-A +A

Geweld, pesten, seksueel gedrag - Pestwet - Stakingsvordering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
vri, 06/10/2017
A.R.: 
2011/AB/1060

Artikel 32decies, § 2, eerste lid van de wet welzijn werknemers bepaalt:

“Op verzoek van de persoon die verklaart het voorwerp te zijn van feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk of van de organisaties en instellingen bedoeld in artikel 32duodecies stelt de voorzitter van de arbeidsrechtbank het bestaan vast van deze feiten en beveelt hij aan de dader de staking ervan, binnen de door hem vastgestelde termijn, zelfs indien deze feiten onder het strafrecht vallen.”

Deze procedure is een vordering tot staken en wordt behandeld zoals in kort geding voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank.

Naast de mogelijkheid om een vordering tot staken in te leiden, die tot doel heeft een einde te stellen aan geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, geeft artikel 32decies, § 1/1 aan onder andere het slachtoffer van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, de mogelijkheid om voor de arbeidsrechtbank een vordering tot schadevergoeding in te stellen en aldus herstel te bekomen van de materiële en morele schade wegens geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk.

Deze procedure wordt gevoerd als een normale procedure voor de arbeidsrechtbank

De stakingsrechter kan zich niet ertoe beperken het bestaan van pesterijen vast te stellen, zonder de staking ervan te bevelen.

Hierbij kan nuttig verwezen worden naar de zeer gelijkaardige bepaling van het vroegere artikel 95 wet handelspraktijken met toepassing waarvan de voorzitter van de rechtbank van koophandel het bestaan vaststelt van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk op de bepalingen van die wet uitmaakt en er de staking van beveelt.

Geoordeeld werd dat deze wettelijke bepaling voor gevolg heeft dat de stakingsrechter in de regel het bestaan van een inbreuk niet kan vaststellen zonder vervolgens de staking ervan te bevelen.

Analoog kan de voorzitter van de arbeidsrechtbank in de regel niet het bestaan van pesterijen vaststellen zonder vervolgens de staking ervan te bevelen.

Het vroegere artikel 95 wet handelspraktijken sluit ook niet uit dat de stakingsrechter vaststelt dat een bepaalde daad een inbreuk vormt op de eerlijke handelspraktijken, en vervolgens deze daad niet als dusdanig verbiedt omdat zij door het verloop van de tijd volledig voltrokken is maar de staking beveelt van de onrechtmatige praktijken die eraan ten grondslag liggen, dit teneinde herhaling te voorkomen.

Analoog is het arbeidshof van oordeel dat de voorzitter van de arbeidsrechtbank het bestaan van pesterijen kan vaststellen indien hij vervolgens maatregelen beveelt die de herhaling van de pesterijen onmogelijk moeten maken.

In het kader van de stakingsvordering voorzien in artikel 32decies, § 2, eerste lid van de wet welzijn werknemers volgt uit wat voorafgaat dat de stakingsrechter niet het bestaan van pesterijen kan vaststellen zonder hier de staking van te bevelen, wanneer er objectief geen risico van herhaling bestaat 

Wanneer de dienstbetrekking van de gepeste persoon (door bv. oppensioenstelling) een einde heeft genomen, is er objectief geen risico tot herhaling van de pesterijen en dient haar vordering te worden afgewezen als zonder voorwerp.

Zoals hiervoor, is de taak van de stakingsrechter ertoe beperkt het bestaan van pesterijen vast te stellen om vervolgens de staking ervan te bevelen, eventueel de herhaling ervan onmogelijk te maken.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2018/2
Pagina: 
100-105
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(V.I. / F.A.V.V. - Rolnr.: 2016/AB/642)

I. Voorgaande rechtspleging
1. Met inleidend verzoekschrift van 18 augustus 2015 vorderde mevrouw V. voor de voorzitter van de Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel, zetelend zoals in kort geding:

- het bestaan van pesterijen vast te stellen;

- het federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (hierna genoemd het F.A.V.V.) te bevelen de procedures voorzien in de wet welzijn werknemers en het KB van 10 april 2014 correct na te leven; meer in het bijzonder het advies van Provikmo ter harte te nemen en maatregelen te nemen om haar en haar collega's samen rond de tafel te brengen voor een gesprek;

- het F.A.V.V. te bevelen in samenspraak met haar te zoeken naar een controlerende functie in de buitendienst van de PCE Antwerpen die strookt met haar kwalificaties, zonder dat haar arbeidsvoorwaarden fundamenteel gewijzigd worden;

- het F.A.V.V. te bevelen erop toe te zien dat de gedaagde individuen (…) bij voorkeur niet meer in een directe hiërarchische lijn staan ten opzichte van haar;

- het F.A.V.V. te bevelen erop toe te zien dat voornoemde personen zich onthouden van iedere nadelige behandeling van mevrouw V., voornamelijk subtiele pesterijen aan haar adres in lijn met wat zich heeft afgespeeld tijdens de tuchtprocedure;

- het F.A.V.V. te bevelen de nieuwe tuchtprocedure onmiddellijk te stoppen;

- voornoemde personen te bevelen ten opzichte van haar een objectieve en neutrale attitude aan te nemen;

- het F.A.V.V. en voornoemde personen, deze laatsten als zijnde één partij, te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

2. Met beschikking van 8 maart 2016 verklaarde de voorzitter van de Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel de vordering van mevrouw V. (…) tot het bevelen aan de heren (…) een objectieve en neutrale attitude aan te nemen onontvankelijk.

Zij verklaarde de vordering van mevrouw V. om het F.A.V.V. te bevelen de nieuwe tuchtprocedure onmiddellijk stop te zetten zonder voorwerp.

Zij verklaarde overige vorderingen van mevrouw V. ontvankelijk doch ongegrond.

(…)

4. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Brussel op 29 juni 2016, tekende mevrouw V. hoger beroep aan tegen de beschikking van 8 maart 2016 van de voorzitter van de Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel.

Zij vordert dat het arbeidshof deze beschikking voor zover bestreden zou hervormen en haar oorspronkelijke vordering zou toewijzen, met verwijzing van het F.A.V.V. in de gerechtskosten, aan haar zijde begroot op 1.320 EUR rechtsplegingsvergoeding per aanleg.

In haar syntheseberoepsconclusie, neergelegd op de griffie van het arbeidshof op 28 december 2016, formuleert mevrouw V. haar vordering als volgt:

- het bestaan van pesterijen vast te stellen;

- het federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (hierna genoemd het F.A.V.V.) te bevelen de procedures voorzien in de wet welzijn werknemers en het KB van 10 april 2014 correct na te leven; meer in het bijzonder het advies van Provikmo ter harte te nemen en maatregelen te nemen om haar en haar collega's samen rond de tafel te brengen voor een gesprek;

- het F.A.V.V. te bevelen in samenspraak met haar te zoeken naar een controlerende functie in de buitendienst van de PCE Antwerpen die strookt met haar kwalificaties, zonder dat haar arbeidsvoorwaarden fundamenteel gewijzigd worden;

- het F.A.V.V. te bevelen erop toe te zien dat de pesters, met name (…) bij voorkeur niet meer in een directe hiërarchische lijn staan ten opzichte van haar;

- het F.A.V.V. te bevelen erop toe te zien dat de pesters, met name (…), zich onthouden van iedere nadelige behandeling van mevrouw V., voornamelijk subtiele pesterijen aan haar adres in lijn met wat zich heeft afgespeeld tijdens de tuchtprocedure;

- het F.A.V.V. te bevelen de pesters, met name (…) op te leggen ten opzichte van mevrouw V. een objectieve en neutrale attitude aan te nemen.

5. Met arrest van 7 april 2017 verklaarde het arbeidshof het hoger beroep van mevrouw V. (…) ontvankelijk; alvorens verder recht te doen, heropent het arbeidshof ambtshalve de debatten, en liet het F.A.V.V. het bewijs te leveren aan de hand van bewijskrachtige stukken van zijn bewering als zou mevrouw V. op 18 januari 2017 in kennis zou zijn gesteld van de beslissing van Medex om haar definitief medisch ongeschikt te verklaren en haar definitief vervroegd te pensioneren met ingang op 1 februari 2017, en dat mevrouw V. geen beroep zou hebben ingesteld tegen deze beslissing, zodat deze thans definitief geworden is.

Het arbeidshof beval het F.A.V.V. deze stukken of een voor eensluidend verklaard afschrift ervan uiterlijk op vrijdag 28 april 2017 neer te leggen op de griffie van het arbeidshof te Brussel en mede te delen aan de raadsman van mevrouw V.

Het liet mevrouw V. toe om standpunt in te nemen over de vraag of de per hypothese bewezen definitieve vervroegde pensionering wegens medische ongeschiktheid inderdaad tot gevolg heeft dat de betwisting tussen partijen zonder voorwerp zou geworden zijn, en zegde dat mevrouw V. dit standpunt onder de vorm van een conclusie uiterlijk op woensdag 31 mei 2017 diende neer te leggen op de griffie van het arbeidshof te Brussel en mede te delen aan de raadsman van het F.A.V.V.

Het liet het F.A.V.V. toe om standpunt in te nemen over de vraag of de per hypothese bewezen definitieve vervroegde pensionering wegens medische ongeschiktheid inderdaad tot gevolg heeft dat de betwisting tussen partijen zonder voorwerp zou geworden zijn, en zegde dat het F.A.V.V. dit standpunt onder de vorm van een conclusie uiterlijk op vrijdag 30 juni 2017 diende neer te leggen op de griffie van het arbeidshof te Brussel en mede te delen aan de raadsman van mevrouw V.

De beslissing met betrekking tot de kosten werd aangehouden.

6. In haar conclusie na heropening de debatten, neergelegd op de griffie van het arbeidshof op 31 mei 2017, herleidde mevrouw V. haar vordering en vorderde zij dat het arbeidshof de beschikking in zoverre bestreden zou hervormen en het bestaan van pesterijen zou vaststellen.

(…)

7. In zijn conclusie na heropening van de debatten, neergelegd op de griffie van het arbeidshof op 29 juni 2017, vorderde het F.A.V.V. het hoger beroep onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren bij gebrek aan actueel voorwerp en/of belang, dienvolgens de vorderingen van mevrouw V. te verwerpen en haar te veroordelen tot de kosten van de twee aanleggen, met inbegrip van de basisrechtsplegingsvergoeding, begroot op 1.440 EUR per aanleg.

II. Verdere beoordeling
8. Uit de door het F.A.V.V. bijgebrachte stukken blijkt dat aan mevrouw V. met ministerieel besluit van 13 maart 2017 met ingang van 1 februari 2017 eervol ontslag werd verleend uit haar functies van attaché, en dat zij op de voorziene datum haar aanspraak op een rustpensioen mocht doen gelden.

Dit gebeurde nadat de dienst pensioen van het bestuur Medex van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu met aangetekende brief van 18 januari 2017 aan mevrouw V. de beslissing van de pensioencommissie van 12 januari 2017 had medegedeeld, waarin werd geoordeeld dat mevrouw V. op medische gronden ongeschikt was voor elke functie en de voorwaarden vervulde om definitief vervroegd te worden gepensioneerd vanaf de eerste dag van de maand die volgde op de eerste betekening van de beslissing tot oppensioenstelling, met andere woorden op 1 februari 2017.

De beslissing met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid werd als volgt gemotiveerd:

“58-jarige attaché veearts, werkonbekwaam sinds 13 oktober 2014.

Majeure depressieve decompensatie naar aanleiding van aanhoudende moeilijkheden op de werkvloer. Procedure voor de arbeidsrechtbank is lopende. Persisterende uitgesproken klachten tot op heden. Een vervroegde oppensioenstelling lijkt aangewezen.”

9. Artikel 32decies, § 2, eerste lid van de wet welzijn werknemers, waarop de vordering van mevrouw V. is gesteund, bepaalt:

“Op verzoek van de persoon die verklaart het voorwerp te zijn van feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk of van de organisaties en instellingen bedoeld in artikel 32duodecies stelt de voorzitter van de arbeidsrechtbank het bestaan vast van deze feiten en beveelt hij aan de dader de staking ervan, binnen de door hem vastgestelde termijn, zelfs indien deze feiten onder het strafrecht vallen.”

Deze procedure is een vordering tot staken en wordt behandeld zoals in kort geding voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank.

Naast de mogelijkheid om een vordering tot staken in te leiden, die tot doel heeft een einde te stellen aan geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, geeft artikel 32decies, § 1/1 aan onder andere het slachtoffer van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, de mogelijkheid om voor de arbeidsrechtbank een vordering tot schadevergoeding in te stellen en aldus herstel te bekomen van de materiële en morele schade wegens geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk.

Deze procedure wordt gevoerd als een normale procedure voor de arbeidsrechtbank.

10. Zoals blijkt uit de aangepaste vordering die zij stelt, aanvaardt mevrouw V. dat haar vordering tot staking van pesterijen na haar pensionering zonder voorwerp is geworden. Dit is ook logisch vermits haar stakingsvordering tot doel heeft een einde te stellen aan de pesterijen op het werk, en er vanaf de oppensioenstelling geen werkverhouding meer is.

11. Aan de orde is dan de vraag of de stakingsrechter zich ertoe kan beperken het bestaan van pesterijen vast te stellen, zonder de staking ervan te bevelen.

Naar het oordeel van het arbeidshof is dit niet het geval. Hierbij kan nuttig verwezen worden naar de zeer gelijkaardige bepaling van het vroegere artikel 95 wet handelspraktijken met toepassing waarvan de voorzitter van de rechtbank van koophandel het bestaan vaststelt van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk op de bepalingen van die wet uitmaakt en er de staking van beveelt.

Geoordeeld werd dat deze wettelijke bepaling voor gevolg heeft dat de stakingsrechter in de regel het bestaan van een inbreuk niet kan vaststellen zonder vervolgens de staking ervan te bevelen (Cass. 17 juni 2005, Arr.Cass. 2005, nr. 352).

Analoog is het arbeidshof van oordeel dat de voorzitter van de arbeidsrechtbank in de regel niet het bestaan van pesterijen kan vaststellen zonder vervolgens de staking ervan te bevelen.

12. Geoordeeld werd echter eveneens dat het vroegere artikel 95 wet handelspraktijken niet uitsluit dat de stakingsrechter vaststelt dat een bepaalde daad een inbreuk vormt op de eerlijke handelspraktijken, en vervolgens deze daad niet als dusdanig verbiedt omdat zij door het verloop van de tijd volledig voltrokken is maar de staking beveelt van de onrechtmatige praktijken die eraan ten grondslag liggen, dit teneinde herhaling te voorkomen (Cass. 17 juni 2005, Arr.Cass. 2005, nr. 352).

Analoog is het arbeidshof van oordeel dat de voorzitter van de arbeidsrechtbank het bestaan van pesterijen kan vaststellen indien hij vervolgens maatregelen beveelt die de herhaling van de pesterijen onmogelijk moeten maken.

13. In het kader van de stakingsvordering voorzien in artikel 32decies, § 2, eerste lid van de wet welzijn werknemers volgt uit wat voorafgaat dat de stakingsrechter niet het bestaan van pesterijen kan vaststellen zonder hier de staking van te bevelen, wanneer er objectief geen risico van herhaling bestaat (vgl. F. Bouquelle en A. Fry, “Les actions en cessation en droit social” in I. Ficher, P.-P. Van Gehuchten, J.F. Germain en P. Jadoul (coords.), Actions orphelines et voies de recours en droit social, Limal, Anthemis, 2012, 32).

14. Nu de dienstbetrekking van mevrouw V. door haar oppensioenstelling een einde heeft genomen, is er objectief geen risico tot herhaling van de pesterijen en dient haar vordering te worden afgewezen als zonder voorwerp (vgl. Arbh. Brussel 28 juli 2011, AR 2009/CB/332 en 2009/CB/333, onuitg., gec. in: F. Bouquelle en A. Fry, “Les actions en cessation en droit social” in I. Ficher, P.-P. Van Gehuchten, J.F. Germain en P. Jadoul (coords.), Actions orphelines et voies de recours en droit social, Limal, Anthemis, 2012, 33).

15. Ten onrechte argumenteert mevrouw V. dat zij nog steeds belang heeft om het bestaan van pesterijen te laten vaststellen, daar zij als gevolg van de pesterijen ernstige materiële en morele schade heeft geleden.

Zoals hiervoor, is de taak van de stakingsrechter ertoe beperkt het bestaan van pesterijen vast te stellen om vervolgens de staking ervan te bevelen, eventueel de herhaling ervan onmogelijk te maken.

Indien mevrouw V. schadevergoeding wenst, dient zij zich te wenden tot de gewone arbeidsrechter die kan oordelen dat de pesterijen waarvan hij het bestaan vaststelt een fout uitmaken die de oorzaak is van materiële of morele schade die voor vergoeding in aanmerking komt.

Om deze redenen

Het arbeidshof

Verklaart de vordering van mevrouw V. zonder voorwerp.

 

 

Noot: 

Herman, J., « De voorzitter van de arbeidsrechtbank, zetelend in pestzaken en als in kort geding. Een menu met verschillende gerechten », R.A.B.G., 2018/2, p. 105-110

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 26/02/2018 - 19:48
Laatst aangepast op: do, 29/03/2018 - 20:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.