-A +A

Gemeenschappelijk waarborgfonds onbekend gebleven voertuig enkel vergoeding lichamelijke schade

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 06/07/2017
A.R.: 
88/2017

Art. 19bis-13, § 3, van de wet van 21 november 1989 «betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen» bepaalt:

«In het geval bedoeld bij artikel 19bis-11, § 1, 7°, en wanneer het ongeval zich heeft voorgedaan op het Belgische grondgebied, kan de Koning de verplichtingen van het Fonds beperken tot de vergoeding van de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels.

«Evenwel is een dergelijke beperking niet toegelaten wanneer het Fonds vergoedt omwille van aanzienlijk lichamelijk letsel door enige benadeelde opgelopen in een ongeval waarbij materiële schade werd veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig.

«Wordt beschouwd als aanzienlijk letsel, een lichamelijk letsel dat, ingevolge het ongeval, ofwel:

1. de dood van de benadeelde;

2. een bestendige invaliditeit van 15% of meer;

3. een tijdelijke invaliditeit van een maand of meer;

4. een hospitaalopname van zeven dagen of meer heeft veroorzaakt.

«De Koning kan de voorwaarden, waaronder een lichamelijk letsel als aanzienlijk wordt beschouwd, nader bepalen of de lijst ervan aanvullen.

«De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op de gevolgen van de ongevallen die zich hebben voorgedaan vóór zijn inwerkingtreding.»

Ǥ 1. Elke benadeelde kan van het Fonds de vergoeding bekomen van de schade die door een motorrijtuig is veroorzaakt:

1°) wanneer de verzekeringsonderneming failliet verklaard is;

2°) wanneer de vergoedingen verschuldigd zijn door een verzekeringsonderneming, die na afstand of intrekking van de toelating in België of na het, met toepassing van artikel 71, §§ 1, derde lid, en 2, van de wet van 9 juli 1975 «betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen», opgelegde verbod van activiteit, haar verplichtingen niet nakomt;

3°) wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is om reden van een toevallig feit waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, vrijuit gaat;

4°) wanneer in geval van diefstal, geweldpleging of heling, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, niet verzekerd is, overeenkomstig de wettelijk geoorloofde uitsluiting;

5°) indien binnen drie maanden na de datum waarop hij zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend bij de verzekeringsonderneming van het voertuig waarmee, door deelneming aan het verkeer, het ongeval is veroorzaakt of bij haar schaderegelaar, die verzekeringsonderneming of haar schaderegelaar hem geen met redenen omkleed antwoord op de diverse punten in het verzoek heeft verstrekt;

6°) indien de verzekeringsonderneming heeft nagelaten om een schaderegelaar aan te wijzen;

7°) indien het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet kan worden geïdentificeerd; in dat geval wordt het Fonds in de plaats gesteld van de aansprakelijke persoon;

8°) wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is hetzij omdat de verzekeringsplicht niet nageleefd werd, hetzij de verzekeringsonderneming binnen twee maanden na het ongeval niet kan geïdentificeerd worden.

«§ 2. In afwijking van 7°) van de voorgaande paragraaf, indien verscheidene voertuigen bij het ongeval zijn betrokken en indien het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, wordt de schadevergoeding van de benadeelde persoon in gelijke delen verdeeld onder de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van deze voertuigen dekken, met uitzondering van degenen wier aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt.»

B.2. Krachtens art. 19bis-13, § 3, juncto art. 19bis-11, § 1, 7° van de wet van 21 november 1989 wordt de schadevergoeding van de benadeelde persoon, ingeval de schade wordt veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig, beperkt tot de schade die voortvloeit uit lichamelijke letsels.

Eén en andr-er is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
859
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 88/2017

Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 30 juni 2016 (...) heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld: «Schendt art. 19bis-13, § 3 van de wet van 21 november 1989 «betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen» de artt. 10 en 11 Gw., indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat, naast de primaire schadelijder van een ongeval veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig, ook de secundaire schadelijder de mogelijkheid ontzegd kan worden vergoeding voor materiële schade van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds te verkrijgen, aangezien een dergelijke interpretatie immers een ongelijkheid creëert ten nadele van de groep van secundaire schadelijders, omdat slachtoffers van een schadegeval dat veroorzaakt wordt door een bestuurder die geconfronteerd wordt met een toevallig feit dat tegelijkertijd een niet-geïdentificeerd voertuig is, enkel recht hebben op vergoeding van de lichamelijke schade, terwijl de slachtoffers van een schadegeval dat veroorzaakt wordt door een bestuurder die geconfronteerd wordt met een zuiver toevallig feit recht hebben op integrale vergoeding van zowel lichamelijke als materiële schade?»

...

In rechte

...

B.1.1. Art. 19bis-13, § 3, van de wet van 21 november 1989 «betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen» bepaalt:

«In het geval bedoeld bij artikel 19bis-11, § 1, 7o, en wanneer het ongeval zich heeft voorgedaan op het Belgische grondgebied, kan de Koning de verplichtingen van het Fonds beperken tot de vergoeding van de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels.

«Evenwel is een dergelijke beperking niet toegelaten wanneer het Fonds vergoedt omwille van aanzienlijk lichamelijk letsel door enige benadeelde opgelopen in een ongeval waarbij materiële schade werd veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig.

«Wordt beschouwd als aanzienlijk letsel, een lichamelijk letsel dat, ingevolge het ongeval, ofwel:

1. de dood van de benadeelde;

2. een bestendige invaliditeit van 15% of meer;

3. een tijdelijke invaliditeit van een maand of meer;

4. een hospitaalopname van zeven dagen of meer heeft veroorzaakt.

«De Koning kan de voorwaarden, waaronder een lichamelijk letsel als aanzienlijk wordt beschouwd, nader bepalen of de lijst ervan aanvullen.

«De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op de gevolgen van de ongevallen die zich hebben voorgedaan vóór zijn inwerkingtreding.»

B.1.2. Voor de beoordeling van de prejudiciële vraag is tevens art. 19bis-11 van de wet van 21 november 1989 van belang, dat bepaalt:

Ǥ 1. Elke benadeelde kan van het Fonds de vergoeding bekomen van de schade die door een motorrijtuig is veroorzaakt:

1°) wanneer de verzekeringsonderneming failliet verklaard is;

2°) wanneer de vergoedingen verschuldigd zijn door een verzekeringsonderneming, die na afstand of intrekking van de toelating in België of na het, met toepassing van artikel 71, §§ 1, derde lid, en 2, van de wet van 9 juli 1975 «betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen», opgelegde verbod van activiteit, haar verplichtingen niet nakomt;

3°) wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is om reden van een toevallig feit waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, vrijuit gaat;

4°) wanneer in geval van diefstal, geweldpleging of heling, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, niet verzekerd is, overeenkomstig de wettelijk geoorloofde uitsluiting;

5°) indien binnen drie maanden na de datum waarop hij zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend bij de verzekeringsonderneming van het voertuig waarmee, door deelneming aan het verkeer, het ongeval is veroorzaakt of bij haar schaderegelaar, die verzekeringsonderneming of haar schaderegelaar hem geen met redenen omkleed antwoord op de diverse punten in het verzoek heeft verstrekt;

6°) indien de verzekeringsonderneming heeft nagelaten om een schaderegelaar aan te wijzen;

7°) indien het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet kan worden geïdentificeerd; in dat geval wordt het Fonds in de plaats gesteld van de aansprakelijke persoon;

8°) wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is hetzij omdat de verzekeringsplicht niet nageleefd werd, hetzij de verzekeringsonderneming binnen twee maanden na het ongeval niet kan geïdentificeerd worden.

«§ 2. In afwijking van 7°) van de voorgaande paragraaf, indien verscheidene voertuigen bij het ongeval zijn betrokken en indien het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, wordt de schadevergoeding van de benadeelde persoon in gelijke delen verdeeld onder de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van deze voertuigen dekken, met uitzondering van degenen wier aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt.»

B.2. Krachtens art. 19bis-13, § 3, juncto art. 19bis-11, § 1, 7° van de wet van 21 november 1989 wordt de schadevergoeding van de benadeelde persoon, ingeval de schade wordt veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig, beperkt tot de schade die voortvloeit uit lichamelijke letsels.

Aan het Hof wordt gevraagd of het voormelde art. 19bis-13, § 3 verenigbaar is met de artt. 10 en 11 Gw. in zoverre het «naast de primaire schadelijder van een ongeval veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig, ook de secundaire schadelijder de mogelijkheid [ontzegt] vergoeding voor materiële schade van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds te verkrijgen».

Daardoor zou, volgens de verwijzende rechter, een verschil in behandeling bestaan tussen secundaire schadelijders, «omdat slachtoffers van een schadegeval dat veroorzaakt wordt door een bestuurder die geconfronteerd wordt met een toevallig feit dat tegelijkertijd een niet-geïdentificeerd voertuig is, enkel recht hebben op vergoeding van de lichamelijke schade, terwijl slachtoffers van een schadegeval dat veroorzaakt wordt door een bestuurder die geconfronteerd wordt met een zuiver toevallig feit recht hebben op integrale vergoeding van zowel lichamelijke als materiële schade».

B.3.1. Uit de feiten van de zaak en de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat een niet-geïdentificeerd voertuig een ongeval heeft veroorzaakt, waarbij schade is berokkend aan een geïdentificeerd voertuig en aan de materiële goederen van het Vlaamse Gewest.

Aan de bestuurder van het geïdentificeerde voertuig kan enkel de schade die voortvloeit uit lichamelijke letsels worden vergoed met toepassing van art. 19bis-11, § 1, 7o, juncto art. 19bis-13, § 3 van de in het geding zijnde wet. Hij kan zich niet beroepen op de vergoedingsregeling van het Waarborgfonds om reden van een «toevallig feit» omdat, ook al leverde het rijgedrag van de bestuurder van het niet-geïdentificeerde voertuig voor de bestuurder van het geïdentificeerde voertuig een toevallig feit op, dat toevallig feit niet de reden is waarom geen enkele erkende verzekeringsonderneming tot vergoeding van de toegebrachte schade verplicht is, maar wel het feit dat de identiteit van het voertuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet is vastgesteld (Cass. 20 juni 1991, Arr.Cass. 1990-91, nr. 548; Cass. 25 juni 1992, Arr.Cass. 1991-92, nr. 566; Cass. 8 mei 1998, Arr.Cass. 1998, nr. 230).

Bovendien dient het toevallig feit te worden beoordeeld ten aanzien van de bestuurder van het voertuig dat het ongeval heeft veroorzaakt (Cass. 2 mei 1989, Arr.Cass. 1988-89, nr. 497; Cass. 20 juni 1991, Arr.Cass. 1990-91, nr. 548).

B.3.2. In de prejudiciële vraag wordt het Hof ondervraagd over de verenigbaarheid met de artt. 10 en 11 Gw. van het verschil in behandeling tussen de secundaire schadelijders die het slachtoffer zijn van een verkeersongeval met een niet-geïdentificeerd voertuig en de secundaire schadelijders die het slachtoffer zijn van een verkeersongeval ingevolge een toevallig feit.

Overeenkomstig het verwijzingsarrest dient te worden begrepen onder primaire schadelijder «de bij het ongeval betrokken schadelijder» en onder secundaire schadelijder «degene die het slachtoffer is van schade geleden door het gedrag van een geïdentificeerde bestuurder die zelf werd geconfronteerd met een niet-geïdentificeerd voertuig dat voor hem een geval van overmacht uitmaakt».

B.4.1. Uit de parlementaire voorbereiding van art. 19bis-13, § 3, en art. 19bis-11, § 1 van de wet van 21 november 1989 blijkt dat die artikelen de overname betreffen van de voorheen bestaande artt. 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 «betreffende de controle der verzekeringsondernemingen» (Parl.St. Kamer 2001-02, DOC 50-1716/001, p. 17). Bij art. 7 van de wet van 22 augustus 2002 werden de bepalingen betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen verplaatst van de wet van 9 juli 1975 naar de wet van 21 november 1989.

B.4.2. Uit de parlementaire voorbereiding van de artt. 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 blijkt dat, op algemene wijze, de wetgever beoogde het gebrek aan dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen, een sector waarin de verzekering verplicht is, te verhelpen. Daartoe heeft hij voorzien in de oprichting van een Gemeenschappelijk Waarborgfonds dat tot taak heeft de schade te herstellen die in de in art. 80 van de wet van 9 juli 1975, thans art. 19bis-11 van de wet van 21 november 1989, bedoelde gevallen door een motorrijtuig is veroorzaakt.

«Aan de hand van deze artikelen wordt een tegemoetkomingsstelsel in het leven geroepen. Hierop kan een beroep worden gedaan, als voor een tak, waarin de verzekering bij de wet is opgelegd – de burgerrechtelijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen – de dekking ontbreekt. Dit gemis aan dekking kan uit allerlei toestanden voortspruiten, waarvan de belangrijkste gewis hieruit voortvloeien, dat de aansprakelijke persoon – en dus de verzekeraar – onbekend is, of dat de verzekeraar in staat van faillissement verkeert» (Parl.St. Senaat 1970-1971, nr. 269, p. 48).

Uit de parlementaire voorbereiding volgt dat het eveneens is door zich te baseren op het verplichte karakter van de aansprakelijkheidsverzekering inzake motorvoertuigen dat de wetgever (art. 79, § 4 van de wet van 9 juli 1975) de financiering van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds ten laste heeft gelegd van de verzekeringsondernemingen die in de genoemde verzekeringstak werkzaam zijn: «De Commissie voor de Economische Zaken heeft harerzijds het door de regering voorgedragen stelsel aanvaard omdat ze oordeelde dat het omslaan van de financiële last van het optreden van het Fonds over de gemeenschap van de «motorrijtuig»-verzekerden veeleer dan over de verzekerden van de gefailleerde maatschappij of over alle belastingplichtigen, een verantwoorde keuze is op grond van het bestaande stelsel van de verplichte verzekering voor de vergoeding van de verkeersongevallen» (Parl.St. Senaat 1970-71, nr. 570, p. 51).

B.4.3. Wat betreft de aan de Koning verleende mogelijkheid om de tegemoetkoming van het Waarborgfonds uit te breiden tot de materiële schade (art. 80, § 1, derde lid van de wet van 9 juli 1975) en de uitsluiting, in dat verband, van het geval van de niet-identificatie van het voertuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, wordt in de parlementaire voorbereiding gewezen op verschillende elementen die door de wetgever in aanmerking zijn genomen, waaronder, enerzijds, de zorg om het Waarborgfonds te behoeden voor het risico van fraude en heimelijke verstandhouding en, anderzijds, de zorg om bij voorrang lichamelijke letsels te dekken. Aldus is het volgende uiteengezet:

«Volgens de wet van 1 juli 1956 kan het Gemeenschappelijk Fonds alleen tot vergoeding van lichamelijke schaden worden aangesproken.

[...]

«Gaat het om niet-geïdentificeerde motorrijtuigen, dan moet worden vermeden dat men al te gemakkelijk zou geneigd zijn bedrog of collusie aan te wenden om van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds vergoeding van geleden schade te bekomen in gevallen waarin het Fonds niet aansprakelijk is. Bovendien moet men indachtig zijn dat zich daaronder motorrijtuigen kunnen bevinden die van de verzekeringsplicht zijn vrijgesteld en dus niet tot het Gemeenschappelijk Waarborgfonds moeten bijdragen.

«Het is dan ook begrijpelijk dat het Gemeenschappelijk Waarborgfonds niet op zo volstrekte wijze als de verzekeraar tot uitkering gehouden is.

«Daarom had de wetgever van 1956 de zuiver stoffelijke schade uitgesloten, daar hij van mening was dat in de eerste plaats de lichamelijke schade van het slachtoffer en zijn gezinsleden volledig moet worden vergoed, als ware de dader van het ongeval op geldige en afdoende wijze verzekerd.

«Voor schade uit lichamelijke letsels wordt dus zowel met het berokkende stoffelijk als zedelijk nadeel rekening gehouden.

«Niemand zal betwisten dat voor de slachtoffers stoffelijke schade uit een sociaal oogpunt heel wat minder belang heeft.

«Behoudens uitzondering gaat het hier om schade aan motorrijtuigen. Vergoeding van zodanige schade kan in de meeste gevallen van de aansprakelijke dader worden bekomen. De automobilist kan trouwens met weinig kosten dekking bekomen tegen risico’s boven een bepaalde grens, door zich te verzekeren tegen schade die veroorzaakt is niet alleen door een andere automobilist, maar ook door een voetganger, een fietser, een door paarden getrokken rijtuig, zwervende dieren, kudden, overmacht, eigen schuld of schuld van aangestelden.

...

«Gevolg hiervan is dat de opdracht van het Waarborgfonds zou moeten worden uitgebreid tot de stoffelijke schade in de gevallen vermeld in 2° en 4° van § 1, te weten het geval van niet-verzekering en het geval van onvermogen van de verzekeraar.

«Het ontwerp verleent aan de Koning de nodige bevoegdheid om met dit advies rekening te houden, en de bijdrageplicht van het Waarborgfonds zodanig af te bakenen dat het niet gehouden is tot een groot aantal kleine uitkeringen of tot al te grote schadevergoedingen.

«Zo kan worden voortgegaan met de volledige vergoeding van lichamelijke schaden, waartoe het Waarborgfonds is gehouden» (Parl.St. Kamer 1963-64, nr. 851/1, p. 18 en 19).

B.4.4. Art. 80, § 1, derde lid van de wet van 9 juli 1975 is vervangen door art. 19bis-13, § 3 van de wet van 21 november 1989, dat thans op «negatieve wijze [zegt] hetgeen nu is vastgesteld bij het laatste lid van eerder genoemde bepaling» (Parl.St. Kamer 2001-02, DOC 50-1716/001, p. 19).

B.5. Art. 19bis-13, § 3, eerste lid, machtigt de Koning ertoe de tegemoetkoming van het Waarborgfonds te beperken tot de vergoeding van de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels in het geval bedoeld in art. 19bis-11, § 1, 7o, namelijk het geval waarin het verkeersongeval door een niet-geïdentificeerd voertuig is veroorzaakt, behalve wanneer het Waarborgfonds vergoedt vanwege aanzienlijk lichamelijk letsel, in welke situatie de materiële schade ook dient te worden vergoed (art. 19bis-13, § 3, tweede lid).

Rekening houdend met de doelstelling van de wetgever, is het niet zonder redelijke verantwoording de vergoeding van materiële schade, in geval van niet-identificatie van het voertuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, uit te sluiten; dat geval impliceert immers een substantieel risico van frauduleuze verklaringen, met de aanzienlijke geldelijke last die eruit zou voortvloeien voor het Waarborgfonds.

Vanwege dat risico van frauduleuze verklaringen is het eveneens niet zonder redelijke verantwoording, om dezelfde redenen, dat secundaire schadelijders geen vergoeding kunnen krijgen voor de materiële schade in geval van niet-identificatie van het voertuig dat het ongeval heeft veroorzaakt.

B.6. In zoverre art. 19bis-13, § 3 de mogelijkheid tot vergoeding van de schade beperkt tot lichamelijke letsels wanneer het ongeval door een niet-geïdentificeerd voertuig wordt veroorzaakt, is het niet onverenigbaar met de artt. 10 en 11 Gw.

Noot: 

G. Jocqué in NJW 2015, 102:" Schadevergoeding bij onmogelijkheid om vast te stellen welk voertuig het ongeval veroorzaakt heeft".

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 28/01/2018 - 15:09
Laatst aangepast op: zo, 28/01/2018 - 15:09

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.