-A +A

Gemeenschappelijk waarborgfonds onbekend gebleven voertuig en geen toevallig feit

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 02/01/1996

De rechter die vaststelt, enerzijds, dat de identiteit van de vrachtwagen die een deel van zijn lading verloor, niet is vastgesteld, anderzijds, dat de bestuurder van die niet geïdentificeerde vrachtwagen uitsluitend en alleen aansprakelijk is voor de ongevallenreeks in kwestie, sluit het bestaan uit van een toevallig feit waardoor de onbekend gebleven bestuurder vrijuit gaat en geen enkele verzekeringsonderneming tot vergoeding van stoffelijke schade verplicht is.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
1996-1997
Pagina: 
189
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

N.V. A. t/ Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds

Gelet op het bestreden arrest, op 27 september 1994 door het Hof van Beroep te Gent gewezen;

...

Gelet op het namens eiseres ingediende verzoekschrift waarvan een door de griffier van het Hof voor eensluidend verklaarde kopie aan dit arrest is gehecht en ervan deel uitmaakt;

Over het middel:

Overwegende dat krachtens artikel 50, § 1, 1°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, elke benadeelde van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds vergoeding van de schade voortvloeiende uit lichamelijke letsels die door een motorrijtuig zijn veroorzaakt kan krijgen wanneer de identiteit van het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt niet is vastgesteld;

Overwegende dat naar luid van artikel 19, § 1, van het koninklijk besluit houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 49 en 50 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, het Fonds bovendien de stoffelijke schade vergoedt die door een motorrijtuig is veroorzaakt, onder meer, wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is om reden van een toevallig feit waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, vrijuit gaat;

Overwegende dat eiseres voor de appelrechters conclusie heeft genomen zoals in het middel is weergegeven ten betoge dat niet alleen de fout van een onbekende vrachtwagenbestuurder die de lading van zijn voertuig slecht vastmaakte vaststaat maar dat er ook een toevallig feit voorhanden is «te weten de aanwezigheid van een groot vrachtwagenwiel op een onverlichte rijbaan» en «dat tot het ontstaan van de schade hebben bijgedragen de fout van een onbekend gebleven bestuurder en een toevallig feit» zodat «de op het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds berustende verplichting tot vergoeding van stoffelijke schade (...) — namelijk wanneer geen erkende verzekeringsonderneming verplicht is tot vergoeding om reden van een toevallig feit waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval heeft veroorzaakt vrijuit gaat — niet verdwijnt doordat het ongeval waaruit de schade ontstond ook veroorzaakt werd door een motorrijtuig waarvan de identiteit niet is vastgesteld»;

Overwegende dat de appelrechters hun beslissing dat de tegen verweerder ingestelde civielrechtelijke vordering van eiseres, die in haar hoedanigheid van «allrisk»-verzekeraar uitsluitend vergoeding van stoffelijke schade vordert, niet gegrond is laten steunen op de dat «nu geen fout is bewezen ten laste van één of meer van de beklaagden en (het ongeval is) toe te schrijven aan de fout van de bestuurder van een niet geïdentificeerd motorrijtuig, erkent de vrijwillig tussengekomen partij onderlinge verzekeringsvereniging Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds, gehouden te zijn tot vergoeding conform artikel 50, § 1, 1°, van de wet van 9 juli 1985 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen» en «aangezien de tussenkomst van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds haar grond vindt in de fout van een niet geïdentificeerde bestuurder, is het Fonds uitsluitend gehouden tot vergoeding van de lichamelijke schade doch niet van de stoffelijke schade»;

Dat de rechters aldus, met bevestiging van de door de eerste rechter vermelde feitelijke gegevens waarop zij hun oordeel laten steunen, vaststellen, enerzijds, dat de identiteit van de vrachtwagen die een deel van zijn lading verloor niet is vastgesteld, anderzijds, dat de bestuurder van de niet geïdentificeerde vrachtwagen «uitsluitend en alleen aansprakelijk dient geacht voor de dramatische ongevallenreeks», mitsdien het bestaan van een toevallig feit waardoor de onbekend gebleven bestuurder vrijuit gaat en geen enkele verzekeringsonderneming tot vergoeding van stoffelijke schade verplicht is, uitsluiten;

Dat de rechters door hun motivering de strijdige of andere aanvoeringen van eiseres verwerpen, zodoende haar conclusie beantwoorden, en de beslissing waarbij zij de civielrechtelijke vordering van eiseres tot vergoeding van stoffelijke schade niet gegrond verklaren, regelmatig met redenen omkleden en naar recht verantwoorden;

...

Noot: 

G. Jocqué in NJW 2015, 102:" Schadevergoeding bij onmogelijkheid om vast te stellen welk voertuig het ongeval veroorzaakt heeft".

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 15/09/2017 - 08:22
Laatst aangepast op: vr, 15/09/2017 - 08:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.