-A +A

Gemeenschappelijk waarborgfonds vergoed schade wanneer chauffeur van hij die ongeval veroorzaakte onbekend blijft

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 18/04/2016

Art. 19bis-11, § 1, 7° WAM verschaft het recht aan elke benadeelde de schade veroorzaakt door een motorrijtuig dat niet kan worden geïdentificeerd te verhalen op het gemeenschappelijk waarborgfonds.

Maar het volstaat niet de fout op een illustere onbekende te schuiven. Immers er zal noch steeds bewijs moeten geleverd dat de onbekende het ongeval heeft veroorzaakt.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
69
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

B.V. t/ Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds

I. Situering van het geschil

Het geding tussen de partijen betreft een aanrijding op 12 september 2008 omstreeks 15 uur te Antwerpen op de Britselei, ter hoogte van het kruispunt met de Mechelsesteenweg. Daarbij waren betrokken:

– de personenwagen Mazda, eigendom van en bestuurd door B.V.;

– de personenwagen Mitsubishi, bestuurd door een onbekend gebleven bestuurder.

Volgens B.V. heeft de bestuurder van de Mitsubishi haar bij het veranderen van rijstrook geen voorrang verleend en zo haar voertuig aangereden aan de bestuurderskant, komend van links. Deze bestuurder zou eerst een regeling hebben aangeboden maar zich uit de voeten hebben gemaakt nadat B.V. te kennen had gegeven dat zij (plaatsvervangend) rechter was.

Op 13 augustus 2013 is B.V. overgegaan tot dagvaarding van het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds voor de Politierechtbank te Antwerpen.

II. Procedure

De eerste rechter, die de oorspronkelijke vordering en de respectieve standpunten van de partijen nauwgezet heeft weergegeven, verklaarde in het bestreden vonnis van 17 november 2014 de vordering van B.V. ontvankelijk maar ongegrond.

Het hoger beroep, ingesteld door B.V. bij verzoekschrift ter griffie neergelegd op 7 mei 2015, is gericht tegen het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds. Het beoogt de toewijzing van de oorspronkelijke vordering van B.V. (...).

Het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds concludeert tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond (...).

...

III. Grond van de zaak

1. Rechtsgronden

B.V. spreekt het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds aan op grond van art. 12.4 Wegverkeersreglement, art. 1382 BW en art. 19bis-11, § 1, 7o WAM. Subsidiair beroept zij zich op het verlies van een kans, veroorzaakt door het vluchtmisdrijf.

2. Feiten; fout, schade en oorzakelijk verband

2.1. Naar aanleiding van de feiten heeft B.V. de politie gecontacteerd, die een proces-verbaal heeft opgesteld dat uiteindelijk geseponeerd werd. Partijen zijn het erover eens dat de nummerplaat (...) van het aanrijdend voertuig die B.V. had genoteerd, niet bestond, zodat het een niet-geïdentificeerd motorrijtuig betrof.

De eerste rechter heeft de relevante passussen uit het proces-verbaal omstandig aangehaald, zodat de rechtbank ter zake naar het bestreden vonnis verwijst.

2.2. De vergoedingsregeling van art. 19-11, § 1, 7o WAM voor schade uit een aanrijding met een onbekend gebleven bestuurder, vereist het bewijs dat het ongeval is veroorzaakt door een fout van deze bestuurder.

B.V. beroept zich op gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens en voert in dit kader aan:

– dat zij na het ongeval de andere bestuurder heeft gevraagd zijn voertuig opzij te zetten en zijn nummerplaat heeft genoteerd;

– dat zij daarna de politie heeft getelefoneerd en dat zij in het daarop volgend proces-verbaal staat vermeld als «slachtoffer»;

– dat zij na het ongeval getuigen heeft gezocht, wat zij niet zou hebben gedaan indien zij in fout was geweest, en zich heeft aangeboden bij de politie, zodat die haar verklaring kon optekenen en foto’s van haar voertuig kon nemen;

– dat de getuige B. heeft verklaard dat «de man een regeling aan het voorstellen was»; waaruit volgt dat hij erkend heeft dat hij in fout was;

– dat, in combinatie met de getuigenverklaring en de plaats van de schade, het feit dat de andere bestuurder de vlucht nam, zijn fout bewijst.

Naar het oordeel van de rechtbank tonen deze gegevens enkel met zekerheid aan dat B.V. de andere bestuurder voor de aanrijding aansprakelijk achtte en dat deze van zijn kant absoluut niet in aanraking wenste te komen met de politie of het gerecht.

Een en ander is echter niet doorslaggevend, noch op zichzelf, noch in zijn samenhang. De beoordeling van B.V. als betrokken partij kan onmogelijk als objectief worden aanvaard, terwijl de vrees van de tegenpartij voor politietussenkomst evengoed kan worden verklaard door andere redenen dan het ongeval. Alleen al het rijden met een vervalste nummerplaat vormt daarvoor een plausibel motief, naast de mogelijkheid dat betrokkene wegens andere feiten was geseind. Ook het mogelijke aanbod van een «regeling» (waarvan zelfs niet vaststaat in wiens voordeel die was) kan hierdoor worden verklaard.

De lokalisatie van de schade aan het voertuig van B.V. laat evenmin enige conclusie toe, daar de positie van beide voertuigen op het moment van de aanrijding niet gekend is.

Met de eerste rechter is de rechtbank derhalve van oordeel dat B.V. faalt in de op haar rustende bewijslast. Er dient aan herinnerd te worden dat het louter aannemelijk maken van een feit niet volstaat (vgl. Cass. 26 november 2010, AR nr. C.09.0584.N, Arr.Cass. 2010, 2840) en dat de onzekerheid of twijfel die blijft bestaan na de bewijsvoering, in aanmerking moet worden genomen tegen degene die de bewijslast draagt (vgl. Cass. 20 maart 2006, Pas. 2006, 629).

3. Over het verlies van een kans

De rechter kan vergoeding toekennen voor het verlies van een kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel, indien het verlies van die kans te wijten is aan een fout. Vereist is dat tussen de fout en het verlies van deze kans een conditio-sine-qua-nonverband bestaat en dat het om een reële kans gaat (in die zin o.m.: Cass. 21 oktober 2013, AR nr. C.13.0124.N, Arr.Cass. 2013, 2159).

Aan B.V. werd door het vluchtmisdrijf van de tegenpartij de mogelijkheid ontnomen om door middel van een op tegenspraak ingevuld aanrijdingsformulier ofwel door middel van een door de politie opgesteld proces-verbaal te bewijzen dat de andere bestuurder aansprakelijk was voor de aanrijding. Dit zou kunnen worden beschouwd als het derven van een voordeel.

De vraag rijst of het verlies van zo’n kans behoort tot de gevallen, op beperkende wijze opgesomd in art. 19bis-11, § 1 WAM, waarvoor het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds kan worden aangesproken; partijen hebben daarover geen standpunt ingenomen.

Hoe dan ook echter, en binnen het tussen partijen gevoerde debat, dient het te gaan om een reële slaagkans voor het bewijs dat de tegenpartij aansprakelijk was voor de letsels waarvoor B.V. schadevergoeding eist. Er mag immers niet worden vergeten dat het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds in geval van een ongeval met een onbekend gebleven bestuurder enkel kan worden aangesproken voor lichamelijke schade.

Welnu, de foto’s van het voertuig van B.V. wijzen op een eerder licht zijdelings contact met het andere voertuig. Bovendien noteerden de verbalisanten, na ondervraging van betrokkene, dat zij niet gewond was en geen onmiddellijke verzorging wenste. Het is onaannemelijk dat dit kan hebben geleid tot een wegslaan van een voertuig als de Mazda Tribute van B.V.

Het komt de rechter in deze omstandigheden niet geloofwaardig voor dat het ongeval van 12 september 2008 kan hebben geleid tot het nekletsel waarover zij vooral vanaf de eerste helft van 2009 klachten had, terwijl de letsels die dr. S. op 15 september 2008 diagnosticeerde, beperkt waren. Daartegenover dient te worden aangestipt dat uit het voorgelegde verslag van dr. De Ridder van 16 augustus 2009 het bestaan blijkt van niet onbelangrijke rugletsels, zij het dat betrokkene verklaarde dat zij aan de nek geen klachten had.

B.V. faalt dus ook hier in de op haar rustende bewijslast.

Het hoger beroep is derhalve ongegrond.

...

Noot: 

G. Jocqué in NJW 2015, 102:" Schadevergoeding bij onmogelijkheid om vast te stellen welk voertuig het ongeval veroorzaakt heeft".

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 03/09/2017 - 13:11
Laatst aangepast op: zo, 03/09/2017 - 13:11

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.