-A +A

Gerechtelijke termijn overschreden door overmacht te wijten aan de post vergt bewijs en geen loutere verklaring

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
don, 14/01/2016
A.R.: 
C.10.0683.N

Wanneer een verzoekende partij zich beroept op overmacht wegens het niet tijdig toesturen van een toelichtende memorie, is het van belang dat zij zich informeert bij bpost en bij bpost klacht indient over de wijze waarop de poststukken op de bedoelde datum al dan niet besteld zijn geworden.

De louter eenzijdige verklaring van de verzoekende partij dat geen van haar raadslieden of hun medewerkers en confraters de handtekening kunnen “thuisbrengen”, weegt in die omstandigheden niet op tegen de vaststelling dat de antwoordkaart is ondertekend en dat het poststuk dus geacht moet worden op het adres van haar woonplaatskeuze uitgereikt te zijn geworden.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
1622
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Gemeenschapsonderwijs, scholengroep 4 t/ Vlaamse Gemeenschap

Arrest nr. 233.479

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 12 maart 2015, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van 16 december 2014 van de kamer van beroep Gemeenschapsonderwijs, waarbij “De beslissing van de Raad van Bestuur van de Scholengroep 4 van 22 september 2014 waarbij [C.] de tuchtstraf voor de schorsing voor één maand wordt opgelegd, wordt vernietigd””.

...

III. Beoordeling

3. Naar luid van art. 21, tweede lid RvS-Wet stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de toelichtende memorie niet naleeft.

Bij het versturen aan de verzoekende partij op 9 juni 2015 van de mededeling dat de verwerende partij verzuimd heeft om een memorie van antwoord in te dienen, heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde art. 21, tweede lid RvS-Wet en van art. 14bis, § 1 van (het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State).

De verzoekende partij heeft geen toelichtende memorie aan de griffie toegestuurd binnen de termijn van zestig dagen gesteld in art. 8, juncto 7 van voormeld besluit van de Regent.

4. Ter terechtzitting erkent de verzoekende partij dat een op 11 juni 2015 ondertekende antwoordkaart in het dossier is opgenomen waaruit moet blijken dat het aangetekend schrijven van 9 juni 2015 effectief ontvangen werd. Deze antwoordkaart vermeldt geen naam, noch valt uit de handtekening een naam af te leiden.

Zij voert aan dat het kantoor van haar raadslieden zich op de vijfde verdieping bevindt van een gebouw aan de Stoopstraat te Antwerpen en dat het algemeen onthaal en de ontvangst van de briefwisseling zijn gecentraliseerd op de eerste verdieping van dat gebouw, waar in normale omstandigheden een secretaresse aftekent voor ontvangst van de aangetekende zendingen. Niemand “ten kantore” kan echter uitsluitsel geven over de handtekening die op de kaart prijkt, op vertoon van de foto die de raadsman van de verzoekende partij op de griffie had genomen. Noch de raadslieden van de verzoekende partij of hun secretariaat, noch de andere advocaten binnen het kantoor of hun respectieve secretariaat kunnen de handtekening thuisbrengen.

De verzoekende partij beroept zich in die omstandigheden op overmacht.

5. De Raad stelt vast dat het betoog van de verzoekende partij een louter eenzijdige verklaring is die door geen enkel stuk is gestoffeerd. Voorts blijkt niet dat de raadsman van de verzoekende partij navraag heeft gedaan bij de andere bewoners van het gebouw, waarvan hij blijkbaar enkel de vijfde verdieping betrekt. Meest van belang evenwel nog, is de vaststelling dat de verzoekende partij heeft nagelaten om zich nader te informeren bij bpost en om bij bpost klacht in te dienen over de wijze waarop de poststukken op de bedoelde datum al dan niet besteld zijn geworden. De louter eenzijdige verklaring van de verzoekende partij dat geen van haar raadslieden of hun medewerkers en confraters de handtekening kunnen “thuisbrengen”, weegt in die omstandigheden niet op tegen de vaststelling dat de antwoordkaart is ondertekend en dat het poststuk dus geacht moet worden op het adres van haar woonplaatskeuze uitgereikt te zijn geworden.

6. Er dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt.

...

Noot: 

Gepubliceerd onder dit arrest in RABG 2012/6, 378, Patricia Van Lersberghe, Rechtsmiddelen verval en overmacht

Noot

Poststaking en overmacht

De niet-tijdige neerlegging van een verzoekschrift door een poststaking maakt geen overmacht uit.

In de regel vertrouwt een advocaat een verzoekschrift tot het instellen van hoger beroep toe aan de postdiensten zodat dit tijdig bij de rechter in hoger beroep, lees de griffie zou toekomen.

Vraag is nu in hoeverre een tekortkoming van de post door ondermeer een poststaking overmacht uitmaakt in hoofde van de advocaat waardoor zijn aansprakelijkheid kan worden bevrijd.

Met toepassing van artikel 1056 Ger.W. dient een verzoekschrift in hoger beroep te worden ingediend op de griffie binnen de maand na de betekening van de bestreden beslissing.

De termijn van 1 maand is de vervaltermijn.

Van een normaal voorzichtige advocaat mag worden verwacht dat hij het nodige doet om zijn verzoekschrift in hoger beroep binnen de vervaltermijn neer te leggen.

Het betreft hier een resultaatsverbintenis van de advocaat.

De advocaat beschikt over verschillende mogelijkheden om een verzoekschrift in hoger beroep neer te leggen.

Volgens de al oude regel wordt een verzoekschrift door de advocaat persoonlijk ter griffie neergelegd.

Maar sinds lang wordt toegelaten dat een verzoekschrift ook per post aan de griffie wordt toegezonden en ook de nieuwe elektronische methodes vinden stilaan hun ingang.

Indien een advocaat kiest voor het laten neerleggen van een verzoekschrift via de post, dan had de advocaat voor het verstrijken van de vervaltermijn zich moeten vergewissen dat het procedurestuk wel degelijk tijdig was ingediend.

In een goede advocatenpraktijk wordt de uiterste vervaltermijn van een beroepstermijn genoteerd en wordt er op de middag van deze uiterste termijn gebeld naar de griffie om te vragen of een stuk dat per post werd toegestuurd daadwerkelijk is aangekomen.

Bij gebreke hieraan kan de advocaat dan nog tot 16u alle nodige en nuttige maatregelen nemen om het verzoekschrift alsnog tijdig te gaan neerleggen.

Wanneer een advocaat deze controlemaatregel niet uitvoert, kan dit aanzien worden als een vorm van laksheid en als een tekortkoming van zijn professionele verplichtingen.

Aldus kan een advocaat zich ten onrechte op overmacht beroepen wegens een poststaking of een tekortkoming van een derde confrater die hij gelast heeft om een verzoekschrift neer te leggen.

Ook wanneer een advocaat een andere advocaat gelast om loco hem een verzoekschrift neer te leggen, dan nog zal de advocaat voor het verstrijken van de termijn een telefonisch contact hebben met de opdrachthoudende advocaat teneinde bevestiging te bekomen van de neerlegging of een contact met de griffie hebben om bevestiging te bekomen zodat hij in ontkennend geval nog over voldoende tijd beschikt om op zijn eigen verantwoordelijkheid desnoods in persoon of op een andere wijze het verzoekschrift tijdig neer te leggen.

Overmacht kan enkel voortvloeien uit een gebeurtenis buiten de wil van de betrokkene, die door deze niet kon worden voorzien, noch vermeden.

Een poststaking kan niet worden beschouwd als een geval van overmacht.

De wet vereist niet dat een advocaat wanneer hij hoger beroep instelt, hij een verzoekschrift zoals bijvoorbeeld bedoeld in artikel 1056, 2de Ger.W., de indiening zelf verricht. Maar wanneer een advocaat kiest voor een andere wijze dan doet de advocaat dit op eigen risico en kan hij geen overmacht meer aanvoeren als hij er niet zelf heeft op toegezien dat de indiening werkelijk heeft plaats gevonden.

Een advocaat dient er rekening mee te houden dat er bij de post een fout kan gebeuren of dat er een lokale of nationale poststaking plots optreedt, of in het algemeen dat er vertraging optreedt bij de postbedeling wat in ons land nu niet zo uitzonderlijk is, waardoor een advocaat in alle omstandigheden de nodige maatregelen moet nemen opdat een procedurestuk waaraan een vervaltermijn verbonden is, tijdig wordt neergelegd en hierbij ook tijdig de nodige verificaties leest.

Voor een concreet toepassingsgeval zie Hof van Beroep te Brussel, 11.06.2013, RW 2013-2014, kolom 630.

zie ook: Cassatie, 24/09/2012, RW 2014-2015, conclusie van procureur-generaal J.-F. Leclercq (Pas. 2012, nr. 483)

"Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel volgens welk “overmacht de fout uitschakelt en het verval belet van de uitoefening van een recht die de wet afhankelijk stelt van een bepaalde termijn”.

Wanneer overmacht zich voordoet in de loop van een vervaltermijn, wordt die termijn slechts verlengd met de tijd die nodig is om te handelen en niet met die welke overeenstemt met de duur van de verhindering."

zie ook: Cass. 27 maart 1919, Pas. 1919, I, 112; Cass. 12 maart 1923, Pas. 1923, I, 233.

 
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 13/06/2016 - 10:12
Laatst aangepast op: ma, 13/06/2016 - 10:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.