-A +A

Gemeentelijkebelasting op omzet vermakelijkheden of toegangsgelden zijn verboden belastingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 24/05/2012
A.R.: 
F.11.0053.N

Een gemeentebelasting op vertoningen en vermakelijkheden die wordt berekend op de verwezenlijkte omzet, verminderd met de daarop toegepaste btw, is een verboden soortgelijke belasting in de zin van art. 464, 1o WIB92, in zoverre de omzet een essentieel element uitmaakt dat in aanmerking wordt genomen voor de vaststelling van de grondslag van de inkomstenbelasting die wordt geheven ten laste van de schuldenaar van die belasting.

De omstandigheid dat de parlementaire voorbereiding van een wet doet blijken dat de wetgever de vroeger ten behoeve van het Rijk gevestigde belasting op de vertoningen en vermakelijkheden wilde overlaten aan de gemeenten en provincies, kan niet tot gevolg hebben dat de uitdrukkelijke bevoegdheidsbeperking van art. 464, 1o WIB92 voor niet geschreven wordt gehouden.

Uit de loutere vaststellingen dat het belastbaar feit slechts bestaat zo een inkomprijs wordt betaald, dat het tarief vast is en dat geen belasting verschuldigd is als de inkomprijs minder dan 20 euro is, kan niet worden afgeleid dat de belastbare grondslag de inkomprijs betreft.
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Jaargang: 
2013-2014
Pagina: 
223
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. F.11.0053.N

Stad Brussel t/ BVBA L.N.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 13 januari 2011.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Eerste middel

3. Krachtens art. 464, 1o WIB92 zijn de provincies, de agglomeraties en de gemeenten niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op de personenbelasting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting en op de belasting van niet-inwoners of van soortgelijke belastingen op de grondslag of op het bedrag van die belastingen, uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorheffing betreft.

4. Een lokale belasting die is gebaseerd op een van de wezenlijke componenten die rechtstreeks de grondslag van de inkomstenbelastingen bepalen, is een verboden soortgelijke belasting.

5. De omstandigheid dat de parlementaire voorbereiding van de wet van 24 december 1948 betreffende de gemeentelijke en provinciale financiën doet blijken dat de wetgever gewild heeft dat de belasting op de vertoningen en vermakelijkheden die voorheen ten behoeve van het Rijk werd gevestigd, wordt overgelaten aan de gemeenten en de provincies, kan niet tot gevolg hebben dat de in art. 464, 1o WIB92 uitdrukkelijk vervatte beperking van de belastingbevoegdheid van de lokale overheden voor niet geschreven wordt gehouden, daar de wetgever niet uitdrukkelijk is afgeweken van de in voormeld art. 464, 1o WIB92 en in de bepalingen die deze bepaling in de tijd voorafgingen vervatte beperking van de gemeentelijke heffingsbevoegdheid.

6. De appelrechters stellen vast dat, voor wat het dienstjaar 2003 betreft, al de bestreden heffingen op grond van het voor dat dienstjaar toepasselijke belastingreglement, de eigenlijke bruto-ontvangsten inzake entreegelden als belastbare grondslag hebben.

7. Op grond van die vaststelling hebben de appelrechters naar recht kunnen oordelen dat de voor dat dienstjaar geheven belastingen strijdig zijn met art. 464, 1o WIB92.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

8. Uit de loutere vaststellingen dat het belastbaar feit niet alleen het houden van een concert of vertoning betreft, maar het belastbaar feit slechts aanwezig is zo een toeschouwer een inkomprijs of gelijkgestelde inning betaalt, dat het tarief vast en dus forfaitair is en dat geen belasting verschuldigd is indien de inkomprijs of gelijkgestelde inning kleiner is dan 20 euro, kan niet worden afgeleid dat de belastbare grondslag van de litigieuze belasting de inkomprijs of een gelijkgestelde inning betreft.

9. De appelrechters hebben bijgevolg, op grond van die feitelijke vaststellingen, niet zonder schending van art. 464, 1o WIB92 kunnen oordelen dat de geheven belastingen strijdig zijn met art. 464, 1o WIB92 en het daarin omschreven verbod van dubbele belasting.

Het middel is gegrond.

...
 

Noot: 

onder dit arrest in het RW, L. Vandenberghe, Gemeentebelasting op (bruto-)omzet: een vervolgverhaal

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 05/10/2013 - 11:02
Laatst aangepast op: za, 05/10/2013 - 11:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.