-A +A

Gemeenschappelijk waarborgfonds - Geen identificatie van aansprakelijke dader - beperking tussenkomst

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 12/10/2015

Met toepassing van art. 19bis-11, § 1, 7o vergoedt het Fonds de schade indien het motorrijtuig dat de schade heeft veroorzaakt, niet kan worden geïdentificeerd.

De Koning heeft in art. 19, § 1 van het KB van 16 december 1981 gebruikgemaakt van de door art. 19bis-13, § 3 WAM bepaalde mogelijkheid om de verplichting van het Fonds te begrenzen tot de vergoeding van de schade, voortvloeiend uit lichamelijke letsels.

Krachtens art. 19bis-13, § 3 WAM is die beperking niet toegelaten:

«...wanneer het Fonds vergoedt omwille van aanzienlijk lichamelijk letsel door enige benadeelde opgelopen in een ongeval waarbij materiële schade werd veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig. Wordt beschouwd als aanzienlijk lichamelijk letsel, een lichamelijk letsel dat, ingevolge het ongeval, ofwel:

1. de dood van de benadeelde;

2. een bestendige invaliditeit van 15% of meer;

3. een tijdelijke invaliditeit van een maand of meer;

4. een hospitalisatie van 7 dagen of meer heeft veroorzaakt.»

In de hierboven aangehaalde wetsbepaling is met betrekking tot de tijdelijke invaliditeit van een maand of meer niet gespecificeerd of het gaat om volledige invaliditeit dan wel of reeds een gedeeltelijke invaliditeit volstaat.

De wettekst is in dit opzicht dus niet eenduidig, zodat een interpretatie nodig is.

Uitgangspunt daarbij is de notie «aanzienlijk lichamelijk letsel», waaraan de wetgever met de vier opgesomde gevallen een invulling heeft gegeven.

Deze notie maakt immers duidelijk dat het de bedoeling was om de begrenzing van de vergoedingsplicht tot de lichamelijke schade slechts in welbepaalde gevallen te verbieden.

Een eerste vaststelling is dan dat, indien een gedeeltelijke invaliditeit van een maand meer als aanzienlijk letsel in de zin van de wet zou worden beschouwd, dit noodzakelijk ertoe zou leiden dat reeds een zeer geringe invaliditeit kan volstaan, aangezien de wet niet voorziet in een minimumgraad daarvan. Het is duidelijk dat een interpretatie in deze zin geenszins strookt met wat onder een aanzienlijk letsel wordt verstaan.

Daarenboven dient de bepaling betreffende de tijdelijke invaliditeit te worden gelezen in samenhang met de andere gevallen die de wet als aanzienlijk letsel aanmerkt, meer bepaald een bestendige invaliditeit waarvoor wel een minimum van 15% is bepaald. Het zou dan ongerijmd zijn om ook een tijdelijke invaliditeit van minder dan dit percentage als een aanzienlijk lichamelijk letsel te beschouwen. Het kan dan ook niet worden aangenomen dat dit de wil van de wetgever zou zijn geweest.

Aangezien evenmin aan de rechter een feitelijke beoordelingsmarge werd gelaten aangaande een mate van gedeeltelijke ongeschiktheid die eventueel als een aanzienlijk letsel mag worden beschouwd, valt de ongerijmdheid slechts weg indien wordt aangenomen dat de wetgever een volledige tijdelijke invaliditeit heeft bedoeld.

Aan de bovenstaande overweging wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat het Fonds blijkbaar zelf «teneinde een zekere logica te behouden» een regel toepast die erin bestaat, met een bepaalde berekening, een verschillende maanden durende degressieve invaliditeit terug te brengen tot een maand van 100%. Deze benadering, hoezeer ook ingegeven door praktische en billijkheidsoverwegingen, is niet meer dan een kunstgreep die geen steun vindt in de wet.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1232
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds t/ P.R.

I. Situering van het geschil

Het geding tussen de partijen betreft de schadelijke gevolgen van een kop-staartaanrijding op 7 maart 2013 omstreeks 19u05 op het kruispunt van de Provincialebaan met de Fabriekstraat te Dendermonde.

Daarbij waren betrokken:

– de personenwagen Peugeot, eigendom van en bestuurd door P.R.;

– de personenwagen BMW, bestuurd door C.J.;

– de bestelwagen Citroën jumper, bestuurd door C. De B.;

– een onbekend gebleven personenwagen Peugeot.

P.R. stond met zijn personenwagen Peugeot te wachten achter de BMW van C.J., die voor het rode verkeerslicht stond. Op zeker ogenblik werd hij achteraan aangereden door de Citroën, die zelf vooruitgeworpen werd doordat hij achteraan werd aangereden door een Peugeot 206. De bestuurster van dit laatste voertuig pleegde vluchtmisdrijf en bleef onbekend.

Op 8 april 2014 is P.R. overgegaan tot dagvaarding van het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds (hierna: «het Fonds») voor de Politierechtbank te Antwerpen.

II. Procedure

De eerste rechter, die de oorspronkelijke vordering en de respectieve standpunten van de partijen nauwgezet heeft weergegeven, verklaarde in het bestreden vonnis van 17 december 2014 de vordering van P.R. tegen het Fonds ontvankelijk en gegrond (...).

Het hoger beroep, ingesteld door het Fonds bij verzoekschrift ter griffie neergelegd op 8 januari 2015, is gericht tegen P.R. Het beoogt de afwijzing van de oorspronkelijke vordering (...).

P.R. concludeert tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond (...).

Volgens de verklaring van de partijen ter terechtzitting van 14 september 2015 werd het bestreden vonnis niet betekend. Het hoger beroep wordt bijgevolg als tijdig aangemerkt. Het is bovendien regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.

III. Grond van de zaak

1. Rechtsgronden

Partijen voeren geen betwisting over het feit dat het ongeval werd veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig.

P.R. spreekt het Fonds aan tot vergoeding van de materiële schade die hij door het ongeval leed, op grond van artt. 19bis-13, § 3 juncto 19bis-11, § 1, 7o WAM.

2. Middelen van partijen

2.1. Volgens de door P.R. voorgelegde medische attesten liep hij nekletsels op en was hij volledig arbeidsongeschikt van 7 tot 12 maart 2013, 50% van 13 tot 17 maart, 30% van 18 tot 31 maart en 20% van 1 tot 30 april 2013. Er was geen blijvende invaliditeit.

P.R. voert aan dat, aangezien hij aldus door het ongeval een tijdelijke invaliditeit opliep van meer dan één maand, de opgelopen letsels voldoen aan de door art. 19bis-13, § 3 juncto 19bis-11, § 1, 7o WAM gestelde voorwaarde om te worden beschouwd als aanzienlijk, in welk geval ook zijn materiële schade door het Fonds dient te worden vergoed.

2.2. Het Fonds werpt tegen dat het opgelopen letsel niet kan worden beschouwd als aanzienlijk omdat de tijdelijke (volledige) invaliditeit zich beperkte tot vijf dagen en daarna degressief werd. Volgens haar dient de term «tijdelijke invaliditeit van een maand of meer» in art. 19bis-11, § 3 WAM, gelezen in samenhang met de overige geledingen van deze wetsbepaling, te worden geïnterpreteerd als een volledige tijdelijke invaliditeit. Aan deze voorwaarde voldoet de door P.R. opgelopen gedeeltelijke invaliditeit dus niet.

3. Beoordeling

3.1. Met toepassing van art. 19bis-11, § 1, 7o vergoedt het Fonds de schade indien het motorrijtuig dat de schade heeft veroorzaakt, niet kan worden geïdentificeerd.

De Koning heeft in art. 19, § 1 van het KB van 16 december 1981 gebruikgemaakt van de door art. 19bis-13, § 3 WAM bepaalde mogelijkheid om de verplichting van het Fonds te begrenzen tot de vergoeding van de schade, voortvloeiend uit lichamelijke letsels.

Krachtens art. 19bis-13, § 3 WAM is die beperking niet toegelaten:

«...wanneer het Fonds vergoedt omwille van aanzienlijk lichamelijk letsel door enige benadeelde opgelopen in een ongeval waarbij materiële schade werd veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig. Wordt beschouwd als aanzienlijk lichamelijk letsel, een lichamelijk letsel dat, ingevolge het ongeval, ofwel:

1. de dood van de benadeelde;

2. een bestendige invaliditeit van 15% of meer;

3. een tijdelijke invaliditeit van een maand of meer;

4. een hospitalisatie van 7 dagen of meer heeft veroorzaakt.»

3.2. In de hierboven aangehaalde wetsbepaling is met betrekking tot de tijdelijke invaliditeit van een maand of meer niet gespecificeerd of het gaat om volledige invaliditeit dan wel of reeds een gedeeltelijke invaliditeit volstaat. De wettekst is in dit opzicht dus niet eenduidig, zodat een interpretatie nodig is. Uitgangspunt daarbij is de notie «aanzienlijk lichamelijk letsel», waaraan de wetgever met de vier opgesomde gevallen een invulling heeft gegeven. Deze notie maakt immers duidelijk dat het de bedoeling was om de begrenzing van de vergoedingsplicht tot de lichamelijke schade slechts in welbepaalde gevallen te verbieden.

Een eerste vaststelling is dan dat, indien een gedeeltelijke invaliditeit van een maand meer als aanzienlijk letsel in de zin van de wet zou worden beschouwd, dit noodzakelijk ertoe zou leiden dat reeds een zeer geringe invaliditeit kan volstaan, aangezien de wet niet voorziet in een minimumgraad daarvan. Het is duidelijk dat een interpretatie in deze zin geenszins strookt met wat onder een aanzienlijk letsel wordt verstaan.

Daarenboven dient de bepaling betreffende de tijdelijke invaliditeit te worden gelezen in samenhang met de andere gevallen die de wet als aanzienlijk letsel aanmerkt, meer bepaald een bestendige invaliditeit waarvoor wel een minimum van 15% is bepaald. Het zou dan ongerijmd zijn om ook een tijdelijke invaliditeit van minder dan dit percentage als een aanzienlijk lichamelijk letsel te beschouwen. Het kan dan ook niet worden aangenomen dat dit de wil van de wetgever zou zijn geweest.

Aangezien evenmin aan de rechter een feitelijke beoordelingsmarge werd gelaten aangaande een mate van gedeeltelijke ongeschiktheid die eventueel als een aanzienlijk letsel mag worden beschouwd, valt de ongerijmdheid slechts weg indien wordt aangenomen dat de wetgever een volledige tijdelijke invaliditeit heeft bedoeld.

3.3. Aan de bovenstaande overweging wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat het Fonds blijkbaar zelf «teneinde een zekere logica te behouden» een regel toepast die erin bestaat, met een bepaalde berekening, een verschillende maanden durende degressieve invaliditeit terug te brengen tot een maand van 100%. Deze benadering, hoezeer ook ingegeven door praktische en billijkheidsoverwegingen, is niet meer dan een kunstgreep die geen steun vindt in de wet.

In de conclusie van P.R. wordt voor het overige terecht opgemerkt dat de ratio legis van art. 19bis-13 WAM, ingevoerd door de wet van 22 augustus 2002, het voorkomen van fraude was. Het bovenstaande is daarmee echter niet in strijd.

3.4. Uit wat voorafgaat volgt dat niet voldaan is aan de voorwaarden opdat het Fonds zou gehouden zijn ook de materiële (voertuig)schade van P.R. te vergoeden. De vordering van P.R. dient dus te worden afgewezen.

Het hoger beroep is gegrond.

...

Noot: 

G. Jocqué in NJW 2015, 102:" Schadevergoeding bij onmogelijkheid om vast te stellen welk voertuig het ongeval veroorzaakt heeft".

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 25/03/2018 - 15:43
Laatst aangepast op: do, 29/03/2018 - 19:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.