijke zaken, dat het voorwerp, de oorzaak en de partijen dezelfde zijn.

In de zin van die bepaling, zoals van toepassing in dit geschil, omvat de oorzaak het feit en het recht dat toegepast wordt op het feit.

Indien de feiten die hebben geleid tot een beslissing in de eerste procedure, onderscheiden zijn van de feiten die worden aangevoerd tijdens de tweede procedure, is er geen gezag van gewijsde.

Het arrest stelt vast dat “[de eiser] op 20 november 2003 ten laste van [de verweerster] voor de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Aarlen een stakingsverzoek neerlegt”, dat hij “haar verwijt een activiteit uit te oefenen “in strijd met de in landbouwgebied toepasselijke normen” en tegen de “op 17 juni 2003 afgeleverde bouwvergunning””, dat, “enerzijds, [de verweerster] de bouwvergunning die haar werd afgeleverd niet naleeft [...] aangezien die betrekking heeft op “de bouw van een tuinbouwteeltcentrum””, “anderzijds, [de verweerster] in een landbouwgebied een gebouw voor uitsluitend commercieel gebruik heeft gevestigd [...], en daarbij de landbouwbestemming van het gebied waarin zij zich heeft gevestigd, niet naleeft”, dat “[de verweerster] betoogt dat zij de stedenbouwkundige vergunning naleeft, aangezien de oppervlakte die zij voor productie gebruikt groter is dan de oppervlakte die voor kantoren en verkoop dient”.

Het arrest vermeldt dat “de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Aarlen, in zijn beslissing van 15 januari 2004, [eisers] vordering verwerpt op grond dat [...] de enige voorwaarde die de bouwvergunning oplegt erin [...] bestaat dat er een lokale productie moet worden verzekerd op een grotere oppervlakte dan het verkoopgedeelte [...], zodat het landbouwkarakter van het gebied zoals bedoeld in het gewestplan wordt geëerbiedigd” en dat “[de] [door de eiser overgelegde deurwaarders[vaststelling] niet toereikend is om vast te stellen dat [de verweerster] een bouwvergunning heeft geschonden”.

Het arrest stelt vast dat “[de eiser] [...] vordert [...] dat van de [verweerster] de staking wordt bevolen van de verkoop van goederen die niet in haar exploitatie-centrum worden geproduceerd”, dat “hij betoogt dat de gemeenteraad, op 27 oktober 2011, [...] [de verweerster] een vergunning heeft verleend voor een commerciële vestiging teneinde serres te exploiteren waarvan de bouw werd toegestaan door een stedenbouwkundige vergunning van 9 juni 2011, met dien verstande [...] dat het moest gaan om serres die uitsluitend moesten dienen voor de teelt van tuinbouwgewassen” dat “het echter [...] gaat om een “een tuinartikelenwinkel””, en dat “de eiser van oordeel is die vestiging niet strookt met de landbouwbestemming van het gebied waarin zij gevestigd is”.

Het arrest, dat erop wijst dat “de eerste rechter, in zijn beslissing van 15 januari 2004, de vordering tot staking heeft verworpen [...] nadat hij had overwogen dat [de eiser] niet het bewijs leverde dat [de verweerster] de voorwaarden van de stedenbouwkundige vergunning van 17 juni 2003 niet naleefde [...] “om het landbouwkarakter te eerbiedigen van het gebied, zoals het door het gewestplan is vastgelegd” en overweegt dat, “hoewel er intussen een nieuwe stedenbouwkundige vergunning is afgeleverd, zodat [de verweerster] haar installaties kan wijzigen, de twee vorderingen dezelfde oorzaak hebben in de zin van art. 23 Ger.W.”, schendt die bepaling en verantwoordt bijgevolg niet naar recht zijn beslissing dat “[eisers] vordering volgens art. 25 Ger.W. niet ontvankelijk is”.

Het middel is gegrond.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 07/04/2014 - 19:13
Laatst aangepast op: ma, 20/03/2017 - 15:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.