-A +A

Gemeenschappelijk waarborgfonds toevallig feit

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 23/05/2016

art. 19bis-11, § 1.3° WAM:

“Elke benadeelde kan van het (Gemeenschappelijk Waarborg)Fonds de vergoeding bekomen van de schade die door een motorrijtuig is veroorzaakt wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is om reden van een toevallig feit waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, vrijuit gaat.”

Het “toevallig feit” waarvan sprake in deze bepaling, dient te worden beoordeeld in de persoon van “de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte”.

Het “toevallig feit” waardoor “de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, vrijuit gaat”, moet de reden moet zijn waarom “geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is”. Wanneer geen toevallig feit in de persoon van de onbekend gebleven bestuurder vastgesteld, maar wanneer het veel meer aannemelijk dat een derde persoon ofwel een fout heeft begaan met een onbekend betrokken voertuig, is alleen een vordering tegen het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds mogelijk op grond van art. 19bis-11, § 1-7° WAM weze het dan enkel voor lichamelijke schade.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
872
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Bvba P. S. t/ L. De B. en Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds

I. Antecedenten

1. Het geding tussen de partijen betreft een aanrijding van 22 mei 2012 omstreeks 13u30 te Antwerpen op de E 17, meer bepaald rijdende in de richting van Antwerpen en ter hoogte van kilometerpaal 59.5. Daarbij waren rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken:

– de vrachtwagen Daf, eigendom van bvba P. S. en bestuurd door N. De W.;

– de personenwagen Mazda, bestuurd door L. De B.;

– de personenwagen Mercedes, bestuurd door F. Van O. (thans niet in zake).

N. De W. reed op de middelste rijstrook; L. De B. en – achter haar – F. Van O. op de linkse.

Op een gegeven ogenblik is L. De B. van de linkse naar de middelste rijstrook uitgeweken en is zij daar tegen de vrachtwagen van N. De W. gebotst. Hierdoor zijn er ook brokstukken tegen de Mercedes van F. Van O. terechtgekomen.

L. De B. heeft op haar aanrijdingsformulier tussen haarzelf en N. De W. het volgende verklaard: “Ik ben moeten uitwijken voor een band die midden op de weg lag. Ik heb een stukje over de band gereden waardoor ik naar rechts vloog tegen de vrachtwagen.”.

N. De W. heeft dit toen niet tegengesproken, noch op de voorzijde, noch op de achterzijde van bedoeld formulier.

Op het aanrijdingsformulier tussen L. De B. en F. Van O. heeft deze laatste dan geschreven:

– onder de rubriek 14 “Mijn opmerkingen” (op de voorzijde van dit formulier): “Door rondvliegende brokstukken is mijn voertuig beschadigd”;

– onder de rubriek “De aansprakelijkheid: wie is, naar uw mening, aansprakelijk en waarom?” (op de achterzijde van dit formulier): “Voertuig A Mevr. De B.”.

2. Op 29 augustus 2014 is bvba P. S. overgegaan tot dagvaarding van L. De B. en het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds voor de Politierechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen.

II. Procedure

1. De eerste rechter, die de oorspronkelijke vordering en de respectieve standpunten van de partijen nauwgezet heeft weergegeven, verklaarde in het bestreden vonnis van 22 april 2015 de vordering van bvba P. S. tegen De B. en het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds ontvankelijk maar ongegrond (...).

2. Het hoger beroep, ingesteld door bvba P. S. (...) is gericht tegen L. De B. en het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds. Het beoogt de toewijzing van haar oorspronkelijke vordering tegen L. De B. en het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds, (...).

L. De B. concludeert tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond (...).

Het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds concludeert primair tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond (...) en subsidiair tot de herleiding van de ingestelde vordering.

...

III. Grond van de zaak

1. Rechtsgronden

Bvba P. S. spreekt L. De B. aan op grond van art. 10.1.3o, 12.4 en 12.5 Wegverkeersreglement en art. 1382-1383 BW. Zij spreekt het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds aan op grond van art. 19bis–11 § 1.3o WAM.

L. De B. beroept zich op overmacht, een toevallig feit en een noodmanoeuvre. Zij betwist tevens de omvang van de schade.

Het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds voert aan dat art. 19bis–11 § 1.3o WAM niet van toepassing is en betwist voor het overige eveneens de omvang van de schade.

2. Overmacht

a) Overmacht kan enkel voortvloeien uit een gebeurtenis buiten de wil van de mens die hij niet kon voorzien of vermijden (zie in die zin, waarbij de rechtbank zich aansluit: Cass. 7 mei 2002, RW 2005-06, 257).

b) Uit het geheel van de voorliggende gegevens blijkt dat L. De B. plots is moeten uitwijken voor een band die zich op de door haar gevolgde rijstrook bevond en dat zij hierbij tegen de vrachtwagen van N. De W. is gereden.

Uit diezelfde gegevens blijkt evenwel ook dat N. De W., die toen min of meer naast haar reed en dus ongeveer hetzelfde zicht op die band heeft moeten hebben, nergens heeft verklaard dat L. De B. één of andere fout, nalatigheid of onvoorzichtigheid heeft begaan, bijvoorbeeld door te snel te rijden of door te dicht achter haar voorligger aan te zitten of nog door gewoonweg onaandachtig te zijn geweest.

F. Van O. heeft daarentegen wel op de keerzijde van zijn exemplaar van het tweede aanrijdingsformulier geschreven dat L. De B. naar zijn mening aansprakelijk was voor de aanrijding, maar hij heeft dit op geen enkele wijze uitgelegd. Bovendien bevond hij zich op het ogenblik van de feiten achter L. De B., zodat hij niet heeft kunnen zien wanneer zij een behoorlijk zicht op de betrokken band heeft gekregen. Zijn standpunt betreffende de aansprakelijkheid voor de aanrijding kan dan ook niet doorslaggevend zijn.

Meer gegevens zijn er niet.

In die omstandigheden is de rechtbank van oordeel, zoals de eerste rechter, dat wel degelijk overmacht in de persoon van L. De B. dient te worden aangenomen. Zij kon immers redelijkerwijze niet voorzien dat een band op de linkerrijstrook van de autosnelweg zou liggen en kon bijgevolg ook niet op die band anticiperen. Er anders over beslissen zou een normaal verkeer op een autosnelweg onmogelijk maken, zeker zodra er enig verkeer is (zoals dit overigens overdag op de E 17 zo goed als altijd het geval is).

Het bestreden vonnis wordt dan ook, wat de hoofdvordering van bvba P. S. betreft bevestigd.

3. Toepasselijkheid van art. 19bis-11, § 1.3o WAM

a) Deze bepaling luidt als volgt: “Elke benadeelde kan van het Fonds de vergoeding bekomen van de schade die door een motorrijtuig is veroorzaakt wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is om reden van een toevallig feit waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, vrijuit gaat.”

b) Welnu, het “toevallig feit” waarvan sprake in deze bepaling, dient te worden beoordeeld in de persoon van “de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte”. In voorliggend geval is dit niet L. De B. maar wel de bestuurder van het voertuig dat de band is verloren (zie in die zin, waarbij de rechtbank zich aansluit: Cass. 30 november 1995, De Verz. 1996, 459).

Dat L. De B. door die band eveneens met een toevallig feit werd geconfronteerd, is juist, maar doet niet ter zake. Zij heeft immers het ongeval niet veroorzaakt. Zij is integendeel het eerste slachtoffer van die band geworden (en N. De W. / bvba P. S. het tweede) (zie in die zin, waarbij de rechtbank zich eveneens aansluit: Cass. 8 mei 1998, RGAR 1999, nr. 13.072).

De bewering dat de band in kwestie niet noodzakelijk van een ander voertuig afkomstig is geweest maar ook op 101 andere manieren op de rijbaan kan zijn terechtgekomen, bijvoorbeeld omdat een onbekende persoon hem erop zou hebben gegooid, is misschien in extremis wel mogelijk, maar wordt hier alleszins niet bewezen en kan bijgevolg ook niet worden aangenomen. Dit geldt des te meer omdat die 101 andere manieren niet worden toegelicht en omdat het ook bijzonder onwaarschijnlijk is dat iemand zo onzinnig zou zijn dat hij een band op de autosnelweg zou gaan gooien, met alle gevaren van dien.

Voorts is het zo dat het “toevallig feit” waardoor “de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, vrijuit gaat” de reden moet zijn waarom “geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is”. Dit is hier echter evenmin het geval. Er werd immers helemaal geen toevallig feit in de persoon van de onbekend gebleven bestuurder vastgesteld. Het is integendeel veel meer aannemelijk dat deze persoon ofwel een fout heeft begaan door zijn lading onvoldoende vast te maken ofwel met een gebrekkig voertuig heeft gereden. In die beide gevallen was de WAM-verzekeraar van dat voertuig dan wél tot vergoeding verplicht, maar is dit uiteindelijk niet gebeurd omdat ook het betrokken voertuig onbekend is gebleven.

In zo’n situatie is, zoals de eerste rechter eveneens reeds terecht heeft opgemerkt, alleen een vordering tegen het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds mogelijk op grond van art. 19bis-11, § 1-7o WAM en dan nog enkel voor lichamelijke schade, wat hier niet wordt gevorderd (art. 19bis-13, § 3 WAM en art. 23 § 1 eerste lid van het KB van 11 juli 2003 “houdende de vaststelling van de toelichtingsvoorwaarden en de werking van het Belgisch Bureau en het Gemeenschappelijk Waarborgfonds”; zie in die zin, waarbij de rechtbank zich opnieuw aansluit: Cass. 23 juni 1993, JLMB 1993, 1410; Cass. 27 november 1996, De Verz. 1997, 269; Cass. 8 mei 1998, RGAR 1999, nr. 13.072)

Het bestreden vonnis wordt bijgevolg, ook wat de subsidiaire vordering van bvba P. S. betreft, bevestigd.

Noot: 

G. Jocqué in NJW 2015, 102:" Schadevergoeding bij onmogelijkheid om vast te stellen welk voertuig het ongeval veroorzaakt heeft".

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 07/03/2017 - 17:15
Laatst aangepast op: wo, 27/09/2017 - 15:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.