-A +A

Gezag van gewijsde en uitwerking in andere geschillen tussen zelfde partijen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 08/03/2013
A.R.: 
C.12.0322.N

Uit de omstandigheid dat het voorwerp en de oorzaak van een definitief beslechte vordering in rechte niet dezelfde zijn als die van een latere vordering in rechte tussen dezelfde partijen, volgt niet noodzakelijk dat die overeenstemming ontbreekt voor elke aanspraak of betwisting die een partij in het ene of het andere geding aanvoert, noch dat de rechter een aanspraak kan aannemen waarvan de grondslag onverenigbaar is met wat vroeger is beslist.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2013-2014
Pagina: 
1176
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.12.0322.N

R.E. t/ R.E.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 6 februari 2012.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Het gezag van gewijsde van een rechterlijke beslissing in burgerlijke zaken kan worden tegengeworpen, niet alleen door en tegen degene die als eiser of verweerder in het geding is opgetreden, maar ook door en tegen degene die in het geding is tussengekomen of tot tussenkomst is geroepen, zij het slechts tot bindendverklaring.

2. Uit de omstandigheid dat het voorwerp en de oorzaak van een definitief beslechte rechtsvordering niet dezelfde zijn als die van een latere rechtsvordering tussen dezelfde partijen, volgt niet noodzakelijk dat die overeenstemming ontbreekt voor elke aanspraak of betwisting die een partij in het ene of het andere geding aanvoert, noch, bijgevolg, dat de rechter een aanspraak kan aannemen waarvan de grondslag onverenigbaar is met wat vroeger is beslist.

Het gezag van gewijsde strekt zich uit tot wat de rechter over een geschilpunt heeft beslist, en tot wat, om reden dat het geschil dat voor hem is gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke grondslag, al is het impliciet, van zijn beslissing uitmaakt.

3. Uit het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 9 juni 1999 blijkt dat de eiseres en de verweerder respectievelijk als derde en tweede verweerders waren opgeroepen om zich te verweren tegen een door de bank ingestelde pauliaanse vordering die ertoe strekte een overeenkomst van 7 december 1992 niet tegenwerpelijk te laten verklaren, en tegen een zijdelingse vordering.

Aldus blijkt dat de eiseres die tegenspraak heeft kunnen voeren over de kwalificatie van de overeenkomst van 7 december 1992, een partij is aan wie het gezag van gewijsde van dat vonnis kan worden tegengeworpen.

In zoverre het middel aanvoert dat het gezag van gewijsde het instellen van een nieuwe eis enkel verhindert tussen diegenen die wederzijds in dezelfde hoedanigheid partij waren in de procedure, faalt het naar recht.

4. Het arrest stelt vast dat het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 9 juni 1999 de pauliaanse vordering ingesteld door de bank tegen de overeenkomst van 7 december 1992 tussen de verweerder en J.E. waarbij deze laatste zijn aandelen in BVBA D.D., BVBA R. en BVBA F.F. overdroeg aan de verweerder, als ongegrond heeft afgewezen op grond dat de bank niet aantoont dat er fraude of bedrog zou zijn gepleegd door de schuldenaar en de derde bij deze rechtshandeling onder bezwarende titel en dat de bestreden rechtshandeling niet kan worden beschouwd als een rechtshandeling om niet, gelet op de tegenprestaties aangegaan door de overnemer van de aandelen, de verweerder.

Het arrest oordeelt vervolgens dat, aangezien in het vonnis van 9 juni 1999 al werd beslist dat de overeenkomst van overdracht van aandelen van 7 december 1992 geen schenking is, er niet meer zonder miskenning van het gezag van gewijsde van dit vonnis kan worden beslist dat dit wel het geval is.

5. Aansluitend kon het arrest zonder schending van de in het middel aangevoerde wetsbepalingen oordelen dat het gezag van gewijsde van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 9 juni 1999 verhindert dat uitspraak wordt gedaan over de vordering van de eiseres tot vaststelling dat voormelde overeenkomst een schenking onder de levenden is.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen
 

Noot: 

conclusie van advocaat-generaal C. Vandewal voor dit arrest in Arr.Cass. 2013, 660-664.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 07/04/2014 - 19:15
Laatst aangepast op: vr, 03/03/2017 - 13:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.